2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bevat één onderdeel dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klacht van betrokkene. De rechtbank heeft daaromtrent als volgt overwogen:
“De rechtbank stelt voorop dat betrokkene die op grond van een TBS maatregel met dwangverpleging in de Woenselse Poort verblijft, op grond van artikel 51, derde lid jo artikel 41a Wet Bopz, een klacht kan indienen als bedoeld in artikel 41a Wet Bopz.
De vraag die de rechtbank eerst dient te beantwoorden is of er sprake is van een beperking in het recht op bewegingsvrijheid van betrokkene in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels in zin van artikel 40, derde lid van de Wet Bopz.
Artikel 40, eerste lid van de Wet Bopz bepaalt - voor zover hier van belang - dat het bestuur er zorg voor draagt dat een patiënt zo spoedig mogelijk na zijn opneming in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk overzicht van de in het ziekenhuis geldende huisregels alsmede van de op grond van de Wet Bopz aan de patiënt toekomende rechten. De voor de behandeling verantwoordelijke draagt er op grond van het derde lid van artikel 40 zorg voor dat de patiënt een mondelinge toelichting ter zake ontvangt.
Niet is gebleken dat de huisregels bepalingen bevatten over hoe de toegang van patiënten tot de binnentuin wordt geregeld. Ter zitting is wel gebleken dat bij opname van patiënten op de afdeling Volte lc aan hen onder andere wordt medegedeeld dat zij een uur per dag en in het weekend twee uur per dag toegang tot de binnentuin hebben als er toezicht is. Aldus wordt aan alle patiënten bij hun opname mondeling medegedeeld wat hun recht op bewegingsvrijheid ten aanzien van de binnentuin inhoudt. De rechtbank is van oordeel dat deze mondeling medegedeelde regel op een lijn te stellen valt met een huisregel, doordat deze voor alle bewoners geldt en die regel bij opname aan alle bewoners kenbaar wordt gemaakt.
Tot 11 oktober 2018 had betrokkene doordat hij een tuinpas had het privilege om vrij in de binnentuin te kunnen bewegen. Van dat privilege kon hij gebruik maken tussen 08.00 uur en 21.00 uur (in de wintertijd tot 20.00 uur). Door de mededeling van 11 oktober 2018 is de bewegingsvrijheid die betrokkene op grond van die tuinpas had beperkt.
Uit de stukken en de zitting is gebleken dat een tuinpas enkel aan een patiënt kan worden toegekend na positief resultaat op de zorgplanbespreking van die betreffende patiënt. Hiervoor worden tien criteria toegepast. De tuinpas kan worden ingetrokken - onder meer - indien de patiënt niet voldoet aan een of meer van die tien criteria.
Betrokkene heeft, ook na het intrekken van de tuinpas op 11 oktober 2018, hetzelfde recht op bewegingsvrijheid ten aanzien van de binnentuin behouden als de andere patiënten op de afdeling Volte lc hebben.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de beperking van de bewegingsvrijheid van betrokkene door intrekking van zijn tuinpas niet is aan te merken als een beperking in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis als bedoeld in artikel 40, derde lid van de Wet Bopz.”
Het onderdeel klaagt dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de artikelen 37, 38a, 38b en 38c Wet Bopz, de artikelen 3 en 4 Besluit rechtspositieregelen Bopz en art. 5 EVRM. Meer specifiek klaagt het onderdeel allereerst dat de rechtbank een beperking van de toegangen tot de binnentuin ten onrechte als huisregel heeft gekwalificeerd, als bedoeld in art. 37 Wet Bopz en dat het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dat huisregels aan patiënten mondeling kenbaar mogen worden gemaakt. Het onderdeel stelt dat de gedingstukken bovendien geen steun bieden aan het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de regel over de toegang tot de binnentuin aan betrokkene mondeling is kenbaar gemaakt bij het begin van zijn opname. Het onderdeel klaagt verder dat de rechtbank heeft miskend “dat het om een individuele beperking ging, die was opgenomen in het behandelplan van betrokkene en die een therapeutisch doel diende”. Deze beperking werd, aldus nog steeds het onderdeel, opgeheven door het verstrekken van een tuinpas aan betrokkene, waardoor hij (onbeperkte) toegang tot de binnentuin kreeg. Het onderdeel stelt dat deze pas vervolgens weer werd ingetrokken met een mededeling beperking rechten, als bedoeld in art. 40 Wet Bopz ter voorkoming van strafbare feiten en verstoring van de openbare orde, als bedoeld in het derde lid onder b. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat deze (hernieuwde) beperking van de bewegingsvrijheid van betrokkene door intrekking van zijn tuinpas niet is aan te merken als een beperking in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz en dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat betrokkene niet in zijn bewegingsvrijheid zou zijn beperkt, maar dat ‘slechts’ toepassing is gegeven aan de huisregels, waardoor hij nog steeds dezelfde bewegingsvrijheid heeft als andere patiënten. Het onderdeel klaagt dat het bestreden oordeel in elk geval onbegrijpelijk is.
Het onderdeel bevat in de punten 1.1 t/m 1.6 een toelichting op de hiervoor in 2.2 weergegeven klachten en in punt 1.7 wordt de klacht samengevat. Geklaagd wordt dat de rechtbank aan het slot van haar beschikking ten onrechte heeft geoordeeld dat de beperking van de bewegingsvrijheid van betrokkene door intrekking van zijn tuinpas niet is aan te merken als een beperking in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz. Voor zover de rechtbank zou hebben geoordeeld dat bepaalde huisregels, zoals hier de toegang tot de binnentuin, tevens voor therapeutische doeleinden kunnen worden ingezet, dan getuigt dat volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Betoogd wordt dat de rechtbank op zijn minst had moeten uitleggen hoe het algemene karakter van de betreffende huisregel, “die toen alleen beoogde de ordelijke gang van zaken te reguleren”, zich verdroeg met het therapeutisch karakter in het individuele geval.
Bij de beoordeling van de klachten neem ik het volgende tot uitgangspunt.
Art 37 lid 1 Wet Bopz bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuur van het ziekenhuis ervoor zorg draagt dat een patiënt op wie hoofdstuk II Wet Bopz toepassing heeft gevonden, zo spoedig mogelijk na zijn opneming in het bezit worden gesteld van een schriftelijk overzicht van de in het ziekenhuis geldende huisregels alsmede van de op grond van deze wet aan de patiënt toekomende rechten. Het derde lid bepaalt dat de voor de behandeling verantwoordelijke persoon zorg draagt dat de patiënt een mondelinge toelichting terzake ontvangt. Art. 37 lid 4 Wet Bopz bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gegeven met betrekking tot het in lid 1 bepaalde en dat daartoe in elk geval eisen behoren waaraan (onder meer) de in dat lid bedoelde huisregels ten minste moeten voldoen.
De in art. 37 lid 4 bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit Rechtspositieregelen Bopz. Voor de onderhavige zaak is van belang het Besluit Rechtspositieregelen Bopz, zoals gepubliceerd in Stb. 1993/561. Art. 3 van dit Besluit bepaalt dat de huisregels, bedoeld in art. 37 lid 1 Wet Bopz, geen andere regelen bevatten dan die nodig zijn “voor een ordelijke gang van zaken in het psychiatrisch ziekenhuis”. Zij beperken de vrijheid van handelen van de patiënt niet verder dan voor een dergelijke gang van zaken nodig is. Het gaat in deze huisreglementen dikwijls om een veelheid aan huisregels zoals regels omtrent slaap- en rusttijden, pauzetijden, besteding van vrije tijd, verbod tot het aangaan van seksuele relaties, het gebruik van alcohol en drugs, agressief gedrag, en regels over de bezoekregeling en bezoektijden. In de Nota van Toelichting op het Besluit staat onder meer het volgende:
“Informatieverschaffing en huisregels
Artikel 37, vierde lid, bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen worden gesteld omtrent het bepaalde in het eerste lid, dat handelt over de aan de patiënt en degenen die hem nastaan bij opname schriftelijk te verstrekken informatie. Zo dienen deze personen in bezit gesteld te worden van een schriftelijk overzicht van de in het ziekenhuis geldende huisregels en van de aan de patiënt op grond van de Bopz toekomende rechten. Het overzicht zal het adres voor de indiening van klachten moeten vermelden alsmede de mededeling dat de behandelingsgegevens van de patiënt in een patiëntendossier worden opgenomen. Het vierde lid bevat de uitdrukkelijke opdracht nadere regels te stellen over het eerste lid en de eisen waaraan ondermeer de huisregels moeten voldoen.
Als uitwerking van het eerste lid wordt in artikel 4 geëist, dat bij de informatie die moet worden gegeven over de aan de patiënt toekomende rechten, wordt vermeld waar de patiënt deze geldend kan maken.
Ten aanzien van de huisregels is gekozen voor een opzet waarin wordt volstaan met het aangeven van het kader waarbinnen de huisregels behoren te blijven. De beperkingen die het gedwongen verblijf in de inrichting voor de patiënten meebrengt zijn in de wet gegeven. Zij mogen niet door middel van de huisregels worden uitgebreid. In verband hiermee is bepaald dat de huisregels alleen die beperkingen kunnen aanbrengen in de vrijheid van handelen van de patiënt die nodig zijn om het psychiatrisch ziekenhuis een geordende samenleving te doen zijn. Van de patiënt kan in de huisregels worden geëist dat hij zich gedraagt naar wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Zo zullen b.v. de bezoektijden, de slaaptijden en de tijdstippen waarop mag worden getelefoneerd in de huisregels opgenomen kunnen worden. Ook maatregelen ter voorkoming van geluidsoverlast behoren tot de onderwerpen die in de huisregels geregeld kunnen worden.
Artikel 3 impliceert dat huisregels evenmin mogen worden gebruikt voor het aanbrengen van beperkingen die samenhangen met de kwaal van de patiënt. Dergelijke regels horen in een behandelingsplan thuis. Dit geldt niet alleen voor zeer specifieke beperkingen, maar ook voor die, welke voor een groot deel van de patiënten nodig zijn. Zo zal niet in de huisregels geregeld kunnen worden dat in geval van hinderlijk gedrag beperking van de bewegingsvrijheid zal volgen. Dergelijke voorzieningen horen ineen behandelingsplan thuis. Huisregels laten immers onverlet dat in het behandelingsplan aan de patiënt andere beperkingen worden opgelegd dan die welke in deze regels zijn opgenomen. Deze beperkingen moeten hun legitimatie vinden in de stoornis van betrokkene en in de beoogde verbetering daarvan. Anderzijds is het ook mogelijk dat het behandelingsplan met hetzelfde oogmerk, in de huisregels opgenomen beperkingen ten opzichte van de desbetreffende patiënt opheft.
Het spreekt vanzelf dat de huisregels geen inbreuk kunnen maken op de aan de patiënt in de wet toegekende patiëntenrechten.
Ingevolge artikel 40 van de Bopz kan in individuele gevallen inbreuk worden gemaakt op de in de huisregels opgenomen mogelijkheden met betrekking tot het ontvangen van bezoek, de bewegingsvrijheid in en om het ziekenhuis, telefoonverkeer. Dit is alleen toegestaan in de in dat artikel beschreven gevallen.
Wat het gevolg is van het niet naleven van de huisregels, is geen in het algemeen te regelen kwestie. Uiteraard mag ook van een gedwongen opgenomen patiënt worden geëist dat hij zich houdt aan de regels en kunnen aan verstoringen van de orde consequenties worden verbonden. Deze moeten er op zijn gericht aan de verstoring een eind te maken en zullen geen strafkarakter mogen hebben. Als van een patiënt, gezien zijn ziektebeeld, storend gedrag kan worden verwacht, zal daarop al in het behandelingsplan moeten worden ingespeeld. (…)”
In de artikelsgewijze toelichting staat met betrekking tot art. 3 Besluit rechtspositieregelen Bopz dat dit artikel de inhoud van de huisregels beperkt “tot die zaken die nodig zijn om van een psychiatrisch ziekenhuis een geordende samenleving te maken.”
Recent is het Besluit Rechtspositieregelen Bopz gewijzigd. In artikel 3 is na de zinsnede “een ordelijke gang van zaken” ingevoegd “en de veiligheid, passend bij de doelgroep”. In de Nota van Toelichting wordt daarover het volgende opgemerkt:
“(…) Een adequate borging van de veiligheid binnen het ziekenhuis is zowel voor de patiënt zelf, als voor medepatiënten, bezoekers en personeel noodzakelijk. Hiermee wordt tevens een beter behandelklimaat gecreëerd. Zo kunnen de huisregels bijvoorbeeld bepalen wat de patiënten niet op hun kamer mogen hebben. Ook moet geborgd zijn dat de kamers toegankelijk, snel controleerbaar en brandveilig zijn. Deze wijziging is ingegeven doordat met name bij de psychiatrische ziekenhuizen die zwaardere categorieën (forensische) patiënten behandelen de behoefte bestaat om de huisregels beter te kunnen toespitsen op de doelgroep die in het ziekenhuis verblijft. Daarbij dient de mate van beveiliging afgestemd te worden op de specifieke zorgbehoeften van de patiënten en het ernstig nadeel dat zij zichzelf of anderen kunnen berokkenen. Afhankelijk van de aard en het niveau van zorg en bescherming binnen de afdeling zullen de huisregels in meer of mindere mate beperkingen op kunnen leggen en ook andersoortig kunnen zijn. Vereist blijft dat de huisregels noodzakelijk en proportioneel dienen te zijn. Daarnaast geldt ook nog steeds dat huisregels van algemene aard moeten zijn. Ze zijn geen basis voor het toepassen van individuele dwang, zoals middelen en maatregelen. Zo wordt geborgd dat alle patiënten de behandeling krijgen die zij nodig hebben en dat sprake is van verantwoorde zorg. Nu deze problematiek voor de praktijk nijpend is, wordt voldoende aanleiding gezien deze uitbreiding van de grondslag voor het opstellen van huisregels reeds nu in het Besluit rechtspositieregelen Bopz door te voeren, vooruitlopend op de vervanging van de Wet Bopz door de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang voor psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd). Die wetten, die op 1 januari 2020 in werking zullen treden, bevatten een vergelijkbare grondslag voor het opstellen van huisregels voor onder meer de veiligheid (artikel 8:15, eerste lid, Wvggz en artikel 45, tweede lid, Wzd). (…)”
In een tamelijk recente beschikking heeft Uw Raad als volgt geoordeeld met betrekking tot (i) de rechtspositie van een patiënt op grond van de Wet Bopz en (ii) de verhouding tussen huisregels, beperkingen en dwangbehandeling:
“ Rechtspositie patiënt op grond van de Wet Bopz
(…)
Uit de art. 3 en 8 EVRM en art. 11 Grondwet volgt dat voor gedwongen opneming en gedwongen behandeling, en voor overige beperkingen in de rechten van een patiënt, een wettelijke grondslag aanwezig moet zijn. (…)
Behoudens de hierna in 3.6.2 te bespreken uitzondering van de huisregels, moet bij het bepalen van de rechtspositie van dergelijke patiënten rekening worden gehouden met hun individuele omstandigheden.
Verhouding tussen huisregels, beperkingen en dwangbehandeling
De Hoge Raad overweegt nog het volgende over de verhouding tussen huisregels (art. 37 lid 1 Wet Bopz), beperkingen (art. 40 Wet Bopz) en dwangbehandeling (art. 38c Wet Bopz).
Huisregels (art. 37 lid 1 Wet Bopz)
Art. 37 lid 1 Wet Bopz bepaalt onder meer dat een patiënt op wie hoofdstuk II toepassing heeft gevonden, zo spoedig mogelijk na zijn opneming in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk overzicht van de in het ziekenhuis geldende huisregels. Art. 37 lid 4 Wet Bopz bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld waaraan huisregels ten minste moeten voldoen. Art. 3 Besluit rechtspositieregelen Bopz bepaalt dat huisregels geen andere regelen bevatten dan die nodig zijn voor een ordelijke gang van zaken in het psychiatrisch ziekenhuis en dat zij de vrijheid van handelen van de patiënt niet verder beperken dan voor een dergelijke gang van zaken nodig is.
Huisregels hebben dus geen therapeutisch doel. Zij dienen uitsluitend de ordelijke gang van zaken binnen de instelling. Zij bevatten algemeen geldende beperkingen, bijvoorbeeld betreffende bezoekuren, bewegingsvrijheid en telefoongebruik. Huisregels kunnen gedifferentieerd zijn al naar gelang de aard van de diverse in het ziekenhuis verblijvende categorieën personen (Kamerstukken II 1980/81, 11270, nr. 17, p. 61). Op die wijze kan worden voldaan aan de eis van art. 3 Besluit rechtspositieregelen Bopz dat huisregels noodzakelijk en proportioneel moeten zijn, ook als in een instelling zowel patiënten verblijven op grond van de Wet Bopz als patiënten op wie de Bvt van toepassing is. Beperkingen die in een individueel geval gelden, moeten berusten op art. 40 Wet Bopz (zie hierna in 3.6.3) of, indien zij een therapeutisch doel dienen, als middel of maatregel zijn opgenomen in het behandelingsplan (zie hierna in 3.6.4). De betrokken patiënt kan zich dan beroepen op de daaraan verbonden waarborgen, waaronder de mogelijkheid daartegen een schriftelijke klacht in te dienen op de voet van art. 41 lid 1 Wet Bopz.
Individueel op te leggen beperkingen (art. 40 Wet Bopz)
Art. 40 Wet Bopz maakt het mogelijk de vrijheden van een individuele patiënt te beperken. Het gaat om beperkingen in het recht op vrije briefwisseling (lid 1), in het recht op bezoek overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels (lid 2), in het recht op bewegingsvrijheid overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels (lid 3) en in het recht op telefoonverkeer overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels (lid 4). De in lid 2-4 genoemde beperkingen kunnen worden opgelegd (a) indien van de uitoefening van het betrokken recht ernstige nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel (b) indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten. Met het opleggen van beperkingen in het recht op het ontvangen van bezoek en in de bewegingsvrijheid zal uiterst terughoudend moeten worden omgegaan (Kamerstukken II 1980/81, 11270, nr. 17, p. 71). Uit de parlementaire toelichting op onder meer (de voorloper van) art. 40 Wet Bopz blijkt dat het niet ondenkbaar is dat met betrekking tot “Justitie-patiënten” ter voorkoming van strafbare feiten eerder tot beperking van het recht op vrije briefwisseling en van de bewegingsvrijheid wordt overgegaan, dan bij patiënten die op grond van een rechterlijke machtiging zijn opgenomen (Kamerstukken II 1970/71, 11270, nr. 3, p. 17). (…)
Afronding
Uit hetgeen hiervoor in 3.6.2-3.6.4 is overwogen, volgt dat huisregels algemene beperkingen kunnen opleggen aan patiënten. Zij hebben betrekking op de ordelijke gang van zaken in de instelling en moeten zich verdragen met het karakter van de grondslag op basis waarvan een bepaalde categorie patiënten is opgenomen. (…)
De in klacht H bedoelde beperkingen in het recht op ontvangen van bezoek, het recht op bewegingsvrijheid, de toegang tot internet en het recht op vrij telefoonverkeer (waaronder het gebruik van smartphones), kunnen, voor zover die beperkingen niet onder de huisregels vallen of kunnen vallen, slechts aan individuele patiënten worden opgelegd op de voet van art. 40 Wet Bopz of, indien zij een therapeutisch doel dienen, als zij in het behandelingsplan zijn opgenomen.”
Ik vraag mij allereerst af of betrokkene belang heeft bij zijn klachten. Ook indien met het onderdeel zou moeten worden aangenomen dat de beperking van de bewegingsvrijheid van betrokkene door intrekking van zijn tuinpas moet worden aangemerkt als een beperking in zijn recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis als bedoeld in art. 40 lid 3 Wet Bopz, en het oordeel van de rechtbank in de laatste alinea onder het kopje “De Beoordeling” derhalve niet juist zou zijn, dan kan in het licht van hetgeen ten grondslag is gelegd aan de intrekking van de tuinpas en de handhaving van die intrekking nadien, in een eventuele procedure na verwijzing de conclusie naar mijn mening geen andere zijn dan dat die intrekking stand zal houden. De klachtencommissie heeft het standpunt van de instelling met betrekking tot het gevaar van het de instelling binnenbrengen van drugs en het door betrokkene verhandelen daarvan uitvoerig beschreven. Verwezen zij naar de weergave hiervoor in 1.8. Verder wijs ik op hetgeen de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard:
“(…) De tuinpas is ingetrokken omdat een bezoeker van betrokkene drugs binnen had gebracht. Die vondst was niet toevallig. Op voorhand zijn er meerdere geluiden gehoord dat die bezoeker drugs mee zou brengen, die betrokkene vervolgens zou gaan verhandelen. Beide elementen, te weten de aanwijzingen op voorhand omtrent de drugs en het vinden van drugs hebben gemaakt dat er sprake is van betrokkenheid bij drugs. Dus betrokkene voldoet niet aan de voorwaarden voor de tuinpas. Het gaat om een belangrijk punt van veiligheid.
Wij zijn nog ruim geweest met het geven van een tuinpas aan betrokkene. Een voorwaarde is namelijk ook dat iemand minder dan twee moet scoren op HKT op impulsiviteit. Er is een voorval met betrokkene geweest bij de arbeid en als we dat zouden hebben meengenomen zou betrokkene boven de 2 hebben gescoord. Dat zou dus ook een reden zijn geweest om de tuinpas niet te verlenen.
Betrokkene heeft een week geleden bij een UC gescoord op cannabis. Betrokkene voldoet op dit moment niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een tuinpas. (…)
Eerder en meer verspreid in de tijd hebben meerdere cliënten ook al aangegeven dat betrokkene betrokken zou zijn bij drugshandel maar wij hebben op basis daarvan niet meteen actie ondernomen. Want we nemen het ook wel met een korrel zout wat anderen zeggen. (…)
Op basis van een positieve UC wordt de tuinpas niet ingetrokken voor onbepaalde tijd. Maar bij betrokkene was er een vermoeden van drugshandel. Dat is een groter veiligheidsrisico.
Er staat als voorwaarde bij het verlenen van een tuinpas genoemd, het geruime tijd geen drugs gebruiken. De intentie was dat het over maanden geen drugsgebruik zou gaan maar wij hanteren ongeveer vier of vijf weken geen drugsgebruik. (…)
Bij betrokkene speelt ook het aantreffen van vals geld in zijn kast mee. Hij zegt dat hij niet weet dat het vals is. Een mede-cliënt had dat binnengebracht en er werd openlijk over gesproken dus het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij niet op de hoogte was. Het is voor ons ook een element dat hij zich niet aan de regels houdt. (…)”
Deze feiten en verdenkingen kunnen zonder meer worden geschaard onder de b-grond van art. 40 lid 3 Wet Bopz (“indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is”). Ik zie niet in dat de opgelegde maatregel in strijd is met het proportionaliteits- en het subsidiariteitsbeginsel. Ik realiseer me evenwel dat de (eventueel) in dezen te maken afweging is voorbehouden aan de rechtbank als feitenrechter. Indien zou worden geoordeeld dat betrokkene belang heeft bij zijn cassatieberoep dan meen ik dat het beroep faalt op grond van het volgende.
Uit zowel de aanhef als de inhoud van de hiervoor in 1.6 en 1.7 weergegeven schriftelijke mededelingen kan worden afgeleid dat de instelling zelf de intrekking van de tuinpas en de kort daarna gegeven beslissing om die pas niet terug te geven, beschouwde als beperkingen in de zin van art. 40 lid 3 Wet Bopz. Nadien in de procedure bij de klachtencommissie en in de rechtbankprocedure heeft de instelling zich op het standpunt gesteld, samengevat, dat het verlenen van een tuinpas een privilege is waartoe op individuele basis wordt besloten en dat betrokkene door de intrekking van de pas niet in de algemene, voor iedere bewoner/patiënt geldende algemene bewegingsvrijheid in de binnentuin - 1 uur per dag (in het weekend 2 uur per dag) als er toezicht is - wordt beperkt.
De rechtbank heeft op blz. 3 van de bestreden beschikking overwogen dat niet is gebleken dat de huisregels bepalingen bevatten over hoe de toegang van patiënten tot de binnentuin wordt geregeld. Daarvan dient in cassatie te worden uitgegaan. De rechtbank heeft evenwel eerder op blz. 1 als feiten vastgesteld (i) dat de bewoners van afdeling Volte lc één uur per dag (in de weekenden twee uur per dag) gebruik mogen maken van de binnentuin wanneer er toezicht is, en (ii) dat dit ook voor betrokkene geldt. Deze vaststelling wordt in cassatie niet bestreden. In de hiervoor in 2.8 weergegeven beschikking van 9 november 2018 heeft Uw Raad, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, overwogen dat huisregels uitsluitend de ordelijke gang van zaken binnen de instelling dienen en algemeen geldende beperkingen bevatten. Daarbij wordt onder meer genoemd “bewegingsvrijheid”. De behandelaar heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat alle bewoners gebruik kunnen maken van de binnentuin als er toezicht is (algemene vrijheid) en dat er aparte tijden (met toezicht) gelden voor elk bouwdeel. Deze stelling is niet betwist. In het licht van het bovenstaande meen ik dat, ook indien moet worden aangenomen dat de op papier gestelde (en naar ik aanneem: ook verstrekte) huisregels van De Woenselse Poort niets bepalen over de toegang van bewoners tot de binnentuin, op goede gronden zou kunnen worden betoogd dat de algemeen getroffen maatregel met betrekking tot de toegang tot de binnentuin, hiervoor weergegeven, eveneens als een huisregel heeft te gelden. Het betreft een regel met betrekking tot de ordelijke gang van zaken binnen de instelling en bevat algemeen geldende beperkingen. Niet betwist wordt dat betrokkene conform deze regel in ieder geval toegang had tot de binnentuin. Over het gebruik van de tuinpas waardoor er ruimer gebruik kan worden gemaakt van de binnentuin bestaan twee schriftelijke protocollen, waarvan het protocol “Uitleg aan cliënten over privileges om vrij in de binnentuin van Woensel te kunnen bewegen” uitgebreid de regeling weergeeft. In zoverre is aan het schriftelijkheidsvereiste tegemoet gekomen.
In de toelichting op het onderdeel staat dat de rechtbank niet heeft vastgesteld en ook niet heeft kunnen vaststellen dat de hiervoor in 2.11 onder (i) weergegeven regel met betrekking tot de toegang tot de binnentuin bij opname daadwerkelijk aan betrokkene kenbaar is gemaakt. Het onderdeel leidt uit de inhoud van de overgelegde zorgovereenkomst van 3 mei 2018 af dat betrokkene op 13 september 2017 in de instelling is opgenomen en dat uit de omschrijving van een deel van het daarin opgenomen zorgplandoel blijkt dat betrokkene (eerst) op 3 mei 2018 op de hoogte was van het op hem toegepaste beleid met betrekking tot het gebruik van de binnentuin. Dat betrokkene reeds vanaf zijn binnenkomst op 13 september 2017 op de hoogte was van dat beleid vindt volgens het onderdeel geen steun uit de inhoud van de zorgovereenkomst.
De stelling dat de rechtbank niet expliciet heeft vastgesteld dat betrokkene bij binnenkomst in de instelling daadwerkelijk op de hoogte is gesteld van de (algemeen geldende) regel met betrekking tot het gebruik van de binnentuin is op zich juist. Naar mijn mening hoefde de rechtbank dat ook niet te doen. Betrokkene heeft namelijk in de procedure niet aangevoerd dat hij bij binnenkomst in de instelling niet op de hoogte is gesteld van de regel in kwestie. Hij heeft in de procedure bij de rechtbank evenmin aangevoerd dat hij op enig moment gedurende zijn opname aldus beperkt is in de toegang tot de binnentuin dat die toegang korter was dan 1 uur per dag (en in het weekend 2 uur per dag). Naar mijn mening kan derhalve worden aangenomen dat op de momenten dat de bewoners van afdeling Volte 1c gebruik konden maken van de binnentuin, betrokkene daarvan nooit was uitgezonderd en dat hij dan ook tot het moment waarop hij in het bezit is gesteld van een tuinpas bekend was met de genoemde regel. De rechtbank heeft in de op één na laatste alinea van de bestreden beschikking, in cassatie niet bestreden, ook expliciet overwogen dat betrokkene, ook na het intrekken van de tuinpas op 11 oktober 2018, hetzelfde recht op bewegingsvrijheid ten aanzien van de binnentuin heeft behouden als de andere patiënten op de afdeling Volte lc hebben.
De klacht dat de rechtbank heeft miskend dat het om “een individuele beperking ging, die was opgenomen in het behandelplan van betrokkene en die een therapeutisch doel diende”, wordt nader uitgewerkt in de punten 1.3 t/m 1.6. In punt 1.3 staat dat uit een passage in het verweerschrift van de instelling die betrekking heeft op de zorgovereenkomst en uit de inhoud van het in 1.5 genoemde Protocol kan worden afgeleid dat de toegang tot de binnentuin altijd onderdeel van het zorgplan is en dat het aspect van de toegang tot de binnentuin in de zorgovereenkomst van betrokkene is terug te vinden “onder zijn individuele zorgdoelen”. Na in punt 1.5 vooropgesteld te hebben dat een zorgplan de therapeutische doelen van de patiënt bevat en huisregels geen therapeutisch doel bevatten doch uitsluitend de ordelijke gang van zaken binnen de instelling regelen, stelt het onderdeel in punt 1.6 dat de zorgovereenkomst, gelet op haar inhoud, “niets anders lijkt te zijn dan een behandelplan als bedoeld in art. 38a Wet Bopz”.
De klacht faalt op grond van het volgende. Zoals hiervoor vermeld meen ik dat de regel dat bewoners van de instelling op per afdeling verschillende tijden gedurende één uur per dag (en in de weekenden twee uur per dag) gebruik mogen maken van de binnentuin wanneer er toezicht is, kan worden aangemerkt als een huisregel, ook al is die regel niet op papier gesteld. De regel bevat immers een voor alle bewoners geldende algemene beperking, waarvan op grond van het bovenstaande mag worden aangenomen dat betrokkene daarmee bekend was. Uit de hiervoor in 1.4 en 1.5 aangehaalde protocollen volgt dat aan bewoners “privileges” kunnen worden toegekend om vrij in de binnentuin te kunnen bewegen. Het gaat daarbij derhalve om een uitbreiding op de beperkte algemene regel die onder voorwaarden en op individuele basis kan worden verleend. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor vrije toegang tot de binnentuin is dat de bewoner (patiënt) in het behandeltraject toe is aan dit privilege. In het in 1.5 genoemde protocol staat dat op verzoek van de cliënt “in de zorgplanbespreking” kan worden gekeken naar de in het protocol genoemde voorwaarden. In het dossier bevindt zich één zorgovereenkomst die op betrokkene betrekking heeft, te weten de zorgovereenkomst van 3 mei 2018. In die overeenkomst is onder het punt “Algemene afspraken” onder het zorgplandoel “De cliënt krijgt adequate zorg in een adequate omgeving” opgenomen, samengevat, dat binnentuinvrijheden enkel kunnen op de momenten dat er toezicht is in de tuin (op vaste tijden), en dat mogelijkheden tot vrijheden altijd in overleg met het behandelteam wordt besloten. Deze bepaling dient naar ik meen als zodanig geen therapeutisch doel, doch bevat uitsluitend de mededeling van de algemene beperking van de toegang tot de binnentuin en de mogelijkheden tot uitbreiding van die toegang. Onderaan de op één na laatste bladzijde van de zorgovereenkomst staat dat de datum van de volgende bespreking “26-9-2018” is. Of die bespreking heeft plaatsgevonden kan uit het dossier niet worden afgeleid. Vaststaat echter wel dat betrokkene begin oktober 2018 in het bezit was van een tuinpas. De tuinpas is immers nadien ingetrokken. Hieruit kan worden afgeleid dat betrokkene in ieder geval na 3 mei 2018 voldeed aan de voorwaarden om voor een tuinpas in aanmerking te komen.
Uit het voorgaande volgt dat van een beperking van het voor alle patiënten geldende (beperkte) recht op toegang tot de binnentuin in het geval van betrokkene geen sprake is geweest. Van een individueel opgelegde beperking in het recht op bewegingsvrijheid overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels (art. 40 lid 3 Wet Bopz) kan dan ook strikt genomen niet worden gesproken. Het door het onderdeel bestreden oordeel aan het slot van blz. 2 van de bestreden beschikking geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
In het licht van het bovenstaande dienen alle klachten van het onderdeel te falen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G