PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/01380
Zitting 25 juni 2019
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
(i) Op 8 februari 2016 heeft de officier van justitie een (schriftelijke) vordering tot herroeping (voor een periode van 420 dagen) van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedaan, aangezien de verdachte zich niet aan de daaraan verbonden voorwaarde heeft gehouden, namelijk de algemene voorwaarde (te weten: dat hij zich niet schuldig maakt een strafbaar feit);
(ii) Gezien het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 15 september 2016 met de parketnummers 09/817269-16 en 99-000139-23 (v.i., te weten de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling) is die vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling gelijktijdig behandeld met de nieuwe strafzaak;
(iii) De officier van justitie heeft bij voornoemde gelegenheid gepersisteerd bij de schriftelijke vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling, ‘met dien verstande dat hij heeft geconcludeerd tot beperking van de duur van de vrijheidsstraf die alsnog zal worden ten uitvoer gelegd tot zes maanden, gelet op hetgeen ter terechtzitting door verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht’;
(iv) De rechtbank heeft op 29 september 2016 vonnis gewezen in de zaken met de parketnummers 09/817269-16 en 99-000139-23 (v.i., te weten de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling);
(v) De rechtbank heeft, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen:
“(…)
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals blijkt uit de bewezenverklaring van dit vonnis, opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. De veroordeelde heeft aldus de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling is verbonden, niet nageleefd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen. De rechtbank zal echter een lager gedeelte toewijzen dan door de officier van justitie gevorderd. Zij heeft daarbij acht geslagen op de aard en de ernst van het feit waarvoor thans wordt veroordeeld en de wijze waarop verdachte overigens tijdens zijn voorwaardelijke invrijheidstelling heeft gefunctioneerd, zoals naar voren is gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
(…)”
Het dictum van het vonnis vermeldt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende (vetgedrukt in het origineel):
“(…)
wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog gedeeltelijk moet worden ondergaan, te weten 4 maanden .”
(vi) Gezien de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 januari 2018 gehechte ‘aantekeningen t.b.v. requisitoir’ heeft de advocaat-generaal onderbouwd gevorderd dat ‘de voorwaardelijk invrijheidstelling gedeeltelijk zal worden herroepen voor de duur van zes maanden’;
(vii) de raadsvrouw heeft bij voornoemde gelegenheid verzocht ‘de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen’;
(viii) Het arrest van het hof van 1 februari 2018 vermeldt de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling niet.
5. De steller van het middel betoogt dat bij de beslissing op een vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling sprake is van een straf voor een nieuw feit en dat ’s hofs vernietiging van het vonnis inzake de strafoplegging derhalve ook betrekking heeft op de toewijzende beslissing van de rechtbank op die vordering. Nu het arrest niets vermeldt over die vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling, heeft het hof nagelaten op die vordering te beslissen, dan wel verzuimd hieromtrent iets te overwegen. Het middel wijst in dat kader op HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat om misverstanden te voorkomen het in voorkomende gevallen aanbeveling verdient alle opgelegde straffen en maatregelen in het dictum van een uitspraak te vermelden.
6. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. De regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling is neergelegd in de artikelen 15 tot en met 15l Sr en komt er samengevat op neer dat aan een vervroegde invrijheidstelling, die overigens slechts in beeld komt bij vrijheidsstraffen van meer dan een jaar, altijd de algemene voorwaarde is verbonden dat een veroordeelde zich voor het einde van zijn proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast kunnen aan die invrijheidstelling ook bijzondere voorwaarden worden verbonden, zoals een locatieverbod of deelname aan een gedragsinterventie. Voor de invoering van deze herziene regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling in 2008 konden aan de vervroegde invrijheidstelling geen voorwaarden worden verbonden en kon een toegekende vervroegde invrijheidstelling niet worden herroepen. Thans gaat de vervroegde invrijheidstelling dus altijd gepaard met voorwaarden, toezicht en de mogelijkheid van herroeping. Als de veroordeelde de voorwaarden van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling overtreedt, kan het openbaar ministerie een vordering doen tot (gehele of gedeeltelijke) herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In het geval de vordering wordt gedaan op grond van niet-naleving van de algemene voorwaarde wordt die vordering gelijktijdig behandeld door de rechtbank die is belast met de behandeling van de nieuwe strafzaak. De (gehele of gedeeltelijke) herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling brengt mee dat de verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf wordt gelast. De beslissing op die vordering is onderdeel van het vonnis in die nieuwe strafzaak, waartegen ingevolge art. 407 Sv slechts in zijn geheel hoger beroep kan worden ingesteld.
7. De steller van het middel wijst op HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372 waaruit volgens hem – kort gezegd – volgt dat indien het hof de strafoplegging van de rechtbank vernietigt, ook de beslissing op de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wordt vernietigd. In het genoemde arrest besliste de Hoge Raad dat art. 423 Sv op zichzelf niet in de weg staat aan een gedeeltelijke vernietiging en een gedeeltelijke bevestiging van de beslissing(en) van de rechtbank ten aanzien van de sanctieoplegging. Voorts merkte de Hoge Raad nog op dat een arrest van een hof niet onverenigbaar dient te zijn met het gedeeltelijk bevestigde vonnis van de rechtbank en dat uit dat arrest in samenhang met dat vonnis ondubbelzinnig moet blijken welke straf(fen) en/of maatregel(en) aan de verdachte zijn opgelegd. Daaraan voegde de Hoge Raad toe: “In het licht daarvan alsmede teneinde – ook met betrekking tot de tenuitvoerlegging – misverstanden te voorkomen, verdient het in voorkomende gevallen aanbeveling dat het dictum van het arrest van het hof een integrale weergave van alle opgelegde straffen en/of maatregelen bevat.” In zijn uitspraak van 4 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1431) herhaalde de Hoge Raad voorgaande opmerking en aanbeveling. In die zaak had het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd ten aanzien van de opgelegde straf en voor het overige bevestigd. Ook in dit arrest was door het hof geen specifieke aandacht besteed aan de toewijzende beslissing van de rechtbank op de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (verder: vordering TUL). In cassatie werd geklaagd dat het hof zodoende verzuimd had te beslissen op die vordering. De Hoge Raad overwoog echter dat het hof het vonnis slechts voor wat betreft de strafoplegging had vernietigd en voor het overige had bevestigd, dus ook voor zover daarin de tenuitvoerlegging werd gelast van een aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Onder verwijzing naar dit arrest stelde mijn ambtgenoot Hofstee onlangs dat naar zijn ‘inzicht moet worden aangenomen dat door het vonnis, behoudens wat betreft de strafoplegging, te bevestigen het hof de beslissing tot tenuitvoerlegging tot de zijne heeft gemaakt’ (ECLI:NL:PHR:2019:457).
Samengevat kan uit het voorgaande m.i. worden opgemaakt dat indien een vonnis slechts voor wat betreft de strafoplegging wordt vernietigd, onder het bevestigde gedeelte daarvan valt de beslissing op een vordering TUL.
8. In het onderhavige geval rijst de vraag of het voorgaande ook geldt als het niet gaat om een beslissing op een vordering TUL, maar om een beslissing op een vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling. Ik meen dat dit het geval is. In de eerste plaats gaat het in beide gevallen om een nevenuitspraak. Voorts hebben de regelingen van oudsher een nauwe relatie. Beide regelingen zijn dan ook onder dezelfde titel (II) van het Wetboek van Strafrecht geplaatst en vertonen ook wat betreft de opbouw en procedures overeenkomsten. Dat geldt des te meer nu sinds 2008 zowel aan een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf als aan een voorwaardelijke invrijheidstelling dezelfde algemene voorwaarde wordt verbonden en dat in het geval die algemene voorwaarde wordt overtreden, de behandeling van een vordering TUL én die van een vordering herroeping VI gelijktijdig plaatsvindt met de nieuwe strafzaak. Dat de beide regelingen op elkaar afgestemd zijn, blijkt ook uit de memorie van toelichting op de hernieuwde regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling. Zo is er bijvoorbeeld voor gekozen die regeling te beperken tot straffen met een duur van meer dan een jaar om dubbele voorwaardelijke delen van een straf, proeftijden, bijzondere voorwaarden en herroepingsprocedures te voorkomen.
9. Mede gezien de (vele) overeenkomsten tussen voornoemde regelingen, kan ik geen reden vinden waarom hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald inzake de bevestiging/vernietiging van een vonnis door het hof en de gevolgen daarvan voor een in eerste aanleg genomen beslissing op een vordering TUL, niet zou gelden indien het een vordering herroeping VI betreft. Met andere woorden: indien het hof een vonnis slechts voor wat betreft de strafoplegging heeft vernietigd en voor het overige heeft bevestigd, valt onder het bevestigde gedeelte van het vonnis m.i. ook de beslissing op een vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof maakt zodoende de beslissing van de rechtbank op die vordering herroeping VI tot de zijne. Voor zover het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op de vordering herroeping VI faalt het dan ook reeds, nu die beslissing onder het door het hof bevestigde gedeelte van het vonnis valt.
10. Daarbij merk ik nog wel het volgende op. De Hoge Raad doet, zoals hiervoor besproken, de aanbeveling om in voorkomende gevallen alle aan de verdachte opgelegde straf(fen) en/of maatregelen in het dictum van het arrest te vermelden, waaronder dus ook de eventuele door het hof bevestigde beslissingen omtrent de vordering TUL/ herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling. Ik zou de Hoge Raad in overweging willen geven deze aanbeveling te heroverwegen voor wat betreft de weergave van de reeds in het vonnis bevestigde beslissingen in het dictum van een arrest. Daardoor kan immers verwarring ontstaan over de vraag wat nu precies door het hof is bevestigd.. Voor zover de aanbeveling beoogt onduidelijkheden in het executietraject te voorkomen, lijkt zij overbodig omdat het extract van het arrest dat in het executietraject wordt gebruikt steeds zowel de vernietigde als de bevestigde beslissingen bevat. Voor zover het gaat om duidelijkheid voor de procesdeelnemers, kan die worden geboden door elders in het arrest nauwkeurig aan te duiden welke beslissing wordt vernietigd. In het onderhavige geval had het hof bijvoorbeeld kunnen bepalen dat het hof het vonnis zal bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf en dat de overige beslissingen waaronder de beslissing op de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling worden bevestigd.
11. Het middel klaagt voorts dat het hof de algemeen geldende motiveringsverplichtingen niet heeft nageleefd, waardoor het arrest niet, althans niet zonder meer begrijpelijk is. Het hof heeft de gemotiveerde beslissing op de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling van de rechtbank tot de zijne gemaakt, dus voor zover het middel klaagt dat die beslissing in het geheel niet is gemotiveerd, mist het reeds feitelijke grondslag. Aan die motivering worden echter wel eisen gesteld. Ingevolge art. 15j, derde lid, Sr moet de beslissing van de rechtbank omtrent de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling met redenen zijn omkleed. Aan de hand van de omstandigheden van het geval dient de rechter te bepalen welke reactie op overtreding van een voorwaarde passend is. Hij is daarbij vrij in de keuze en de waardering van de factoren die voor zijn beslissing van belang zijn. Dit betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. Uit het door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank hieromtrent volgt dat overwogen wordt dat uit de bewezenverklaring van het vonnis blijkt dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit heeft begaan en aldus de algemene voorwaarde die aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling was verbonden heeft overtreden. In het door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank wijst het, in aanmerking genomen de aard en de ernst van het nieuwe feit, een lager gedeelte van het strafrestant toe dan de officier van justitie heeft gevorderd. In het licht van het voorgaande acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
12. Voorts meen ik dat, anders dan het middel stelt, de motiveringsvoorschriften van art. 359, vijfde en zesde lid, Sv niet van toepassing zijn bij de motivering van een beslissing inzake een vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling. De motiveringseisen voor een beslissing op een vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling zijn neergelegd in art. 15j, derde lid, Sr en ook uit de rechtspraak hieromtrent volgt niet dat aan andere eisen moet worden voldaan dan die van art. 15j, derde lid, Sr of – in het geval het een vordering TUL betreft – art. 14j, eerste lid, Sv. Ik meen dat de in art. 359, vijfde en zesde lid, Sv opgenomen motiveringsvoorschriften gelden voor de oplegging van de gevangenisstraf voor het strafbare feit waarvoor de veroordeelde thans voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Bij de beoordeling van de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wordt getoetst of bij het overtreden van een voorwaarde van de voorwaardelijke invrijheidstelling, het strafrestant van die reeds eerder opgelegde gevangenisstraf alsnog moet worden ondergaan. Zoals zojuist besproken, wordt de vraag welke reactie op de overtreding van zo een voorwaarde passend is, door de rechter beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Ook in zoverre faalt het middel.
13. Het middel faalt in al haar onderdelen.
14. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG