PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/00235
Zitting 2 juli 2019
CONCLUSIE
J. Silvis
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
‘De raadsman geeft als reden voor het hoger beroep:Het gaat om de strafmaat. De feiten hoeven we vandaag niet te behandelen.(…)De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak. Desgevraagd geven de raadsman en de advocaat-generaal aan verder geen prijs te stellen nadere voorhouding van stukken.(…)De raadsman voert het woord tot verdediging.Hij voert aan:Ik refereer mij ten aanzien van de bewezenverklaring (…)’
6. Hoewel (een verwijzing naar) de tekst van de tenlastelegging in zowel het vonnis van de politierechter als in het arrest inderdaad ontbreekt, doet dit bij deze stand van zaken geen afbreuk aan de belangen van de verdachte, terwijl voor de verdediging en Uw Raad controleerbaar is of de rechter zijn beslissingen op de grondslag van de tenlastelegging heeft genomen.
7. De klacht is inhoudelijk gegrond maar hoeft in mijn ogen niet tot cassatie te leiden.
8. De tweede sub-klacht van het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de bewezenverklaarde bedreiging (onder 2.) op 26 juli 2016 heeft plaatsgevonden en evenmin dat deze te [plaats] is gepleegd, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. De derde sub-klacht houdt ten aanzien van dit feit in dat het tweede bewijsmiddel inhoudt dat verdachte kennelijk soortgelijke uitlatingen (als jegens [slachtoffer] ) in de richting van [getuige] heeft gedaan, terwijl een eventuele bedreiging van [getuige] niet (en niet zonder nadere motivering) ten grondslag kan worden gelegd aan de bewezenverklaring van een bedreiging van [slachtoffer] , zodat het onder 2. bewezenverklaarde in strijd met het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv uitsluitend berust op de verklaring van [slachtoffer] . Deze klachten bespreek ik gezamenlijk.
9. Ten laste van de verdachte heeft de politierechter onder 2. bewezenverklaard dat:
‘hij op 26 juli 2016 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde slachtoffer dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak je dood!” en/of “Ik maak je af!” en/of “Ik neuk je vrouw in de kont!” en/of “Ik steek je kinderen in brand en hou er maar rekening mee dat ik langs kom vannacht!”.’
10. Voorts bevat het vonnis van de politierechter, voor zover van belang:
‘De politierechter bezigt tot bewijs ten aanzien van de feiten de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven:(…)Ten aanzien van feit 2
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 27 juli 2016, opgenomen op p. 45 e.v. van het dossier met nummer 2016319261 d.d. 21 november 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :
Ik hoorde vervolgens dat M’hammed tegen mij schreeuwde: “Ik maak je dood! Ik neuk je vrouw in de kont! Ik steek je kinderen in de brand en hou er maar rekening mee dat ik langs kom vannacht!” Ik was bang dat [verdachte] zijn bedreigingen waar zou maken.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 2 augustus 2016, opgenomen op p. 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige] :
Op het moment dat [verdachte] mij zag, keek hij mij aan en ik hoorde dat hij riep dat ik hem een kroegverbod had gegeven. ‘Goei volluk, jullie zijn kutvolk’, ik kom terug, ik maak je af, ik steek je kinderen in brand, ik neuk je vrouw in haar kont en vermoord ik.’ Of woorden van gelijke strekking. Ik schrok hiervan.
De politierechter overweegt dat het op basis van de feiten en omstandigheden waaronder de ten laste gelegde bedreigingen zijn gedaan, voldoende aannemelijk is dat hij aangever de reële vrees bestond dat verdachte deze bedreigingen zou realiseren.’
11. De Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter houdt voor zover van belang in:
‘Artikel 1De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de navolgende gegevens te bevatten:(…)in geval van bewezenverklaring:a. alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is zijn begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt); (…)’
12. In de weergave van de gebezigde bewijsmiddelen is geduid dat het gaat om een aangifte en een getuigenverklaring, opgenomen op een bepaalde pagina e.v. (en verder) in het politiedossier, terwijl telkens is weergegeven het gedeelte dat van de betreffende verklaring is gebruikt. De gebezigde bewijsmiddelen zoals weergegeven in het vonnis van de politierechter houden inderdaad geen tijd- en plaatsaanduiding in. De Hoge Raad heeft in HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960 onder meer overwogen:
‘2.4. Opmerking verdient dat in gevallen als het onderhavige waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering. In dergelijke gevallen zal zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO kunnen worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO.’
13. Uit het onderliggende politiedossier (p. 45 t/m 48) komt eenduidig naar voren dat het feit naar verklaring van [slachtoffer] en [getuige] , de echtgenote van [slachtoffer] , heeft plaatsgevonden op 26 juli 2016 te [plaats] en dat hetgeen [getuige] en [slachtoffer] verklaren ziet op dezelfde gebeurtenis, te weten hetgeen verdachte heeft gezegd in aanwezigheid van zowel [slachtoffer] als [getuige] . De gebezigde bewijsmiddelen kunnen in die zin verbeterd gelezen worden, terwijl een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden. Van strijd met art. 342 lid 2 Sv is geen sprake.
14. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden