ECLI:NL:PHR:2019:59

ECLI:NL:PHR:2019:59, Parket bij de Hoge Raad, 22-01-2019, 17/02999

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-01-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/02999
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:333
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Art. 6 EVRM. Klachten inzake a) het gebruik van belastende verklaringen van niet door de verdediging gehoorde getuigen, waarop volgens het middel de bewezenverklaring in beslissende mate is gebaseerd en b) de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen en verbalisanten. Strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

“Voorwaardelijk verzoek:

Mocht u evenwel van oordeel zijn dat het ten laste gelegde kan worden bewezen dan verzoek ik u de zaak aan te houden ten einde de volgende onderzoekshandelingen te laten verrichten:

De verdediging wenst de volgende getuigen te horen:

[getuige 1] :

Volgens de verbalisanten heeft [getuige 1] buiten het verhoor om verklaard dat hij zijn drugs van [verdachte] uit Groningen koopt. Hieruit blijkt allereerst niet dat dit om cliënt gaat. Er zullen in Groningen immers wel meer mensen met de naam [verdachte] zijn. Nu de verklaring buiten het verhoor is opgetekend en [getuige 1] hiervoor niet heeft getekend, wenst de verdediging [getuige 1] te bevragen omtrent de vermeende door hem buiten het verhoor afgelegde verklaring en de inhoud hiervan. In het bijzonder of hij iets dergelijks heeft verklaard?

Mocht dit al worden aangenomen dan wenst de verdediging [getuige 1] voorts nader te bevragen over de identiteit van [verdachte] , nu op geen enkele wijze uit het proces-verbaal blijkt dat dit om cliënt zou gaan (de gegeven omschrijving is immers zeer algemeen). Nu [getuige 1] niet eerder is gehoord en cliënt uitdrukkelijk betwist degene te zijn die heeft gedeald is het noodzakelijk dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om [getuige 1] te bevragen om zodoende zijn betrouwbaarheid en geloofwaardigheid te kunnen toetsen.

[getuige 2] :

De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 2] voor het bewijs gebruikt waarin [getuige 2] zegt: " Ik ken geen [verdachte] ik ken hem als [verdachte] ."

Uit deze verklaring blijkt echter geenszins dat het om cliënt gaat. De verdediging wenst [getuige 2] dan ook te bevragen omtrent de inhoud van zijn verklaring en de identiteit/persoonsgegevens van de door hem genoemde [verdachte] . Hierbij is voorts van belang dat [getuige 2] zijn verklaring niet heeft ondertekend.

[getuige 3] :

[getuige 3] heeft verklaard dat zij al drie jaar drugs bij [verdachte] koopt en hem hier altijd over belt. Zij zou hebben verklaard dat de foto die haar zou zijn getoond, van degene is waarover zij verklaard. Deze foto bevindt zich echter niet in het dossier. Er blijkt dan ook niet, althans onvoldoende, dat zij over cliënt heeft verklaard. Cliënt ontkent voorts uitdrukkelijk dat hij drugs aan [getuige 3] heeft verkocht. Hij geeft wel aan dat hij met haar drugs heeft gebruikt. De verdediging wenst [getuige 3] dan ook te confronteren met deze verklaring en hieromtrent te bevragen. Voorts wenst de verdediging [getuige 3] te confronteren met het feit dat er geen gegevens van haar op de telefoon van cliënt zijn aangetroffen. Nu de verklaring van [getuige 3] ten grondslag is gelegd aan de bewezenverklaarde periode is het noodzakelijk om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid te toetsen.

[getuige 4] :

[getuige 4] heeft - zoals reeds uiteen gezet - nogal wisselend verklaard tijdens de twee keer dat hij in april 2016 werd gehoord. De verdediging wenst hem hierover dan ook nader te bevragen.

Van belang in dit kader is dat [getuige 4] zelf eveneens verdachte was in onderhavige zaak en uit het dossier blijkt dat hij zelf veelvuldig heeft gedeald. Hij had derhalve veel te winnen door cliënt als de grote dealer af te schilderen in plaats van zichzelf. Het horen is dan ook noodzakelijk om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van [getuige 4] te kunnen toetsen.

[betrokkene 1]:

[betrokkene 1] zou cliënt op de foto hebben herkend als dealer. De foto zit echter niet in het dossier. De verdediging wenst [betrokkene 1] dan ook te bevragen over de identiteit van degene over wie hij heeft verklaard. Voorts wenst de verdediging hem te confronteren met de verklaring van cliënt dat hij nimmer gedeald heeft en daarnaast te bevragen over of hij zelf ooit heeft waargenomen dat cliënt heeft gedeald.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

De verdediging wenst voorts de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen over het door hen opgemaakte proces-verbaal d.d. 2 mei 2016. Zij verklaren: "Wij hebben in de periode 2014/2015 betrokkene [verdachte] meerdere malen in de nabijheid van dit adres gezien en ook staande gehouden.” P. 64.

De verdediging wenst de verbalisanten te bevragen over wat zij in de betreffende periode hebben waargenomen? Hebben zij cliënt zien dealen? De beantwoording van deze vragen is noodzakelijk, nu de verdediging zich niet aan de indruk kan onttrekken dat dit proces-verbaal in belangrijke mate bijdraagt aan de overtuiging.

Voorts hebben beiden een proces-verbaal opgemaakt waarin wordt aangegeven dat een bij hen bekend persoon heeft verklaard dat cliënt heroïne en cocaïne uit de woning van [betrokkene 2] aan de [a-straat] zou verkopen, p. 56. De verdediging wenst de beide verbalisanten te bevragen over de identiteit en betrouwbaarheid van deze persoon, alsmede over de inhoud van de afgelegde verklaring. Cliënt ontkent de beschuldigingen immers.

Nu voornoemde processen-verbaal in ieder geval bijdragen aan de overtuiging alsmede de bewezenverklaring en de bewezenverklaarde periode is het horen van de verbalisanten eveneens relevant en noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van 350 Sv.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:

Beiden hebben een proces-verbaal opgemaakt waarin zij aangeven dat [getuige 1] buiten het verhoor heeft verklaard dat hij zijn drugs altijd koopt bij [verdachte] , die een Marokkaan uit Groningen zou zijn. De verdediging wenst de verbalisanten over de inhoud van deze verklaring te bevragen, nu cliënt de inhoud daarvan uitdrukkelijk betwist. De verdediging wenst hen graag te bevragen of er door hen is doorgevraagd omtrent de identiteit van de genoemde [verdachte] . De omschrijving die in het proces-verbaal van verhoor door [getuige 1] wordt gegeven is immers te algemeen om te concluderen dat het om cliënt gaat. Dit zelfde geldt voor de omschrijving [verdachte] uit Groningen. Er blijkt op geen enkele wijze dat het om cliënt gaat. Bovendien komt er ook een [verbalisant 4] in het dossier voor, p. 87.

Het horen van alle voornoemde personen is derhalve noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van artikel 350 Sv.”

16. Het hof heeft, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen:

“Voorwaardelijke verzoeken

Bij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de raadsvrouw impliciet de bij appelschriftuur gedane verzoeken herhaald, inhoudende het horen van vijf getuigen en vier verbalisanten, alsmede het doen van nader onderzoek aan de telefoon, waarvan de raadsvrouw stelt dat deze aan verdachte toebehoort. De motivering van dit verzoek berust met name op de gelegenheid om de getuigen nader te bevragen omtrent de identiteit van de persoon die zij ‘ [verdachte] ’ noemen.

Het hof heeft reeds op 10 november 2016 het verzoek tot [het horen van, D.P.] deze getuigen afgewezen, nu de noodzaak tot het horen van deze getuigen het hof niet gebleken is. Het herhaalde verzoek zal het hof eveneens toetsen aan het noodzakelijkheidscriterium. Het hof acht het horen van deze getuigen [niet noodzakelijk, D.P.], nu het hof op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht is. Datzelfde geldt voor het laten verrichten van nader onderzoek aan de telefoon van verdachte, ook nadat het hof het dossier grondig heeft bestudeerd. De raadsvrouw heeft slechts ter onderbouwing van het verzoek aangegeven dat het onderzoek aan de telefoon gebrekkig is gewest alsmede dat uit verdachtes telefoongegevens hem ontlastende informatie zou blijken, zonder dat standpunt te onderbouwen. Het hof merkt daarbij op dat verdachte ter zitting van het hof anders dan zijn raadsvrouw stelde, heeft ontkend een telefoon te hebben gehad, zodat ook daardoor het verzoek niet wordt onderbouwd.”

17. Hoewel het middel slechts klaagt over de (begrijpelijkheid van de) afwijzing van het hof van de door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken tot het horen van een aantal getuigen, wordt in de toelichting op het middel ook geklaagd over de afwijzing van de verzoeken tot het horen van diezelfde getuigen bij appelschriftuur. Hoewel de appelschriftuur te laat zou zijn ingediend, hadden die verzoeken niettemin aan het criterium van verdedigingsbelang moeten worden getoetst, aangezien de verdediging niet tijdig de beschikking had over alle relevante processtukken, aldus het middel.

17. Ten aanzien van de klacht over de bij appelschriftuur gedane getuigenverzoeken merk ik het volgende op. In de onderhavige zaak is op 27 juli 2016 hoger beroep ingesteld. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 10 november 2016 volgt dat de appelschriftuur op 6 september 2016 is ingediend. Uit art. 410, eerste lid, Sv volgt dat de indieningstermijn voor de appelschriftuur 14 dagen is, vanaf het moment van het instellen van hoger beroep. Hoewel een niet tijdige indiening van de appelschriftuur geen negatieve consequenties heeft voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep, kan het die wel hebben voor de toewijzing van de in die niet tijdige ingediende appelschriftuur neergelegde onderzoekswensen. In dat geval is immers het voor de verdediging ongunstigere noodzaak-criterium van toepassing, in plaats van de maatstaf van het verdedigingsbelang. De Hoge Raad heeft in dat kader echter ook beslist dat ‘het verschil tussen deze criteria is gerelativeerd wat betreft de toepassing in concrete gevallen’, zoals in het geval dat de verdachte (nog) niet beschikt over alle processtukken. Desalniettemin blijft het noodzaak-criterium van toepassing en daarmee heeft het hof het juiste criterium toegepast. De klacht faalt dan ook.

19. Met betrekking tot de klacht ten aanzien van het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek het volgende. Dit verzoek kan worden beschouwd als een verzoek als bedoeld in art. 328 jo. art. 331, eerste lid, Sv dat strekt tot het (doen) horen van met name genoemde getuigen, waarop ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid dient te worden beslist indien de aan het verzoek verbonden voorwaarde in vervulling gaat. Op grond van art. 415, eerste lid, Sv kunnen genoemde verzoeken ook in hoger beroep worden gedaan. De rechter hoeft slechts te reageren op een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek en in het geval dat de voorwaarde, zoals die volgens het hof door de verdediging is bedoeld, is vervuld. In de regel is bij de beoordeling van een dergelijk verzoek het noodzaak-criterium van toepassing. Voorts is van belang dat in cassatie slechts geklaagd kan worden over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van zijn beslissing. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.

20. In het onderhavige geval is door de verdediging verzocht om een aantal getuigen te horen indien ‘het ten laste gelegde kan worden bewezen’. De voorwaarde van het verzoek is met de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten ingetreden, waarna het hof het verzoek bij arrest heeft afgewezen aangezien de noodzaak hiertoe zou ontbreken. Bij de beoordeling daarvan heeft het hof daarmee de juiste maatstaf toegepast. Het hof overweegt hieromtrent onder meer dat het ‘op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht is. Mede gelet op hetgeen ik onder randnummer 19 het vooropgesteld en hetgeen het hof ten aanzien van de bewijsvoering heeft overwogen, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en behoefde het, ook in het licht van hetgeen door de verdediging aan het verzoek ten grondslag was gelegd, geen nadere motivering.

21. Het tweede middel faalt ook.

21. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.

21. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?