Direct na binnenkomst van [verdachte] gaat het eigenlijk mis.
Als [verdachte] in haar handtas haar mobiele telefoon wil pakken om haar dochter te bellen, grijpen de drie in. Cliënte mag niet bellen. De drie oefenen meteen controle uit over cliënte. ”Ik heb haar telefoon afgepakt", verklaart [betrokkene 2] .
Na het belverbod ontstaat meteen een handgemeen.
"Toen heb ik haar handtas beetgepakt", zegt [betrokkene 2] tegen de politie. Haar (!) handtas.
Er ontstaat een worsteling om de tas waarbij [verdachte] verklaart dat ze zelf beetgepakt en vastgehouden wordt en een slag in haar gezicht kreeg van [betrokkene 1] .
[betrokkene 2] laat zich bepaald niet onbetuigd: "Ik heb haar wel in haar vinger gebeten."
Getuige [getuige] zegt in zijn verhoor: "Volgens mij had [betrokkene 2] haar vast bij haar armen."
Ook die lezingen komen dus overeen, [betrokkene 2] wil de tas van [verdachte] hardhandig, met geweld, afpakken.
Cliënte voelt zich zeer bedreigd en ziet kans - ze heeft nog een hand vrij - een deksel van een pan te pakken om haar belagers van zich af te slaan.
[betrokkene 2] en [betrokkene 1] verklaren dat ze met het deksel van een pan werden geslagen. Ook dat past allemaal precies.
De aanval wordt geleid door [betrokkene 2] . Een beer van een vent. Dan 110 kilo zwaar, vierkante kop, kortgeknipt haar. En er zijn dan nog twee tegenstanders. Het is 1 tegen 3.
Vechten of vluchten?
Mensen die plotseling worden aangevallen kiezen bijna instinctief en in a split second uit de twee opties die ze hebben.
Vechten of vluchten.
Vluchten was vrijwel onmogelijk. De ruimte in de keuken bood geen plaats om te ontkomen aan haar drie belagers. De ruimte is al klein, zie de tekeningen en de foto. De ruimte om te bewegen werd al bijna volledig in beslag genomen door de keukentafel en de stoelen. Er waren drie opponenten die in de weg stonden.
Na het incident wordt cliënte ook eenvoudig vastgehouden in de keuken, totdat ambulancepersoneel en de politie arriveert. Ze kon letterlijk geen kant op.
Het is duidelijk dat cliënte in een zeer benarde positie verkeert en angstige momenten meemaakt.
[verdachte] zegt over de aanval: "Alles ging in een flits". En in die flits neemt ze het besluit. Niet vluchten maar vechten. In het verhoor is ze ook heel duidelijk daarover: "Dat was uit zelfverdediging."
Betrouwbaarheid getuigen
In grote lijnen komen de verklaringen van de aanwezigen overeen en kan worden afgeleid dat er in de ogen van de verdediging sprake is van noodweer. Op detailniveau zijn er wat verschillen. De verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [getuige] komen in grote lijnen overeen, maar zij komen uit hetzelfde kamp. Er is onderling ook veel contact geweest.
Uit die verklaringen komt ook naar voren dat zij meenden het recht te hebben cliënte aan te pakken, ten onrechte zo zou achteraf blijken.
Maar het feit dat er drie verklaringen tegenover een verklaring staan zegt niets over de betrouwbaarheid van de verklaringen.
Over de betrouwbaarheid van cliënte kunnen we in elk geval zeggen dat ze acuut een verklaring heeft afgelegd waarbij ze steeds gebleven is. Ze heeft onmiddellijk bekend dat ze heeft geslagen.
Geen enkele keer komt ze terug op een uitlating. Ze heeft zichzelf moeten verdedigen, punt uit. Dat is haar verhaal.
(…)
3. NOODWEER( EXCES)
Vraag die natuurlijk aan de orde is: is hier sprake van noodweer, c,q. noodweerexces?
In hoeverre wordt voldaan aan de bestanddelen van artikel 41 lid 1 en mogelijk ook 41, lid 2 WvSr?
Was er sprake van een
1 Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding?
Er was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. [betrokkene 1] spreekt zelf over eigenrichting. Er was geen titel om de tas van cliënte op te eisen, daaraan te gaan trekken en er was geen titel om [verdachte] fysiek aan te pakken. Het ging niet alleen om het pakken van de tas, maar ook uit het uit de handen trekken van de tas.
Hiermee is de wederrechtelijkheid gegeven. Overigens is het geen vereiste dat het aanrandende gedrag strafbaar is.
U weet dat de aanranding niet tegen lijf en leden gericht hoeft te zijn, maar ook tegen een goed. In dit geval betrof het niet zo maar een goed, maar de handtas van cliënte, met daarin haar meest dierbare en belangrijke spullen.
Overigens zijn er ook zeer sterke aanwijzingen dat cliënte ook fysiek is aangevallen. Dit volgt natuurlijk uit haar verklaringen, maar ook uit de verklaringen van de aangevers, die boos waren en haar uit de woning wilden zetten en daarbij na het slaan ook in ieder geval geweld hebben gebruik, namelijk bijten. Cliënte had daarnaast ook letsel bij haar mond (zie ook de foto op pagina 51 en 52) hetgeen ook goed past bij het toegepaste geweld zoals door cliënte beschreven.
Ogenblikkelijk was het zeker: Meteen na binnenkomst in het huis in Wormer gaat het mis. Als [verdachte] niet voldoet aan een bevel haar tas af te geven maar haar mobiel uit de handtas wil pakken, ontstaat de schermutseling.
"Het ging allemaal in een flits", zegt [verdachte] . Er was geen uitvoerige discussie of lang beraad. [verdachte] werd vrijwel direct aangevallen.
Was er sprake van
2 Geboden door de noodzakelijke zelfverdediging, subsidiariteit en proportionaliteit?
Noodweer impliceert een verdedigend optreden. Uit de feiten blijkt duidelijk wie de aanvallende partij was en wie de verdedigende. Cliënte beschermde haar tas met daarin haar spullen.
Vervolgens werd ze vastgegrepen. Onmiddellijk moest ze van zich afslaan om haar belagers op afstand te krijgen.
Was de verdediging noodzakelijk? Ja, cliënte was op zichzelf aangewezen. Ze kon haar dochter niet meer bellen, de politie zeker ook niet.
Ze kon in de krappe en besloten ruimte van de keuken (de situatietekeningen zijn wat dat betreft heel duidelijk) niet vluchten: zich niet onttrekken aan de hele situatie. Ze had reden om te vrezen voor haar leven. "Je kent mij nog niet, ik ga je vermoorden", hoorde cliënte [betrokkene 2] dreigen.
Onder die omstandigheden mag aangenomen worden dat haar zelfverdediging noodzakelijk was.
In de in een split second gemaakte keuze tussen vluchten of vechten is de keuze voor de laatste optie een alleszins begrijpelijke. Er was simpelweg geen reëel alternatief.
Was de gevoerde verdediging geboden?
Was het van zich afslaan met een deksel van een pan geboden? Het is niet de bedoeling van de wetgever de gekozen verdediging op een weegschaal te leggen.
De keuze voor een deksel van een pan Is niet buitenproportioneel. Een deksel lijkt een prima middel om je te verdedigen, een deksel is niet meteen het meest gevaarlijke aanvalswapen dat in een keuken voorhanden is.
Daarbij verdient opmerking dat het deksel het eerste middel is dat cliënte kon grijpen met haar nog vrije hand. Cliënte had geen bedenktijd. Had ze werkelijk de bedoeling gehad om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, had ze wellicht een mes proberen te grijpen of een zware koekenpan.
Voorts merk ik op dat cliënte feitelijk in de woning woonde. Het is bekend dat er een wetsvoorstel is ingediend dat tot kern heeft een omkering van de bewijslast te creëren ten aanzien van de voor een geslaagd beroep op noodweer gestelde eis van 'noodzakelijkheid' van de verdediging in situaties waarin de aanranding gepaard gaat met een huisvrede- of lokaalvredebreuk (Kamerstukken II 2007/08, 31407, 3, p. 10). Niet langer hoeft - aldus de indieners - de burger die zich in zijn eigen huis bedreigd weet, aan te tonen dat hij uit noodweer handelde; de noodweersituatie wordt in zo’n situatie verondersteld aanwezig te zijn. Er is kritiek op het voorstel. De kern van de boodschap voor nu is dat het een relevante omstandigheid is die van belang is voor het uiteindelijke oordeel.
De verdediging is tegen alle aanvallers gericht geweest. De verdediging tegen [betrokkene 2] lijkt me sowieso erg duidelijk, omdat [betrokkene 2] cliënte aanviel en haar tas pakte. Hoe zit het met [betrokkene 1] ? Zij geeft aan dat zij slechts partijen uit elkaar wilde halen. Dat horen we wel vaker in dit soort zaken en lijkt een eerste verweer tegen mishandeling in vereniging. Hoe was het vanuit het perspectief van cliënte?
Cliënte zag [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op zich afkomen. In geval betoogd wordt dat alleen [betrokkene 2]
de aanval inzette waartegen cliënte zich moest verdedigen, heeft cliënte dat onderscheid toen niet kunnen en hoeven maken, letterlijk in het heetst van de strijd. Het handgemeen vond in een flits plaats. De aanvallers waren boos, cliënte was in een hevige gemoedsbeweging. Uit de tekeningen blijkt ook dat [betrokkene 1] naar het gevecht toe ging.
Ook uit het feit dat zij geraakt werd door de deksel, terwijl cliënte niet verplaatst is, volgt dat zij in de directe nabijheid van het gevecht was.
Noodweerexces
Voor zover voor het slaan van [betrokkene 1] geen noodweer aanvaard wordt, doet de verdediging expliciet een beroep op noodweerexces.
Dan is cliënte verder gegaan als noodzakelijk, maar is dit veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt werd door angst.
Conclusie
Naar het oordeel van de verdediging kan met recht een beroep worden gedaan op noodweer. Toepassing van artikel 41 Sr sluit de strafbaarheid uit.
Aan alle eisen van artikel 41 wordt successievelijk voldaan. Eisen die beoordeeld worden tegen de feitelijke inkleuring van deze zaak.
Waar de aanvallers in deze zaak werden gedreven door eigenrichting, moest cliënte zich verweren tegen de aanvallers.
Ik vraag uw rechtbank om recht te doen. Niemand mag twee keer slachtoffer worden van eigenrichting. Tegenover de ongeoorloofde eigenrichting staat de gerechtvaardigde zelfverdediging.
Op grond van de vragen van 348 en 350 Strafvordering vraag ik u cliënte te ontslaan van rechtsvervolging voor wat betreft het primair tenlastegelegde feit (art 302 lid 1, artikel 45 lid 1 Sr) in beide zaken [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
En ik vraag u cliënte vrij te spreken van het subsidiair ten laste gelegde feit in beide zaken nu het ingeblikte wederrechtelijkheidsvereiste uit artikel 300, lid 1 Sr, dat blijkt uit het woord 'mishandeling' niet bewezen kan worden geacht.”
Het hof heeft deze verweren als volgt samengevat en verworpen:
“Overwegingen ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte in noodweer heeft gehandeld en zij derhalve dient te worden vrijgesproken van de aan haar onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde mishandelingen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van verdediging van het eigen of een anders lijf eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waarbij de wijze van verdediging dient te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
De verdachte verzorgde in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten de vader van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 4] , alsmede diens huisgenoot [betrokkene 5] . Zij verbleef in de woning van [betrokkene 4] aan de [a-straat 1] te Wormer en had de beschikking over de sleutel daarvan. Op 27 oktober 2013 rond 20.00 uur kwam de verdachte met [betrokkene 5] aan bij het huis van [betrokkene 4] Op dat moment was [betrokkene 4] zelf niet aanwezig, hij verbleef in het ziekenhuis. De woning was donker. De verdachte betrad de woning, deed het licht aan in de keuken en trof daar, geheel onverwacht [betrokkene 1] , alsmede haar vriend [betrokkene 2] en [getuige] (een vriend van [betrokkene 4] ) aan. In de tamelijk kleine keuken was de bewegingsruimte voor de verdachte daardoor beperkt. De verdachte werd verzocht de goederen van [betrokkene 4] die zij in haar handtas droeg, af te geven. Toen de verdachte dat weigerde, heeft [betrokkene 2] geprobeerd de tas uit haar handen te trekken. Tijdens de worsteling die daarop
Volgde heeft de verdachte een deksel van een pan gepakt en daarmee [betrokkene 2] op het hoofd geslagen [betrokkene 2] heeft de verdachte daarna in de vinger gebeten. Toen [betrokkene 1] probeerde het deksel van de verdachte af te pakken, werd ook zij daarmee geslagen. Als gevolg van een en ander liepen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] een bloedende hoofdwond op en de verdachte een bloedende wond aan haar vinger. Hierna bedaarden de gemoederen en arriveerde de inmiddels gealarmeerde politie.
Het hof is van oordeel dat op grond van het vorenstaande aannemelijk is geworden dat de verdachte zich bevond in een situatie waarin zij zich mocht verdedigen tegen [betrokkene 2] , die op haar tas uit was Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte dat heeft gedaan met inachtneming van de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, waarbij het hof in aanmerking neemt dat sprake was van een overtalsituatie in een kleine ruimte en de verdachte een kleine vrouw is, die zich geconfronteerd zag met een aanzienlijk grotere en jongere man dan zijzelf.
Dit brengt mee dat het beroep op noodweer slaagt, voor zover dat ziet op de verdediging tegen [betrokkene 2] zodat de gedraging van de verdachte jegens [betrokkene 2] niet wederrechtelijk was en de verdachte van de aan haar onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de mishandeling van [betrokkene 1] geldt het navolgende. De verdachte heeft gesteld dat zij door [betrokkene 1] is geslagen en dat zij zich daarom moest en mocht verdedigen. Haar lezing van de feiten wordt echter op geen enkele wijze ondersteund, zodat het hof niet aannemelijk acht dat de verdachte zodanig is benaderd door [betrokkene 1] dat ook hier sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer teil aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde faalt derhalve.
(…)
Strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging omdat zij handelde uit noodweerexces.
Nu het hof het met aannemelijk acht dat sprake was van een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding door [betrokkene 1] , faalt reeds om deze reden het beroep op noodweerexces.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.”
De strafzaak tegen de verdachte vloeit voort uit een confrontatie die op de avond van 27 oktober 2013 plaatsvond in het huis van [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ). In dit huis bevonden zich [betrokkene 5] (de huisgenoot van [betrokkene 4] ), [betrokkene 1] (de dochter van [betrokkene 4] ), [betrokkene 2] (de vriend van [betrokkene 1] ), [getuige] (een vriend van [betrokkene 4] ) en verdachte. [betrokkene 4] verbleef op dat moment in het ziekenhuis. Voor een beter begrip van de zaak is het nuttig om de achtergrond van hetgeen zich die bewuste avond heeft afgespeeld te schetsen. De verklaringen van de verdachte en de aangeefster bieden enig zicht hierop. Uit de verklaring die de verdachte op het onderzoek ter terechtzitting van 30 november 2016 heeft afgelegd, komt naar voren dat zij drieënhalf jaar bij [betrokkene 4] woonde en een liefdesrelatie met hem had. Ze stond niet ingeschreven in het huis en had ook nog een eigen woning. Ze verzorgde [betrokkene 4] en kookte voor hem. Ook mocht ze naar eigen zegge in zijn auto rijden. Daarnaast was ze bekend met de pincodes van [betrokkene 4] en had zij een enveloppe van hem met een inhoud van € 3.000 in haar bezit. Zij verklaarde dat [betrokkene 4] dit bedrag op zak had toen hij in het ziekenhuis werd opgenomen en dat zij het, omdat hij zich vervuild had, in een enveloppe had gedaan en in haar tas had opgeborgen. Ook heeft ze verklaard dat ze niet uit was op zijn geld. [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij naar de woning van haar vader was gegaan, omdat zij met de verdachte wilde praten over spullen die waren verdwenen. Op de terechtzitting verklaarde zij dat zij haar vader en diens bezittingen wilde beschermen. Omdat er van alles aan geld en spullen verdween, wilde zij met anderen de verdachte de toegang ontzeggen tot het huis.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte [betrokkene 4] verzorgde, zij verbleef in diens woning en dat zij de sleutel had van zijn huis. De verdachte kwam op de avond van 27 oktober 2013 met [betrokkene 5] aan bij het huis van [betrokkene 4] . Op dat moment was de woning donker. De verdachte betrad de woning en deed het keukenlicht aan. Zij trof in de keuken, geheel onverwacht, [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [getuige] aan. Omdat volgens het hof het een tamelijk kleine keuken betrof, was de bewegingsruimte voor de verdachte beperkt. Aan de verdachte werd verteld dat zij de goederen van [betrokkene 4] die zij in haar tas had moest afgeven. De verdachte weigerde, waarop [betrokkene 2] geprobeerd heeft de tas uit haar handen te trekken. In de hierop volgende worsteling heeft de verdachte een deksel van een pan gepakt en hiermee [betrokkene 2] op zijn hoofd geslagen. Hierop volgend heeft [betrokkene 2] in de vingers van de verdachte gebeten. Toen vervolgens [betrokkene 1] het deksel van de verdachte af probeerde te pakken, werd ook zij daarmee geslagen. Als gevolg van de confrontatie hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 1] een bloedende hoofdwond opgelopen. De verdachte heeft een bloedende wond aan haar vinger aan het treffen overgehouden.
Naar het oordeel van het hof komt de verdachte ten aanzien van [betrokkene 2] een beroep op noodweer toe. Daartoe overweegt het hof dat [betrokkene 2] uit was op de tas van verdachte, voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, er sprake was van een overtalsituatie in een kleine ruimte en dat de verdachte een kleine vrouw is die zich geconfronteerd zag met een aanzienlijk grotere en jongere man dan zijzelf. Het beroep op noodweer ten aanzien van de mishandeling van [betrokkene 1] strandt daarentegen. Dat de verdachte door [betrokkene 1] is geslagen en dat zij zich daarom moest en mocht verdedigen wordt volgens het hof op geen enkele wijze ondersteund, zodat het niet aannemelijk wordt geacht dat de verdachte zodanig is benaderd door de aangeefster dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat daarom het beroep op noodweer(exces) moet worden verworpen. De stellers van het middel komen op tegen dit oordeel.
Vooropgesteld kan worden dat indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, de rechter een gemotiveerde beslissing moet geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
Het hof heeft het niet aannemelijk geacht dat de verdachte door de aangeefster is geslagen. Deze constatering wordt in cassatie niet bestreden. Hiervoor zou ook weinig ruimte bestaan, aangezien het gaat om een feitelijke waardering die in cassatie slechts marginaal wordt getoetst. Volgens het hof is hiermee het fundament onder het beroep op noodweer weggevallen, aangezien niet gezegd kan worden dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. In mijn ogen is het hof hiermee te kort door de bocht gegaan. Het hof heeft enkel gereageerd op het verweer van de verdachte dat zij door [betrokkene 1] is geslagen. Door de raadsman van de verdachte is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de verdediging tegen alle aanvallers gericht is geweest. Ook in de rest van het pleidooi, waarin gesproken wordt over ‘belagers’, klinkt door dat volgens de verdediging de groep als een geheel moet worden gezien. Zeker nu het hof heeft vastgesteld dat sprake was van een overtalsituatie en de verdachte met deze groep personen werd geconfronteerd in het huis waar zij verbleef, kon het hof niet zonder meer aan dit aspect van het verweer voorbijgaan. Daarbij verdient opmerking dat onder omstandigheden een beroep op noodweer toekomt aan een verdachte indien sprake is van een aanranding door een groep.
Ook voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat het is uitgegaan van twee afzonderlijke confrontaties, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft immers vastgesteld dat de aangeefster geprobeerd heeft, nadat de verdachte door [betrokkene 2] in haar vinger was gebeten, het verdedigingswapen af te pakken. Daarbij bevond verdachte zich in een ruimte waarin de bewegingsruimte beperkt was. Gelet hierop behoeft het nadere motivering waarom de confrontatie met [betrokkene 1] kan worden ‘losgeknipt’ van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 2] .
Maar ook om een andere reden meen ik dat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven. Het hof heeft het beroep op noodweerexces verworpen op de grond dat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad sluit echter niet uit dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Als voorbeeld noemt de Hoge Raad de situatie waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte – handelende in een hevige gemoedsbeweging – zich op het slachtoffer richtte. Het hof heeft vastgesteld dat er sprake was van een overtalsituatie – waaraan het latere slachtoffer [betrokkene 1] bijdroeg – en dat de aangeefster getracht heeft het verdedigingsmiddel van de verdachte af te pakken, dat de verdachte gebruikte om zich af te weren tegen [betrokkene 2] . Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld als gevolg van een hevige gemoedsbeweging. Gelet hierop heeft het hof ten onrechte in het midden gelaten of in dit geval de verdachte een beroep op noodweerexces toekwam, ondanks dat de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding naar het hof aanneemt niet direct van [betrokkene 1] zelf uitging.
Naar ik meen is het middel dan ook terecht voorgesteld.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op het slagen van het middel, kan het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG