ECLI:NL:PHR:2019:269

ECLI:NL:PHR:2019:269, Parket bij de Hoge Raad, 22-03-2019, 18/02347

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-03-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/02347
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:997
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Procesrecht. Art. 129 en 130 Rv. Wijziging van eis bij pleidooi in hoger beroep. Verzet daartegen. Ligt vermindering van eis besloten in eiswijziging? Uitleg verklaring ter terechtzitting. Processueel ondeelbare rechtsverhouding. Ambtshalve oproeping mede-erfgenamen op de voet van art. 118 Rv.

Uitspraak

2. Partijen in de cassatieprocedure

In cassatie is onbestreden en wordt tot uitgangspunt genomen dat de vorderingen in de onderhavige procedure een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreffen, dat wil zeggen een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Nu [eiser] alleen [verweerders] in het hoger beroep heeft betrokken en het hof hem niet de gelegenheid heeft gegeven om de andere bij de rechtsverhouding betrokkenen alsnog als partij in het geding te roepen op de voet van art. 118 Rv (zie daarover hierna onder 3.11-3.18), is het in cassatie bestreden arrest (enkel) tussen [eiser] en [verweerders] gewezen.

[eiser] heeft in de procesinleiding in cassatie vermeld dat hij, vanwege de omstandigheid dat het dus ook in de onderhavige cassatieprocedure een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft, [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] alsnog oproept en dat hij de Hoge Raad verzoekt hen voor deze cassatieprocedure te begrijpen als belanghebbenden, en voor zover nodig als verweerders.

Uit de ingediende originele betekeningsexploten blijkt dat [eiser] het oproepingsbericht en de daarbij behorende procesinleiding in cassatie op 30 mei 2018 aan [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] heeft doen betekenen.

[verweerster 6] heeft bij brief van 22 juni 2018 aan de griffie van de Hoge Raad bericht dat zij van mening is dat zij geen partij meer is in deze zaak.

Van [verweerster 4] en [verweerster 5] is, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen reactie vernomen.

Het hierna (onder 3.13-3.16) aan de orde komende arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2017 brengt mee dat indien de procedure in eerste aanleg een ondeelbare rechtsverhouding betreft, steeds alle partijen in de volgende instantie in het geding dienen te worden betrokken.

[eiser] heeft dan ook terecht de procesinleiding in cassatie en het oproepingsbericht mede aan [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] doen betekenen.

Uit de wijze waarop de zaak op de rol van de Hoge Raad is geadministreerd, leid ik af dat tot nu toe naast [eiser] uitsluitend [verweerders] als partijen in cassatie zijn aangemerkt. De eerdere verstekverlening tegen [verweerders] strekt zich dus niet uit tot [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] . Uit praktische overwegingen en ter bespoediging van de afdoening van deze zaak in cassatie, stel ik voor de conclusie op het verstek en de conclusie in de hoofdzaak te integreren. Ik ga er daarbij van uit dat de gevraagde verstekverlening ook [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] betreft. Nu dezen m.i. correct zijn opgeroepen en zij niet zijn verschenen, concludeer ik dat tegen [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] verstek kan worden verleend.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel bestaat uit vier onderdelen.

Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 6.5 en 6.13, waarin het hof in de kern heeft geoordeeld dat van de kant van [eiser] geen vorderingen resteren die voor beoordeling in aanmerking komen. Onderdeel 4 is gericht tegen de daaraan verbonden consequentie in rov. 6.10.2, te weten dat het hof [eiser] niet de gelegenheid zal geven om de niet in de procedure betrokken partijen bij de ondeelbare rechtsverhouding alsnog op te roepen.

De in onderdeel 1 bestreden rechtsoverwegingen luiden als volgt:

“6.5. Ter zitting heeft [eiser] zijn eis wederom gewijzigd en vordert thans:

Primair:

1. de vorderingen van geïntimeerden af te wijzen althans te ontzeggen;

2. te verklaren voor recht dat de vaststellingsovereenkomst van 1 januari 1985 rechtsgeldig is;

3. te bepalen dat [eiser] een bedrag van € 1.460.794,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag heeft geïnvesteerd in de onroerende zaak [a-straat 1] ;

4. kosten rechtens;

Subsidiair:

1. iedere beslissing te nemen die het hof juist voorkomt;

2. kosten rechtens.

De advocaat van [eiser] heeft ter zitting de overige vorderingen ingetrokken. [verweerders] hebben bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging.

Het hof zal dan ook niet recht doen op de bij de zitting gewijzigde primaire vorderingen. De gewijzigde subsidiaire vordering acht het hof te onbepaald om daar recht op te kunnen doen. Het hof kan ook geen recht doen op de door [eiser] bij zijn memorie van grieven gewijzigde vorderingen, nu deze vorderingen ter zitting zijn ingetrokken. Dit betekent dat van de kant van [eiser] geen vorderingen resteren die voor beoordeling in aanmerking komen. Zijn ingetrokken reconventionele vordering inzake de toedeling van het pand aan de [a-straat 1] te [woonplaats] betrof het spiegelbeeld van de toegewezen vorderingen in conventie zodat met het intrekken van deze vordering in reconventie de toewijzing van de daar tegenover staande vorderingen in conventie in stand blijft.”

Subonderdeel 1.2 klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van het hof dat de advocaat van [eiser] ter zitting de “overige vorderingen” heeft ingetrokken, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het miskent dat een vermindering van eis (art. 129 Rv) in hoger beroep, althans iedere instantie waarbij verplichte procesvertegenwoordiging geldt, schriftelijk – bij conclusie of akte – dient te geschieden en dat een eisvermindering niet besloten kan liggen in een verklaring van een partij ter comparitie, anders dan een mondeling verzoek tot akte van vermindering van eis (HR 22 juni 2012, NJ 2012/396). Het subonderdeel klaagt daarnaast dat voor zover het hof dit niet heeft miskend, het oordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, nu het hof niet heeft overwogen dat en waarom de advocaat van [eiser] mondeling akte zou hebben verzocht van het intrekken van de oorspronkelijke bij memorie van grieven gewijzigde (primaire en subsidiaire) vorderingen, noch dat deze bij schriftelijke akte of conclusie deze vorderingen zou hebben ingetrokken.

Eerste en tweede eiswijziging

[eiser] heeft in zijn memorie van grieven zijn eis in reconventie gewijzigd en – voor zover thans van belang – gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. de vorderingen van geïntimeerden af te wijzen althans te ontzeggen;

2. te verklaren voor recht dat [eiser] economisch eigenaar is van de [a-straat 1] te [woonplaats] en uit dien hoofde recht heeft op levering van deze onroerende zaak, tegen betaling door [eiser] van een bedrag van EURO 15.429,- (ƒ 34.000,-), althans EURO 68.067,- (ƒ 150.000,-) althans EURO 83.496,- (ƒ 184.000,-);

subsidiair:

1. de vorderingen van geïntimeerden af te wijzen althans te ontzeggen;

2. te bepalen dat [eiser] een regresvordering heeft op de onverdeelde nalatenschap van EURO 1.460.794,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

[eiser] heeft ter zitting van het hof van 17 januari 2018 wederom zijn eis gewijzigd. In de pleitaantekeningen in hoger beroep van de advocaat van [eiser] is met betrekking tot deze tweede eiswijziging het volgende vermeld:

“5. De kern van deze zaak gaat over de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst van 1 januari 1985. In randnummer 12 van de memorie van grieven staat dat het geschil in appel uitsluitend gaat over de toedeling aan [eiser] van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [woonplaats] . Dat is niet precies genoeg en te ruim geformuleerd. In appel gaat het met name over de (rechts)geldigheid van de vaststellingsovereenkomst van 1 januari 1985. [eiser] verwacht van het Hof daarover een uitspraak. In die zin wenst [eiser] zijn eis in appel ook aan te passen.

(Wijziging van eis)

6. [eiser] wenst zijn eis te wijzigen als volgt (…):

primair:

1. De vorderingen van geïntimeerden af te wijzen, althans te ontzeggen;

2. Te verklaren voor recht dat de vaststellingsovereenkomst van 1 januari 1985 rechtsgeldig is;

3. Te bepalen dat [eiser] een bedrag van EURO 1.460.794 althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag heeft geinvesteerd in de onroerende zaak [a-straat 1] ;

4. (…);

subsidiair:

1. Iedere beslissing te nemen die het Hof juist voorkomt;

2. (…).”

In het proces-verbaal van het pleidooi bij het hof is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

Voorzitter:

De eiswijziging is de verklaring voor recht dat vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is en dat uw cliënt een bepaald bedrag heeft geïnvesteerd. Betekent dat dat vorderingen genoemd in memorie van grieven zijn komen te vervallen en ook de subsidiaire vordering?

[betrokkene 1]

Ja, het gaat alleen om de vordering die in de pleitnota is genoemd. De overige zijn ingetrokken. (…)”

Het subonderdeel zet het oordeel van het hof dat de bij memorie van grieven gewijzigde vorderingen ter zitting zijn ingetrokken waardoor van de kant van [eiser] geen vorderingen resteren die voor beoordeling in aanmerking komen, terecht in de sleutel van de eisvermindering als bedoeld in art. 129 Rv. Het (integraal) intrekken van vorderingen is te beschouwen als een vermindering van eis (tot nihil).

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 22 juni 2012 heeft geoordeeld, kan in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging een eisvermindering niet besloten liggen in een verklaring van een procespartij ter comparitie, maar dient die plaats te vinden bij conclusie of bij akte. Zodanige akte kan ook daarin bestaan dat de procesvertegenwoordiger ter comparitie mondeling akte verzoekt van een vermindering van eis, aldus de Hoge Raad in dat arrest.

Het hof heeft niet vastgesteld dat akte is verzocht, laat staan verleend, van de intrekking van de vorderingen door [eiser] . Het bestreden oordeel geeft derhalve ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, of is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

Subonderdeel 1.2 treft mitsdien doel. Dit brengt mee dat de overige klachten van onderdeel 1 onbesproken kunnen blijven.

Dat laatste geldt ook voor onderdeel 2, dat – voor zover de klachten van onderdeel 1 niet zouden slagen – klachten richt tegen het oordeel van het hof in rov. 6.13 dat uit de intrekking van de vorderingen van [eiser] voortvloeit dat de toewijzing van de vorderingen in conventie van [verweerders] in stand blijft.

Onderdeel 4 richt zich tegen rov. 6.10.2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“6.10.2 De vorderingen in de onderhavige procedure betreffen een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het gaat daarbij om een beslissing die in dezelfde zin moet luiden ten aanzien van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen. Bij arrest van 10 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:411) heeft de Hoge Raad beslist dat in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure moeten worden betrokken. Indien daarvan sprake is, kan de rechter slechts een beslissing geven in een geding waarin alle bij de rechtsverhouding betrokken partij zijn zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter ook ambtshalve de gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen/persoon alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv (r.o. 3.6.1.).

In dit geval is herstel op deze wijze mogelijk, maar het hof zal daar niet toe overgaan gezien het hierna overwogene over de eiswijziging.”

Het onderdeel klaagt onder A dat als een of meer van de klachten van onderdeel 1 en 2 slagen, ook het oordeel van het hof dat het niet overgaat tot het (ambtshalve) bieden van de genoemde herstelmogelijkheid, niet in stand kan blijven.

De klacht onder B luidt, verkort weergegeven, dat ook los daarvan het oordeel van het hof in rov. 6.10.2 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het nalaten om ambtshalve gelegenheid te bieden om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken niet afhankelijk is (te stellen) van het oordeel van het hof dat de eiswijziging wordt geweigerd zodat er geen (andere) vorderingen resteren.

In het – in de bestreden rechtsoverweging aangehaalde – arrest van 10 maart 2017 heeft de Hoge Raad, voor zover thans van belang, allereerst een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap gedefinieerd als een vordering die een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft (rov. 3.4) en vervolgens de nieuwe lijn voor dagvaardings- en verzoekschriftprocedures in dergelijke gevallen uitgezet (rov. 3.5.2-3.6.3). Deze lijn komt er, samengevat, op neer dat de gevolgen van het hebben van een bepaalde procespositie (eiser of gedaagde) wordt losgelaten en dat iedere bij de rechtsverhouding betrokkene – in iedere instantie – mee moet kunnen procederen.

Dit uitgangspunt wordt in rov. 3.5.2 van bedoeld arrest als volgt verwoord: iedere partij in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft in eerste aanleg het recht jegens alle andere bij die rechtsverhouding betrokken partijen een beslissing daaromtrent te vorderen, ongeacht wie de procedure heeft aangespannen en ongeacht tegen wie de bij dagvaarding ingestelde vordering zich richt. Voorts heeft ieder van hen het recht verweer te voeren tegen een vordering met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding, ongeacht door en tegen wie deze is ingesteld. Dat heeft o.m. tot gevolg (zie rov. 3.5.5) dat een reconventionele vordering ook kan worden ingesteld tegen een ander dan degene die als wederpartij de vordering in conventie heeft ingesteld.

De regel van rov. 3.5.2 heeft tot gevolg dat na aanwending van een rechtsmiddel tegen een beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding, in de volgende instantie tussen alle partijen kan worden voortgeprocedeerd, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft aangewend.

Ook in de volgende instanties heeft ieder van partijen het recht verweer te voeren tegen een vordering met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voorts kan ieder van hen incidenteel beroep instellen. Dat rechtsmiddel kan ook worden ingesteld tegen mede-eisers, mede-gedaagden, mede-appellanten of mede-geïntimeerden (zie rov. 3.5.3 en 3.5.5).

De Hoge Raad heeft verder ook de rechter een taak gegeven (rov. 3.6.1): laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Ook dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel.

In de onderhavige zaak heeft het hof geen aanleiding gezien om [eiser] ambtshalve de gelegenheid te geven [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] alsnog op te roepen omdat er geen vorderingen meer zijn waarover dient te worden beslist.

M.i. is niet alleen de redengeving onjuist (zie hiervoor onder 3.7-3.9), maar is daarnaast van belang dat, zoals ook het hof in rov. 6.10.2 onderkent, een uitspraak over een processueel ondeelbare rechtsverhouding steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde heeft en dat al die partijen in de gelegenheid moeten zijn gesteld om zich over de rechtsverhouding uit te laten. Door de weigering van het hof om ambtshalve [eiser] een herstelmogelijkheid te geven, hebben [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] in appel ten onrechte niet kunnen meeprocederen en bijvoorbeeld verweer kunnen voeren of incidenteel beroep kunnen instellen (eventueel tegen ieder van de anderen).

Uit het voorgaande volgt dat ook onderdeel 4 in zijn geheel m.i. terecht is voorgesteld.

Het belang bij behandeling van onderdeel 3 is komen te vervallen doordat het hof het proces-verbaal alsnog heeft verstrekt.

Nu subonderdeel 1.2 en onderdeel 4 doel treffen, dient het bestreden arrest te worden vernietigd.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot:

- verstekverlening tegen [verweerster 4] , [verweerster 5] en [verweerster 6] en

- vernietiging van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2018 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JBPr 2019/57 met annotatie van Folter, M.O.J. de JERF Actueel 2019/128
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?