“Strafmaatverweer
Indien uw hof niet tot vrijspraak komt, dan verzoekt de verdediging uw hof om cliënt te veroordelen tot een werkstraf, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Cliënt is enige tijd voorlopig gehecht geweest voor de zaak met pn. 08/952707-14. De Rechtbank Overijssel oordeelde in haar vonnis van 13 september 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:3429):
‘Dit alles overziend meent de rechtbank dat verdachte de kans moet krijgen te bewijzen dat hij de positieve ontwikkeling die in gang is gezet kan voortzetten. De rechtbank zal daarom de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet langer laten duren dan verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.’
De rechtbank oordeelde dat hernieuwde vrijheidsbeneming (éen vrijheidsstraf langer dan de voorlopige hechtenis), gelet op het advies van de reclassering d.d. 12 mei 2016 en gezien de positieve ontwikkelingen van cliënt niet wenselijk was. Het advies van de reclassering is voorafgaand aan de zitting aan uw gerechtshof overgelegd, met het verzoek om het advies bij de processtukken te voegen. Cliënt heeft zich sindsdien niet opnieuw schuldig gemaakt een vermogensdelicten. Voor zover de verdediging bekend beschikt cliënt nog altijd over een woning en inkomsten uit werk. De destijds door de werkgever opgestelde verklaring wordt hierbij aan de pleitnota gehecht. Voor zover de verdediging bekend heeft cliënt daarnaast een goede verstandhouding met de reclassering, in verband met het verrichten van de in voornoemde zaak opgelegde werkstraf. Voorkomen moet worden dat cliënt door een nieuwe gevangenisstraf zijn dienstverband kwijtraakt en de positieve ontwikkelingen worden doorkruist of zelfs teniet worden gedaan. Cliënt kan dan ook de betalingsregeling met het CJIB voor het voldoen van de schadevergoedingsmaatregelen uit voornoemde zaak niet langer voldoen, met het risico op tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. De brief van het CJIB van 30 januari 2017 waarin het treffen van deze betalingsregeling wordt bevestigd, wordt hierbij aan de pleitnota gehecht.
Voorwaardelijk aanhoudingsverzoek
Indien uw hof desondanks denkt tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te komen, dan verzoekt de verdediging om de zaak aan te houden.
De verdediging heeft reeds in de appelschriftuur d.d. 23 november 2016 verzocht om de medewerking van de reclassering in te roepen om een voorlichtingsrapportage over cliënt op te maken. Normaliter wordt door de advocaat-generaal gevolg gegeven aan een dergelijk verzoek. Sowieso wordt de advocaat-generaal normaal gesproken in een vroeg stadium verzocht om een standpunt in te nemen ten aanzien van de ingediende appelschriftuur, waarna de voorzitter een voorzittersbeslissing neemt. Dit heeft in casu niet plaatsgevonden. De voorzitter heeft pas op 31 juli 2017 laten weten dat het verzoek op onderhavige zitting zal worden besproken.
De verdediging persisteert in haar verzoek en acht het noodzakelijk dat 'de reclassering een rapport uitbrengt, waarin wordt ingegaan op de huidige persoonlijke omstandigheden van cliënt en de status van de tenuitvoerlegging van de straffen én maatregelen uit de zaak met parketnummer 08/952707-14.”
21. Voorafgaand aan de terechtzitting had de raadsman in de appelschriftuur verzocht om de medewerking van de reclassering in te roepen om een voorlichtingsrapport over de persoon van de verdachte te laten maken. Ter ondersteuning hiervan werd het volgende aangevoerd:
“Tot slot kan appellant zich niet verenigen met de opgelegde straf. Appellant is door de rechtbank Overijssel in het vonnis van 13 september 2016 met parketnummer 08/952707-14 onder meer veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur en een schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 101.914,29. Appellant is aangevangen met het verrichten van die werkstraf en is met het CJIB in onderhandeling over het treffen van een betalingsregeling voor het betalen van de schadevergoedingsmaatregel. Bij gevangenisstraf kan appellant de werkstraf niet langer verrichten. Daarnaast verliest appellant bij gevangenisstraf zijn inkomen, waardoor hij de betalingsregeling met het CJIB niet kan nakomen. Het CJIB zal dan de hechtenis van de schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer leggen. Oplegging van gevangenisstraf zal de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 september 2016 doorkruisen. Oplegging van gevangenisstraf is dan ook niet opportuun. De politierechter heeft hierin ten onrechte geen aanleiding gezien om af te zien van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Gelet op het voorgaande verzoekt appellant in ieder geval om de medewerking van de reclassering in te roepen om een voorlichtingsrapportage over zijn persoon op te laten maken. De reclassering wordt daarbij verzocht om advies uit te brengen over de afdoeningsmodaliteit.”
22. Het hof heeft met betrekking tot het verzoek het volgende overwogen:
“Voor zover het hof bij een bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde feit verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, persisteert de raadsman bij zijn verzoek gedaan bij appelschriftuur. De raadsman heeft bij appelschriftuur verzocht om een voorlichtingsrapport door de reclassering op te laten maken, waarbij de reclassering wordt verzocht om een advies uit te brengen over de afdoeningsmodaliteit.
Het hof acht zich voldoende voorgelicht omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof acht het verzoek ontoereikend en onvoldoende gemotiveerd en wijst het verzoek van de raadsman af. Het hof acht de noodzaak hiertoe niet aanwezig.”
23. Het hof heeft het verzoek om een voorlichtingsrapportage te laten opmaken kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een verzoek tot het laten verrichten van deskundigenonderzoek – en niet als een verzoek tot het ter terechtzitting van het hof oproepen van een deskundige – en dit verzoek beoordeeld aan de hand van de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd.
24. Aan het verzoek zijn overwegend de gevolgen ten grondslag gelegd die het opleggen van een gevangenisstraf voor de verdachte zouden hebben. In het bijzonder is daarbij gewezen op het verlies van zijn baan en daarmee zijn inkomen waardoor de verdachte niet meer in staat zou zijn om de voorlopige betalingsregeling na te komen die hij met het CJIB in verband met de schadevergoedingsmaatregel heeft getroffen. Ook is erop gewezen dat de verdachte door een eventuele gevangenisstraf zijn werkstraf niet zou kunnen uitvoeren die hem – net als de schadevergoedingsmaatregel – was opgelegd bij vonnis van 13 september 2016.
25. Het oordeel van het hof, dat het laten verrichten van deskundigenonderzoek, bestaande uit het opmaken van een reclasseringsrapport, niet noodzakelijk is, acht ik niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen eraan ten grondslag is gelegd in combinatie met het volgende. Aan de pleitnota zijn afschriften van twee documenten gehecht, te weten een verklaring van de werkgever van de verdachte en een brief van het CJIB inzake een voorlopige betalingsregeling. De werkgeversverklaring houdt in dat de verdachte zijn werkzaamheden niet kan blijven voortzetten indien hij tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld. De brief van het CJIB houdt een voorlopige betalingsregeling in die bestaat uit een aanbetaling van € 5.000 gevolgd door twaalf maandelijkse termijnen van € 250. Verder heeft de raadsman in de pleitnota informatie verschaft over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts een reclasseringsadvies d.d. 12 mei 2016 en een afloopbericht toezicht d.d. 4 oktober 2016.
26. Met al deze informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de voorlopige betalingsregeling, de werkgeversverklaring en de ten uitvoer te leggen taakstraf, acht ik het oordeel van het hof dat het laten verrichten van deskundigenonderzoek bestaande uit het opmaken van een reclasseringsrapport, niet noodzakelijk is omdat het zich voldoende voorgelicht acht omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte, niet onbegrijpelijk.
27. Het middel faalt.
28. Het eerste en derde middel falen. Het tweede middel slaagt.
29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG