“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven of een raadsman heeft gemachtigd dat namens hem te doen noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal derhalve het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.”
14. Het middel klaagt dat het hof de beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof hoe dan ook verantwoordelijk is voor de juiste beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv en heeft medegedeeld dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld voor het klachtdelict ‘eenvoudige belediging’, terwijl de klacht ontbreekt in het dossier.
15. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat indien (namens) de verdachte geen bezwaren tegen het vonnis naar voren zijn gebracht, het hof ingevolge art. 416, tweede lid, Sv het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan verklaren. Art. 416 Sv biedt ruimte voor een ambtshalve afweging om zonder grieven de zaak in hoger beroep toch inhoudelijk te behandelen. Ingevolge art. 422 Sv is het hof slechts gehouden tot de beraadslaging als bedoeld in de art. 348 en 350 Sv indien, voor zover hier van belang, aan het vereiste is voldaan dat "het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt." Onder de vraag van art. 422, eerste lid, Sv "of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt" moet mede worden begrepen het in art. 416, tweede lid, Sv beschreven geval. Noch uit de tekst, noch uit de geschiedenis van art. 416, tweede lid, Sv volgt dat de rechter uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de betrokkene kan uitspreken. Een dergelijke beslissing kan dus ook na dat onderzoek worden gegeven.De beslissing als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv is in hoge mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat diens oordeel daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.
16. In het onderhavige geval heeft de verdachte, noch zijn raadsvrouw voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep op enigerlei wijze bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg naar voren gebracht.
17. De voorzitter heeft ter terechtzitting van 20 oktober 2017 aangegeven dat het hof de constatering dat uit het procesdossier niet blijkt dat er klacht is gedaan van het te berechten feit en de reactie daarop van de advocaat-generaal zal meenemen in zijn overweging. Vervolgens heeft het hof beslist dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is. In dit oordeel ligt besloten dat het hof na een ambtshalve afweging tot het oordeel is gekomen dat er geen of onvoldoende grond bestaat om de zaak inhoudelijk te behandelen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Het oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
18. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.
19. Het eerste middel slaagt en het tweede middel faalt.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG