ECLI:NL:PHR:2019:58

ECLI:NL:PHR:2019:58, Parket bij de Hoge Raad, 18-01-2019, 18/00548

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 18-01-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/00548
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:504
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002656 BWBR0039550

Samenvatting

Huwelijksvermogensrecht. Schenking onder uitsluitingsclausule (art. 1:94 lid 2, onder a (oud) BW) aan vrouw. Bedrag gestort op gemeenschappelijke bankrekening van man en vrouw en daarna uitgegeven aan diverse bestedingen waaronder huishouding en consumptieve uitgaven. Heeft vrouw recht op vergoeding jegens de gemeenschap? Bewijslastverdeling.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel geeft onder 1 een overzicht van de feiten en het procesverloop. Onder 2 worden twee onderdelen geformuleerd waarbij onderdeel 1 verschillende klachten bevat.

Onderdeel 1 is gericht tegen de rovv. 3.6.4 tot en met 3.6.4.7. en de daarop voortbouwende rovv. 3.7, 3.8, 3.9 en het dictum.

Het onderdeel klaagt in punt 2.1.1 dat de overweging van het hof dat de gemeenschap, nadat het onder uitsluitingsclausule geschonken geld eenmaal is ontvangen en de gemeenschap daardoor is gebaat, dit geld vervolgens heeft uitgegeven voor de kosten van de huishouding (waardoor geen vergoedingsrecht ontstaat), rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.

Ter toelichting stelt het onderdeel dat vooropgesteld dient te worden dat indien een uitgesloten verkrijging is aangewend ten behoeve van de gemeenschap, er op basis van artikel 1:95 lid 2 BW een vergoedingsrecht ontstaat. Ingevolge artikel 1:95 lid 2 jo 1:94 lid 2 BW en ook overigens heeft te gelden dat een partij die privévermogen in de gemeenschap heeft gestort, waardoor de gemeenschap is gebaat, een vordering ter hoogte van de storting krijgt op de gemeenschap, aldus het middel. Het is niet noodzakelijk dat met de uitgesloten verkrijging een schuld van de gemeenschap is voldaan of dat daarmee in een tot de gemeenschap behorende zaak is geïnvesteerd. Evenmin is van belang dat dit geld vervolgens is uitgegeven aan de kosten van de huishouding, aldus het onderdeel.

In punt 2.1.5 wordt hieraan toegevoegd dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.6.4.7 dat indien de ontvangen gelden consumptief zijn besteed, er in het licht van artikel 1:81 en 1:84 BW geen ruimte is voor een vergoedingsrecht, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is hetzij zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Het is niet van belang waaraan de gemeenschap de met uitsluiting ontvangen gelden heeft uitgegeven, maar bovendien zijn consumptieve uitgaven een normale besteding binnen de wettelijke gemeenschap, aldus het onderdeel.

In punt 2.1.1 (p. 6 laatste alinea) en 2.1.2 word geklaagd dat het hof in de rovv. 3.6.4.4 tot en met 3.6.4.7 heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden die leiden tot vermindering of zelfs van het algehele tenietgaan van de (door [de vrouw] gestelde) vordering op de gemeenschap krachtens de artikelen 149 en 150 Rv op [de man] rusten. Een dergelijke stelling vormt dan een zelfstandig verweer van [de man] . ( [de man] zou dan moeten stellen dat sprake is van latere (privé)opnamen van [de vrouw] die een schuld van de gemeenschap op [de vrouw] doen ontstaan die op de vordering die [de vrouw] op de gemeenschap heeft, in mindering moet worden gebracht). In punt 2.1.6 wordt hieraan toegevoegd dat door te oordelen dat [de vrouw] onvoldoende heeft gesteld en dat het op haar weg had gelegen om ‘een onderbouwd financieel overzicht’ in het geding te brengen wie wat heeft bijgedragen aan de huishouding, het hof eveneens heeft miskend dat dit juist op de weg van [de man] ligt. Dergelijke stellingen heeft [de man] niet ingenomen, aldus het onderdeel.

Onder de punten 2.1.3 en 2.1.7 wordt geklaagd dat, gelet op het bepaalde in artikel 24 en 149 Rv, het hof in rov. 3.6.4.5 buiten het debat van partijen treedt, het zijn taak als appelrechter miskent en zich schuldig maakt aan een verboden aanvulling van de feiten, nu geen van de partijen heeft gesteld dat [de vrouw] de met uitsluiting ontvangen gelden heeft besteed. Partijen hebben slechts gesteld dat, als de stellingen van [de man] gevolgd zouden worden, de gelden zijn uitgegeven aan huishouding en vakanties, niet wie dit zou hebben gedaan. Bovendien is het gelet op artikel 1:97 BW rechtens niet relevant wie, namens de gemeenschap, de gelden heeft uitgegeven aan de huishouding of vakanties.

Voorts wordt in punt 2.1.7 geklaagd dat het hof in rov. 3.6.4.7 het bepaalde in artikel 24 en 149 Rv heeft miskend en buiten het door grieven omsloten debat van partijen treedt, zijn taak als appelrechter miskent, zich schuldig maakt aan een verboden aanvulling van de feiten en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing neemt door te oordelen dat aangenomen moet worden dat de gelden door [de vrouw] zijn besteed om te voldoen aan de verplichting om bij te dragen in de kosten van de huishouding (art. 1:84 BW). Geen van partijen heeft zich op artikel 1:84 BW in het kader van de kosten van de huishouding beroepen en anders had dit op de weg van [de man] gelegen. Ter toelichting verwijst het middel voorts naar het in artikel 6 EVRM en 19 Rv neergelegde beginsel van hoor en wederhoor, dat mede bepaalt dat een rechter uitsluitend een zaak mag beoordelen op een grondslag waarover een partij zich naar behoren heeft kunnen uitlaten. Indien het hof meent toepassing te geven aan artikel 25 Rv, laat het na te motiveren op basis van welke stellingen van de man het tot dit oordeel is gekomen, aldus het middel.

De diverse klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Bij de beoordeling van de klachten stel ik het volgende voorop.

Artikel 1:94 lid 2 onder a (oud) BW bepaalt: De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen, met uitzondering van: a. goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.

Uw Raad heeft hierover overwogen:

“Art. 94 lid 1 Boek 1 BW, voor zover voorschrijvende dat buiten de gemeenschap vallen die goederen ten aanzien waarvan zulks bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald, strekt ertoe te bewerkstelligen dat de door zodanige bepaling tot uitdrukking gebrachte wil van de erflater of schenker om de betrokken goederen aan een der echtgenoten, met uitsluiting van de andere echtgenoot, ten goede te doen komen, niet wordt doorkruist door het huwelijksgoederenregime dat tussen de echtgenoten geldt of zal gelden.

Deze strekking dwingt ertoe aan te nemen dat indien de echtgenoten bij hun huwelijkse voorwaarden gemeenschap van goederen hebben uitgesloten onder beding dat bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend alsof zodanige gemeenschap had bestaan, bij deze afrekening buiten beschouwing moeten blijven die goederen ten aanzien waarvan de erflater of schenker heeft bepaald dat zij niet in enige huwelijksgemeenschap zullen vallen. Zouden deze goederen immers wel in de afrekening worden betrokken, dan zou ook de echtgenoot van de verkrijger der goederen, of de erven van die echtgenoot, in de waarde der goederen delen, hetgeen zou betekenen dat, in strijd met vorenbedoelde strekking van het voorschrift, de wil van de erflater of schenker niet zou worden geëerbiedigd.”

Zoals het hof in 3.6.4.3 terecht heeft overwogen, gaat de strekking van artikel 1:94 lid 2 onder a BW (oud) niet zo ver dat het de beschikkingsbevoegdheid van de ontvanger van de erfenis of de schenking raakt, in die zin dat deze beschikkingsbevoegdheid wordt beperkt tot het doen van uitgaven waarmee louter de ontvanger van de met uitsluiting verkregen gelden wordt gebaat. Gelet hierop bestaat bij de ontvanger van de met uitsluiting ontvangen gelden beschikkingsvrijheid voor zijn (volledige) privévermogen, aldus het hof.

Artikel 1:95 lid 2 BW bepaalt dat indien een goed tot de gemeenschap gaat behoren en een echtgenoot bij de verkrijging uit zijn eigen vermogen aan de tegenprestatie heeft bijgedragen, deze echtgenoot een vergoedingsvordering toekomt, waarvan het beloop overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid, wordt bepaald. Dit (in het eerste onderdeel genoemde) artikel betreft een regeling van zaaksvervanging, en heeft betrekking op de situatie waarin de tegenprestatie ten tijde van de verkrijging van een goed uit het ‘verkeerde’ vermogen is voldaan. Naar mijn mening bedoelt het onderdeel te verwijzen naar artikel 1:96 lid 3 (oud) BW, hetgeen bepaalt: De echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld van de gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding uit de goederen van de gemeenschap. Betreft het een schuld ter zake van een tot de gemeenschap behorend goed, dan wordt het beloop van de vergoeding bepaald overeenkomstig artikel 87, tweede en derde lid.

In de Kamerstukken met betrekking tot het wetsvoorstel om de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, wordt het volgende opgemerkt:

“Waar de vraagstelling waarschijnlijk op doelt is de situatie waarin het gaat om aflossing van schulden ter zake van consumptieve bestedingen (bijvoorbeeld de dagelijkse huishoudkosten). Dan mist artikel 87 toepassing. Wanneer geld van de andere echtgenoot wordt gebruikt om consumptieve bestedingen te dekken die te kwalificeren zijn als kosten van de huishouding in de zin van artikel 84, dan is daarop deze regeling van toepassing. Eventueel te veel of te weinig bijgedragen kosten van de huishouding resulteert in vergoedingsrechten waarop de jurisprudentie van de Hoge Raad van toepassing is. Dit betekent dat voldoening van dergelijke aanspraken op vergoeding van door een echtgenoot teveel betaalde kosten van de huishouding, vrij vlot na het verstrijken van het jaar waarin die kosten zijn betaald dient plaats te vinden, anders kan het vorderingsrecht op grond van deze jurisprudentie door rechtsverwerking teniet gaan. Voor zover consumptieve bestedingen niet zijn aan te merken als kosten van de huishouding maar als andere schulden van de gemeenschap, zal voldoening daarvan met eigen privémiddelen, kunnen leiden tot het ontstaan van een vergoedingsrecht van de desbetreffende echtgenoot op de huwelijksgemeenschap. Deze is nominaal, ook wanneer het de verkrijging van goederen betreft die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt (vergelijk artikel 87, derde lid, onder b).”

Over de mogelijkheid van het ontstaan van een vergoedingsrecht is – enerzijds – door Breederveld het volgende opgemerkt:

“Ontstaat een vergoedingsrecht indien tijdens het bestaan van de huwelijksgemeenschap uit het privévermogen van een echtgenoot betalingen zijn gedaan ten behoeve van allerlei consumptieve bestedingen? Te denken valt aan de besteding van privégelden aan een (extra) dure vakantiereis of de aankoop van een auto of boot. […]

Naar mijn mening is op een dergelijke besteding de regeling van de vergoedingsrechten in artikel 1:95 BW gewoon van toepassing. Uitgangspunt is de voldoening van schulden uit het niet draagplichtige vermogen. Tenzij uitdrukkelijk door de wet daarvan uitgezonderd zijn alle schulden gemeenschapsschulden. Dat zo zijnde geeft de wet een vergoedingsrecht aan de echtgenoot uit wiens privévermogen deze schuld is voldaan. Een onderscheid in de aard van de gemeenschapsschuld die is voldaan wordt niet gemaakt. Ongeacht of de schuld is ontstaan door de aankoop van een auto, het boeken van een vakantiereis of het aflossen van een geldlening, zodra de schuld een gemeenschapsschuld is die is voldaan uit het privévermogen is een vergoedingsrecht als vermogensrecht ontstaan.

Ook een besteding van consumptieve aard uit privévermogen doet dus een vergoedingsrecht ontstaan.

Veel van dergelijke bestedingen kunnen mijns inziens niet aangemerkt worden als kosten van de huishouding. Zo dat wel het geval is geeft artikel 1:84 lid 1 BW een regeling voor de draagplicht ervan. […]

Uit het vorenstaande volgt dat bij gebreke van een andersluidende afspraak of aantoonbare vrijgevigheid van de betreffende echtgenoot ter zake van tijdens het huwelijk plaatsgevonden consumptieve bestedingen vergoedingsrechten bestaan die als schuld deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap.”

En eveneens door Breederveld is opgemerkt:

“Naar mijn mening zal het ontbreken van een voldoende traceerbaarheid van de besteding van privévermogen niet altijd tot een verlies van het vergoedingsrecht mogen leiden. Zodra een echtgenoot kan aantonen dat hij tijdens het huwelijk privévermogen heeft verkregen dat is bijgeschreven op een bankrekening waarvan het saldo in de gemeenschap valt, zal een vermoeden van besteding ten gunste van de huwelijksgemeenschap kunnen worden aangenomen. Een dergelijk vermoeden kan worden ontleend aan het aan het hoofdstelsel verbonden gevolg dat in beginsel alle schulden in de huwelijksgemeenschap vallen. Gemeenschapsschulden zijn regel, privéschulden zijn uitzondering. De besteding van het saldo van de bankrekening heeft daarmee in beginsel plaatsgevonden ter voldoening van een gemeenschapsschuld. En zodra uit privévermogen een schuld van de gemeenschap is voldaan, ontstaat op grond van de wet een vergoedingsrecht. Dit vermoeden kan de andere echtgenoot eventueel weerleggen door aan te tonen dat uit het saldo van de betreffende bankrekening privéschulden zijn voldaan, dan wel dat op andere wijze wordt onderbouwd dat geen aanspraak op een vergoedingsrecht kan worden gedaan.”

Voorts is door Nuytinck opgemerkt:

“De vergoedingen waarop art. 1:87 betrekking heeft, houden verband met een investering in goederen. Als geld (vermogen) aan het eigen vermogen van de andere echtgenoot wordt onttrokken voor bijvoorbeeld de financiering van een wereldreis, vindt de bepaling geen toepassing. In beginsel ontstaat hierdoor voor de andere echtgenoot een recht op vergoeding van het nominale bedrag.”

Anderzijds is Meijer de volgende opvatting toegedaan:

“Ik wil als laatste variant bespreken de situatie dat er ooit een goed met een uitsluitingsclausule is geschonken of vermaakt, doch het goed niet meer aanwezig is en niet meer te achterhalen is wat er met dat goed gebeurd is. Dient nu de echtgenoot, die het privé-goed ooit heeft verkregen, een vorderingsrecht op de gemeenschap te hebben? Het is moeilijk hier een passend antwoord te geven. De opbrengst van het privé-goed heeft misschien voorkomen dat een lening moest worden aangegaan, heeft wellicht tot een verhoogd uitgavenpatroon geleid, is – traceerbaar – gebruikt voor consumptieve besteding (een dure vakantiereis) of er is een goed voor gekocht dat intussen is tenietgegaan (een auto). Ik zou hier als vuistregel willen aannemen dat in de laatste gevallen geen vergoedingsrecht op de gemeenschap is ontstaan, doch dat in het eerste geval, indien en voor zover het saldo van de gemeenschap zulks toelaat, een reprise van de betrokken echtgenoot bestaat; hier was de gemeenschap immers minder positief geweest als de opbrengst van het uitgesloten goed niet hiervoor besteed was.”

Ook in de jurisprudentie zijn deze verschillende opvattingen te vinden.

Het hof ’s-Gravenhage oordeelde op 7 april 2010 als volgt:

“Tussen partijen staat vast dat de man in 1989 een bedrag van € 13.049,81 onder een uitsluitingsclausule heeft verkregen, dat dit bedrag op een gemeenschappelijke rekening van partijen is gestort en vervolgens is uitgegeven aan bestedingen ten gunste van de gemeenschap. Hieruit volgt dat het geërfde geld niet in het privévermogen van de man is gevloeid, dan wel nadien op naam van de man afgezonderd is of is aangewend voor privéschulden van de man. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat de man in beginsel een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft ter hoogte van € 13.049,81.”

En op 11 oktober 2017 als volgt:

“Uit de testamenten volgt dat hetgeen de erfgenaam verkrijgt niet in enige gemeenschap van goederen valt. Niet meer ter discussie staat tussen partijen dat de man in het kader van de afwikkeling van de nalatenschappen van zijn ouders een bedrag heeft verkregen van € 148.000,-. Voorts staat tussen hen vast dat de gelden zijn overgeboekt naar een rekening waarvan het saldo tot de gemeenschap behoorde. Het privévermogen van de man is derhalve vermengd met het gemeenschapsvermogen. De gemeenschap van partijen is daardoor gebaat met een bedrag van € 148.000,-. De man heeft in beginsel een vergoedingsrecht op de gemeenschap van € 148.000,-. De rechtsvraag die beantwoord moet worden is of de man zijn vergoedingsrecht jegens de gemeenschap kan verzilveren. De vrouw heeft daartoe enkel gesteld dat de gelden ten behoeve van beiden, maar ook ten behoeve van de man alleen verteerd zijn, maar dat dat niet meer valt te achterhalen. Het hof heeft zulks dan ook niet kunnen vaststellen. In het geval de gelden verteerd zijn door consumptieve uitgaven betekent dat in beginsel nog niet dat de man zijn vergoedingsvordering niet kan verzilveren. De onderhavige gemeenschap omvat nog voldoende activa waaruit de vergoedingsvordering kan worden voldaan. Door de vrouw zijn ook geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de redelijkheid en billijkheid zich er tegen zouden verzetten dat de man zijn recht jegens de gemeenschap zou effectueren. […] Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat de man zijn vergoedingsrecht kan effectueren.”

Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 17 januari 2013 als volgt:

“Door overboeking van de schenkingen op de rekening met het rekeningnummer [rek.nr.] – een rekening waarvan het saldo tot de gemeenschap behoorde – is het volledige bedrag van deze schenkingen in de gemeenschap gevallen en is de gemeenschap bij deze gelden gebaat. Partijen zijn het daarover ook eens. Niet valt in te zien welke bijdrage de door de rechtbank opgedragen uitlating door de man over de besteding van deze gelden kan leveren aan de vraag of al dan niet een repriserecht is ontstaan. Nu immers vaststaat dat een uitsluitingsclausule is gemaakt, dat de gelden in de gemeenschap zijn gevloeid en dat de gemeenschap daarbij is gebaat, staat ook vast dat een repriserecht is ontstaan.”

Daartegenover staan de beslissingen van het hof ’s-Hertogenbosch.

Dit hof oordeelde op 6 maart 2012 als volgt:

“Niet in geschil is dat de man tijdens het huwelijk een bedrag van € 15.489,03 geschonken heeft gekregen met een uitsluitingsclausule. Partijen zijn het er verder over eens dat het geschonken bedrag deel uitmaakte van de verkoopopbrengst van de woning aan de [a-straat] te Eindhoven. Waar partijen over van mening verschillen is of de verkoopopbrengst c.q. de daarin besloten schenking vervolgens is besteed aan gemeenschapsschulden. […]

De man stelt dat de verkoopopbrengst van de woning aan de [a-straat] , inclusief schenking, is besteed aan de verbouwing van de tot de gemeenschap behorende woning aan de Oetelaarsestraat te Schijndel en aan een schenking van € 15.000,- aan ieder van de zoons. De vrouw stelt dat de verkoopopbrengst, inclusief schenking, behalve aan de verbouwing van het huis en aan de schenkingen aan de zoons ook is besteed aan een auto, een vakantie, een schilderij en voor een bedrag van € 23.000,- aan successierechten.

Naar het oordeel van het hof kunnen de schenkingen aan de zoons, de aankoop van een auto, een vakantie en een schilderij en het financieren van een verbouwing niet worden aangemerkt als het voldoen van een gemeenschapsschuld. De man heeft deze uitgaven vrijwillig gedaan en niet als gevolg van verhaal door een (gemeenschaps)schuldeiser. Daarom moeten deze met het geschonken geld gedane uitgaven van de man naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als giften en niet als het voldoen van schulden van de gemeenschap. Het was de vrije keuze van de man om het bedrag dat hij met een uitsluitingsclausule geschonken heeft gekregen consumptief te besteden en er (onder meer) een verbouwing mee te bekostigen; een schuld van de gemeenschap heeft hij er niet mee gedelgd.

Dit laatste geldt niet ten aanzien van de betaling van de successierechten. Nu de successierechten wel zijn betaald als gevolg van verhaal door een schuldeiser (de fiscus) op de gemeenschap dient het betalen van de successierechten naar het oordeel van het hof wel te worden aangemerkt als het voldoen van een gemeenschapsschuld.”

En op 14 november 2017 als volgt:

“3.12.1.4. De onder uitsluitingsclausule door de man ontvangen erfenis is gedurende het huwelijk van partijen besteed. Tussen partijen is in geschil waaraan de erfenis is uitgegeven. Anders dan in de zaak waarover de Hoge Raad oordeelde in zijn beschikking van 15 september 2017, is er hier geen overeenstemming tussen partijen dat “de gemeenschap gebaat is”, waarbij het hof in het midden kan laten, wat dit “gebaat zijn” precies behelst. Waar het dan op aan komt is de vraag of aan de man een – door de Hoge Raad in zijn arrest van 15 september 2017 aangeduid – recht van terugneming (“recht van reprise”) toekomt op grond van het bepaalde in art. 1:95 lid 2 BW (oud en 1:96 lid 3 BW nieuw) ten laste van de gemeenschap en zo ja ter grootte van welk bedrag. […]

3.12.1.6. […] In aanmerking genomen dat het bedrag van de erfenis op de peildatum niet meer (traceerbaar) aanwezig was, partijen twisten over de vraag waaraan de erfenis is besteed en niet is gebleken dat partijen over de besteding van de erfenis met elkaar afspraken hebben gemaakt, moet het er naar het oordeel van het hof voor worden gehouden dat de met uitsluiting ontvangen erfenis is geconsumeerd; de erfenis is met andere woorden opgemaakt aan bestedingen die geen aanleiding geven tot een vergoedingsrecht.”

Het gerechtshof Amsterdam heeft zich voor zover bekend nog niet over deze kwestie uitgesproken en uw Raad evenmin. Uw Raad heeft zich op 13 januari 2006 wel uitgesproken over de vraag op welk vermogen de reprise verhaald mag worden. Dit was ook het geval in de uitspraken van uw Raad van 4 mei 2007 en 19 oktober 2012. Ook in de uitspraak van uw Raad van 15 september 2017 stond het bestaan van een reprise niet ter discussie (zoals in de onderhavige zaak wel het geval is):

De vrouw heeft een vordering tot terugneming (reprise) uit de gemeenschap van aan haar toekomende goederen. Nu zij die vordering, wegens een ontoereikend gemeenschapsvermogen, niet kan verhalen op de gemeenschap, kan zij de helft van hetgeen zij niet op de gemeenschap heeft kunnen verhalen, verhalen op het privévermogen van de man.”

Als uitgangspunt heeft te gelden dat geldbedragen die onder uitsluitingsclausule zijn geschonken, buiten de huwelijksgemeenschap blijven (art. 1:94 lid 1 (oud) BW). Zodra deze geldbedragen echter op een gezamenlijke bankrekening van partijen worden gestort en nadien allerlei bij- en afschrijvingen van deze rekening plaatsvinden, zijn de geschonken bedragen (oneigenlijk) met de tot de gemeenschap behorende op de bankrekening staande gelden vermengd. Zoals hierboven onder 2.12 aangestipt, heeft uw Raad zich nog niet uitgesproken over de vraag of degene die de onder uitsluitingsclausule geschonken bedragen heeft ontvangen, die vervolgens in de gemeenschap zijn gevloeid waaruit consumptieve bestedingen zijn gedaan, vervolgens een zogenoemd recht van reprise toekomt. Ook in de literatuur en jurisprudentie bestaan hierover verschillende opvattingen, zoals blijkt uit het hierboven weergegeven juridisch kader. Enerzijds wordt aangenomen dat een partij een recht van reprise heeft zodra de met uitsluiting ontvangen gelden gemeenschappelijk zijn geworden (Breederveld, Nuytinck, hof Arnhem-Leeuwarden). Anderzijds wordt aangenomen dat beoordeeld dient te worden waaraan de gelden zijn besteed (Meijer, hof ’s-Hertogenbosch in eerdere en latere uitspraken). Het gerechtshof Den Haag lijkt daarnaast een gulden middenweg te kiezen door te beoordelen of de gemeenschap nog voldoende activa bevat voor een vergoedingsrecht, of een reprise in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid en of de gelden besteed zijn aan privéschulden. Daarnaast kan m.i. een aanwijzing worden gevonden voor de opvatting dat wèl beoordeeld dient te worden waaraan de onder uitsluitingsclausule ontvangen gelden zijn besteed, in de hierboven onder 2.9 genoemde Kamerstukken: “Voor zover consumptieve bestedingen niet zijn aan te merken als kosten van de huishouding maar als andere schulden van de gemeenschap, zal voldoening daarvan met eigen privémiddelen, kunnen leiden tot het ontstaan van een vergoedingsrecht van de desbetreffende echtgenoot op de huwelijksgemeenschap.”

In casu staat vast dat [de vrouw] onder uitsluiting € 30.000,- heeft ontvangen, dat dit bedrag is bijgeschreven op een bankrekening waarvan het saldo in de gemeenschap is gevloeid en dat daaruit consumptieve bestedingen zijn gedaan. Uit dit alles kan het vermoeden volgen dat de bestedingen ten gunste van de huwelijksgemeenschap zijn gedaan. Een dergelijk vermoeden kan worden ontleend aan het aan het hoofdstelsel verbonden gevolg dat in beginsel alle schulden in de huwelijksgemeenschap vallen. Gemeenschapsschulden zijn immers regel, privéschulden zijn uitzondering. De besteding van het saldo van de bankrekening heeft daarmee in beginsel plaatsgevonden ter voldoening van een gemeenschapsschuld. Indien uit privévermogen een schuld van de gemeenschap is voldaan, ontstaat op grond van de wet (art 1:95 BW) een vergoedingsrecht. Dit vermoeden kan de andere echtgenoot eventueel weerleggen door aan te tonen dat uit het saldo van de betreffende bankrekening privéschulden zijn voldaan, dan wel dat op andere wijze wordt onderbouwd dat geen aanspraak op een vergoedingsrecht kan worden gedaan.

[de man] heeft niet gesteld dat [de vrouw] het bedrag of een deel daarvan heeft aangewend voor haar privéschulden of dat het bedrag is afgezonderd op naam van [de vrouw] . De wet geeft een vergoedingsrecht aan de echtgenoot uit wiens privévermogen een gemeenschapsschuld is voldaan. Een onderscheid in de aard van de gemeenschapsschuld die is voldaan wordt in de wet niet gemaakt. Ongeacht of de schuld is ontstaan door de aankoop van een auto, het boeken van een vakantiereis of het aflossen van een geldlening, zodra de schuld een gemeenschapsschuld is, die is voldaan uit het privévermogen is een vergoedingsrecht als vermogensrecht ontstaan.

Met Breederveld ben ik van mening dat hieruit volgt dat bij gebreke van een andersluidende afspraak of aantoonbare vrijgevigheid van de betreffende echtgenoot ter zake van tijdens het huwelijk plaatsgevonden consumptieve bestedingen vergoedingsrechten bestaan die als schuld deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap.” In het geval de gelden verteerd zijn door consumptieve uitgaven betekent dat in beginsel nog niet dat [de man] zijn vergoedingsvordering niet kan verzilveren. [de man] heeft niet aangetoond dat [de vrouw] uit vrijgevigheid heeft gehandeld.

Dit kan anders zijn als door [de man] bijzondere omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de redelijkheid en billijkheid zich er tegen zouden verzetten dat [de vrouw] haar vergoedingsrecht zou kunnen effectueren. Die bijzondere omstandigheden, anders dan dat het geld op de peildatum niet meer traceerbaar is en dan dat het er voor moet worden gehouden dat het geld is geconsumeerd, zijn door [de man] evenwel niet gesteld.

Over de klacht dat het hof in de rovv. 3.6.4.4 tot en met 3.6.4.7 heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden die leiden tot vermindering of zelfs van het algehele tenietgaan van de (door [de vrouw] gestelde) vordering op de gemeenschap krachtens artikelen 149 en 150 Rv op [de man] rusten, merk ik het volgende op.

Breederveld meent dat in deze situatie een vermoeden van besteding van de onder uitsluitingsclausule ontvangen gelden ten gunste van de huwelijksgemeenschap kan worden aangenomen, welk vermoeden de andere echtgenoot kan weerleggen:

“Naar mijn mening zal het ontbreken van een voldoende traceerbaarheid van de besteding van privévermogen niet altijd tot een verlies van het vergoedingsrecht mogen leiden. Zodra een echtgenoot kan aantonen dat hij tijdens het huwelijk privévermogen heeft verkregen dat is bijgeschreven op een bankrekening waarvan het saldo in de gemeenschap valt, zal een vermoeden van besteding ten gunste van de huwelijksgemeenschap kunnen worden aangenomen. Een dergelijk vermoeden kan worden ontleend aan het aan het hoofdstelsel verbonden gevolg dat in beginsel alle schulden in de huwelijksgemeenschap vallen. Gemeenschapsschulden zijn regel, privéschulden zijn uitzondering. De besteding van het saldo van de bankrekening heeft daarmee in beginsel plaatsgevonden ter voldoening van een gemeenschapsschuld. En zodra uit privévermogen een schuld van de gemeenschap is voldaan, ontstaat op grond van de wet een vergoedingsrecht. Dit vermoeden kan de andere echtgenoot eventueel weerleggen door aan te tonen dat uit het saldo de betreffende bankrekening privéschulden zijn voldaan, dan wel dat op andere wijze wordt onderbouwd dat geen aanspraak op een vergoedingsrecht kan worden gedaan.”

Van Duijvendijk-Brand heeft gepleit een wettelijk vermoeden op te nemen bij de invoering van de zogenaamde Derde Tranche wijzigingen huwelijksvermogensrecht. Kort gezegd meent zij dat als privévermogen door vermenging gemeenschappelijk is geworden en niet meer te traceren is en (nadien) gebruikt is voor consumptieve uitgaven (bijvoorbeeld vakanties), het bewijs dat de eigenaar van het privévermogen (“M”) moet leveren

“te weten dat het oorspronkelijke bedrag aan privé-vermogen nog steeds deel uitmaakt van het saldo op de rekening, wel eens een te zware bewijslast [kan] blijken te zijn. Naar mijn mening is er reden M hier tegemoet te komen door middel van een wettelijk vermoeden (met de mogelijkheid van tegenbewijs). Een dergelijk vermoeden sluit naar mijn mening aan bij de wijze waarop de draagplicht voor huishoudelijke schulden en gemeenschapsschulden in de wet is geregeld.”

Luijten en Meijer betogen juist het omgekeerde:

“Heeft ieder zijn vermogen zelf bestuurd, dan draagt men zelf de gevolgen van eigen nonchalance; is daarbij privé-vermogen aan de gemeenschap ten goede gekomen dan dient de betrokkene dit te bewijzen, wil er van een reprise sprake zijn.”

[de vrouw] heeft gesteld € 30.000 onder uitsluiting te hebben ontvangen en dat dat geld op de gezamenlijke bankrekening is terechtgekomen. [de man] heeft daartegenover alleen gesteld dat het geld op is gegaan aan de huishouding, vakanties en dergelijke. Door [de man] is niet gesteld dat [de vrouw] conform de draag- en fourneerplicht van art 1:84 BW aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen, hetgeen op zijn weg had gelegen. De blote stelling dat het geld is opgegaan aan de huishouding volstaat daartoe niet.

Op deze punten slaagt het onderdeel.

Onder de punten 2.1.3 en 2.1.7 wordt geklaagd dat het hof buiten het debat van partijen treedt, het zijn taak als appelrechter miskent en zich schuldig maakt aan een verboden aanvulling van de feiten, door te overwegen dat [de vrouw] de met uitsluiting ontvangen gelden heeft besteed. Partijen hebben slechts gesteld dat – als de stellingen van [de man] gevolgd zouden worden – de gelden zijn uitgegeven aan huishouding en vakanties, aldus het onderdeel. Voorts vormt het oordeel van het hof dat aangenomen moet worden dat de gelden door [de vrouw] zijn besteed om te voldoen aan de verplichting om bij te dragen in de kosten van de huishouding (artikel 1:84 BW), een ontoelaatbare verrassingsbeslissing nu geen van partijen zich op artikel 1:84 BW in het kader van de kosten van de huishouding heeft beroepen. Het hof heeft het bepaalde in de artikelen 24 en 149 Rv miskend.

Artikel 1:84 BW, waar het hof in ro. 3.6.4.7 naar verwijst, luidt als volgt:

“1. De kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten.

2. De echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in het eerste lid bedoelde uitgaven voldoende gelden ter beschikking te stellen uit de onder hun bestuur staande goederen, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen niet verzetten.”

Uit de stellingen van partijen volgt dat [de vrouw] zelf heeft aangevoerd dat “ [de man] – voor zover zijn lezing omtrent de bestedingen zou worden gevolgd – geen bijzondere feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit zou moeten volgen dat de gedane uitgaven, afgezet tegen de gebruikelijke kosten van de huishouding, een dermate uitzonderlijk karakter hebben gehad dat af moet worden geweken van de hoofdregel (te weten dat [de vrouw] een vordering heeft op de gemeenschap)”. [de man] stelt in eerste aanleg in zijn conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie al: “de schenkingen zijn inderdaad in de huishouding opgegaan en aan vakanties en dergelijke”.

Aldus zijn de kosten van de huishouding onderwerp geweest van het tussen partijen gevoerde debat en heeft het hof, overeenkomstig artikel 24 Rv, beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering respectievelijk verweer ten grondslag hebben gelegd. Dat artikel 1:84 BW hierbij niet (expliciet) is genoemd, doet niet ter zake, nu de rechter op grond van artikel 25 Rv gehouden is ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. Dat het hof hierbij niet expliciet heeft aangegeven op welke stelling (van [de man] , aldus het onderdeel) tot dit oordeel is gekomen, neemt niet weg dat het hof hiermee aansluit bij het tussen partijen gevoerde debat en dat derhalve geen sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, zoals het onderdeel betoogt. Beide partijen hebben immers kunnen reageren en ook daadwerkelijk gereageerd op het standpunt dat de schenkingen opgemaakt zijn aan de kosten van de huishouding. Dit leidt ertoe dat evenmin sprake is van schending van het in artikel 6 EVRM en 19 Rv neergelegde beginsel van hoor en wederhoor of van een verboden aanvulling van de feiten als bedoeld in artikel 149 Rv. Deze klacht van het onderdeel faalt.

Onderdeel 2 klaagt in punt 2.2 dat het slagen van de vorige onderdelen ook rov. 3.7 vitieert waarin het hof concludeert dat de vrouw € 15.000,- aan de man dient te voldoen, nu zij op grond van het rechtbank vonnis het in depot gehouden bedrag van € 30.000 reeds heeft ontvangen, alsmede rov. 3.9. en het dictum.

Gelet op het hiervoor overwogene slaagt ook dit onderdeel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JPF 2019/42 met annotatie van Reinhartz, B.E. JERF Actueel 2019/55
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?