“Materiële schade
Cliënte heeft haar inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden afgestaan. Zij heeft dit gedaan gedurende de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 november 2009 en van 1 mei 2010 tot en met 30 januari 2013.
Uit de jurisprudentie blijkt dat afgedragen inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden vaak lastig exact zijn te berekenen, daarom moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van objectieve gegevens die zich in het dossier bevinden, zoals kamerverhuurgegevens en gegevens van bijvoorbeeld Western Union. Ik wil hierbij verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2014 ( ECLI:NL:RBAMS:2014:4783) waarin dit op deze manier is berekend waarbij is uitgegaan van een bedrag van € 200,- per dag. In dat geval was sprake van dubbele diensten.
Cliënte geeft aan dat ze in die periode bijna dagelijks werkte en tussen de € 200,- en € 1000,- per dag verdiende. Hier was de kamerhuur al vanaf getrokken. Ze mocht per dag € 50,- voor zichzelf houden voor eten en drinken en voor spullen op de kamer.
Afgaande op de kamerverhuurgegevens blijkt dat zij in de genoemde periodes in 2008 tenminste 238 dagen heeft gewerkt, in 2009 294 dagen en in 2010 7 dagen. In totaal komt dit over deze periode neer op 539 dagen.
Uitgaande van een minimumbedrag van € 100,- per dag komt neer op een bedrag van € 53.900,-
Uit het overzicht van Western Union blijkt dat zij in totaal € 42.738,66 heeft overgemaakt. Dit beslaat de periode vanaf 14 mei 2008 t/m 28 november 2012.
Over de periode waarvan geen kamerverhuurgegevens aanwezig zijn ( 2010, 2011 en 2012 heeft zij in totaal € 31.728,58,- overgemaakt via Western Union.
Over de gehele periode komt dit neer op € 53.900,- plus 31.728,85 is: €85.628,58,- min € 700,- ( voor de week werken in 2010, anders zou sprake zijn van een dubbeltelling) € 84.928,58.
Afgaande op bovenstaande berekening lijkt een bedrag van € 84.928,58 tenminste redelijk .
(…)
Cliënte vordert in deze procedure een bedrag van € 84.928,58,- voor materiële schade, aangezien dit bedrag bepaalbaar is en geen onevenredige belasting vormt voor het strafproces. Voor de overige schade behoudt zij zich het recht voor dit eventueel via een civiele procedure op verdachten te verhalen.
Immateriële schade
Cliënte is als jong meisje in Hongarije al voor verdachte gaan werken. Verdachte kende haar afkomst en haar omstandigheden. Zij is door verdachte zeer regelmatig geslagen met de vuist tegen haar hoofd en met eenmalig honkbalknuppel op haar lichaam. Cliënte geeft aan dat verdachte haar geestelijk mishandelde en haar dwong tot seks.
Cliënte verbleef in een vreemd land waarvan zij de taal niet sprak. Ze was jong en kon geen kant op. Verdachte chanteerde haar met hun dochtertje en kon haar op deze manier onder druk zetten. De druk van verdachte en de bedreigingen en mishandelingen als zij niet genoeg zou verdienen, maakte dat zij voortdurend in angst leefde. Ze voelde zich vernederd, vies en een gebruiksvoorwerp en niets meer waard en ze zag geen mogelijkheden om zich aan deze situatie te onttrekken. Uit de kamerverhuurgegevens blijkt dat zij in 2008 tenminste 30 weken 7 dagen per week heeft gewerkt en in 2009 ten minste 32 weken 7 dagen per week. Ze is hierdoor totaal uitgeput geraakt.
Cliënte voelt zich hierdoor zeer ernstig aangetast in haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk ingrijpende gebeurtenissen ernstige psychische schade veroorzaken. Cliënte geeft aan dat zij lijdt aan paniekaanvallen en dat zij kalmeringsmiddelen en slaapmedicatie gebruikt. Het gemis van ha[a]r d[o]chtertje dat zij al jaren niet heeft gezien valt haar heel zwaar.
Gezien bovenstaande en verwijzend naar de hierboven genoemde jurisprudentie lijkt een bedrag van € 10.000,- als voor immateriële schade ten minste redelijk. Dit bedrag is bepaalbaar en vormt geen onevenredige belasting van het strafproces. Voor het overige behoudt zij zich het recht voor om verdachte eventueel in een civiele procedure nog aan te spreken.
(…)”
10. De rechtbank heeft inzake de vordering van de benadeelde partij als volgt beslist (vetgedrukt in het origineel):
“Benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.
De raadsman van verdachte heeft – zakelijk weergegeven – onder meer betoogd dat fiscale gegevens van [benadeelde] ontbreken zodat onvoldoende kan worden vastgesteld hoeveel [benadeelde] heeft verdiend en dat evenmin kan worden vastgesteld hoeveel zij precies aan verdachte heeft afgedragen.
De rechtbank constateert met betrekking tot de gevorderde materiële schade, groot € 84.928,58, dat [benadeelde] geen fiscale stukken zoals een belastingaangifte heeft ingediend ter onderbouwing van haar vordering, maar dit neemt niet weg dat het de rechtbank vrij staat de schade van [benadeelde] te schatten op basis van de stukken in het dossier.
De rechtbank stelt vast dat uit de in het dossier opgenomen kamerverhuurgegevens blijkt dat [benadeelde] in ieder geval 539 dagen heeft gewerkt. De rechtbank schat, in navolging van de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, de minimale verdiensten (na aftrek van bijvoorbeeld kamerhuur en eten) van [benadeelde] op € 100,00 per dag. Op basis van de verklaringen van [benadeelde] en de gegevens van Western Union stelt de rechtbank voorts vast dat [benadeelde] in de periode vanaf 14 mei 2008 tot en met 28 november 2012 € 35.206,58 aan verdachte heeft overgemaakt via Western Union. Dit betreft grotendeels de periode waarover geen kamerverhuurgegevens beschikbaar zijn.
[benadeelde] heeft voorts verklaard dat zij regelmatig is teruggekeerd naar Hongarije en dan contant geld meenam. De rechtbank constateert dat deze bedragen blijkens de schriftelijke toelichting niet ten grondslag zijn gelegd aan de vordering van de benadeelde partij.
De rechtbank stelt tevens vast dat [benadeelde] heeft verklaard dat een deel van de door haar aan verdachte afgestane verdiensten bedoeld was voor (het levensonderhoud van) haar dochtertje, nu verdachte voor het dochtertje zorgde. Nu onduidelijk is om welk bedrag ofwel percentage van het bedrag het telkens gaat, zal de rechtbank ook op dit punt gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid.
Al met al stelt de rechtbank de materiële schade in redelijkheid en billijkheid vast op € 75.000,00. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. Ten aanzien van het overige gedeelte van gevorderde materiële schade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank constateert met betrekking tot de gevorderde immateriële schade, groot € 10.000,00, dat deze niet door de raadsman is betwist en acht deze schade voor toewijzing vatbaar.
De rechtbank acht de vordering derhalve tot een totaalbedrag van € 85.000,00 gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal dit bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2013.
De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.”
11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 mei 2017 van het hof blijkt dat de benadeelde partij haar vordering tot schadevergoeding in hoger beroep heeft gehandhaafd.
12. Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof – kort gezegd – het volgende aangevoerd. In de eerste plaats wordt betwist dat uit het dossier blijkt, noch wordt onderbouwd dat en/of hoeveel de aangeefster daadwerkelijk heeft verdiend. Het hof zou derhalve over kunnen gaan tot een schatting van de schade, waarbij een bedrag van € 100 per dag niet ongebruikelijk zou zijn, aldus de verdediging. Echter, die gelden zijn mede aangewend ten behoeve van het levensonderhoud van de aangeefster, waardoor dit bedrag naar beneden toe moet worden bijgesteld, te weten naar € 1.800 per maand. In verband met toeslagen en de hoogte van de huur, dient dit bedrag verder bijgesteld te worden naar € 1.200 per maand. Voorts dienen de aan de verdachte betaalde gelden in de periode dat de relatie tussen de aangeefster en verdachte voorbij was en de aangeefster in Leeuwarden werkte als alimentatie te worden gezien voor hun kind, aldus de verdediging. Tot slot betoogt de verdediging dat bij de schatting van de schade van de aangeefster slechts de periode mag worden meegenomen dat zij in Nederland werkzaam was en niet de periode dat zij dat in Hongarije was.
13. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De aangeefster is, ook na beëindiging van de relatie met de verdachte, blijven werken in de prostitutie. Zij had daar blijkbaar geen moeite mee. Dientengevolge is de vaststelling van de immateriële schade niet eenvoudig, mede in aanmerking genomen dat er geen psychologisch verslag is overgelegd. De immateriële schade komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking, aldus de verdediging.
14. Het hof heeft in zijn arrest de gronden inzake de beslissing op de vordering van de benadeelde partij als volgt aangevuld (vetgedrukt in het origineel):
“Aanvulling van gronden inzake de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Voor wat betreft de in eerste aanleg toegewezen vordering van de benadeelde partij, [benadeelde] , overweegt het hof — conform hetgeen de rechtbank daarover in haar vonnis heeft opgenomen – dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een exacte berekening te komen van de door de benadeelde partij geleden materiële schade. Het door de rechtbank geschatte bedrag van € 75.000,- is redelijk en billijk. Het hof zal dit bedrag – naast de immateriële schade van € 10.000,- – ook eveneens, naar redelijkheid en billijkheid, toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 30 januari 2013, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Anders dan de rechtbank zal het hof de vordering voor het overige afwijzen.
Nu het verweer van de verdediging in hoger beroep overigens geen nieuwe elementen bevat, kan een verdere aanvulling van gronden achterwege blijven. Het hof zal het vonnis dan ook met overneming van die gronden en met inachtneming van vorenstaande overwegingen over de vordering van de benadeelde partij bevestigen.”
15. De advocaat van de benadeelde partij is bij verweerschrift opgekomen tegen het namens de verdachte voorgestelde tweede en derde middel. De inhoud van dit verweerschrift sluit aan bij onder randnummer 10 weergegeven beslissing van de rechtbank inzake de vordering van de benadeelde partij voor zover deze door het hof is bevestigd.
16. In de kern komt het middel met verschillende motiveringsklachten op tegen de (hoogte van de) door het hof toegewezen schade in het licht van de daartoe door de verdediging gevoerde verweren inzake de materiële en immateriële schade. Zo wordt geklaagd dat de rechtbank, hoewel het in een dergelijk geval gebruik mag maken van zijn schattingsbevoegdheid, in de overwegingen hieromtrent onvoldoende duidelijk heeft gemaakt in welke mate de kosten voor het gezin van de aangeefster en de verdachte in mindering zijn gebracht op het bedrag dat aan de aangeefster is toegewezen, dat de aan de verdachte via Western Union overgemaakte geldtransfers zien op een periode die buiten de bewezenverklaarde periode valt en dat die schatting hoe dan ook niet begrijpelijk is in het licht van de kosten aan levensonderhoud van het gezin en de periode waarop de bewezenverklaarde feiten zien. Ten aanzien van de immateriële schade wordt betoogd dat het hof niet begrijpelijk heeft overwogen dat die schade door de verdediging niet is betwist. Derhalve heeft het hof verzuimd (voldoende gemotiveerd) te responderen op dit verweer, aldus het middel.
17. Bij de beoordeling van de middelen stel ik het volgende voorop. Op de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding zijn de regels van het materiële burgerlijk recht van toepassing, ook al wordt de vergoeding vastgesteld door de strafrechter. Ten aanzien van de omvang van de door de benadeelde partij geleden materiële schade geldt dat die niet behoeft te worden bewezen. De rechter heeft de bevoegdheid om schade aannemelijk te achten op grond van het vaststaan van feiten waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden vastgesteld. Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, mag de rechter gebruik mag maken van zijn schattingsbevoegdheid als bedoeld in art. 6:97 BW. De aard van deze bevoegdheid brengt mee dat de motivering van het geschatte bedrag niet aan hoge eisen behoeft te voldoen. Immateriële schade dient naar billijkheid te worden begroot, zo blijkt uit artikel 6:106 BW. Het oordeel van de feitenrechter met betrekking tot de omvang van de schade is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.
18. Terug naar het onderhavige geval. De steller van het middel onderkent dat de feitenrechter bij de vaststelling van de schade gebruik mag maken van zijn schattingsbevoegdheid, maar acht het verweer inzake de (hoogte van de) materiële en immateriële schade van de aangeefster desalniettemin ontoereikend gemotiveerd verworpen. Ik deel dit standpunt niet. De rechtbank heeft in haar door het hof bevestigde oordeel de schade van de benadeelde partij verminderd met een schatting van de kosten die de aangeefster kwijt was aan het levensonderhoud van haar dochtertje. Het feit dat de steller van het middel het met die schatting niet eens is, doet, mede in aanmerking genomen hetgeen ik onder randnummer 17 heb vooropgesteld, aan de begrijpelijkheid van die beslissing niet af. Ten aanzien van het bedrag waarvan vaststaat dat het door de aangeefster via Western Union is overgemaakt naar de verdachte, merk ik op dat het, anders dan het middel doet vermoeden, niet zonder meer is opgeteld bij de schatting van aangeefsters verdiensten van € 100,- per dag, maar, gezien de overwegingen van de rechtbank, slechts als factor is meegewogen in de totale schatting van de door de aangeefster geleden schade. In het verlengde daarvan doet ook de (fictieve) berekening van de materiële schade door de steller van het middel teneinde het gedeelte van de kosten te berekenen die aan het gezin van de verdachte en de aangeefster is uitgegeven, aan de begrijpelijkheid van die schatting niet af. Voorts merkt het hof in zijn arrest aanvullend op dat het ‘het verweer van de verdediging in hoger beroep overigens geen nieuwe elementen bevat’ en dat het ook de ‘immateriële schade van €10.000,- - dan ook eveneens, naar redelijkheid en billijkheid’ zal toewijzen. Zodoende heeft het, in weerwil van hetgeen de steller van het middel betoogt, gemotiveerd gereageerd op het namens de verdediging hieromtrent gevoerde verweer. Al met al acht ik het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank inzake de schatting van de (hoogte van de) geleden schade door de aangeefster niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
19. Het tweede en derde middel falen in alle onderdelen.
20. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
21. Namens de verdachte is op 24 mei 2017 cassatie ingesteld. De stukken zijn op 25 mei 2018 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden overschreden met vier maanden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden.
22. Het vierde middel is terecht voorgesteld.
23. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG