ECLI:NL:PHR:2019:78

ECLI:NL:PHR:2019:78, Parket bij de Hoge Raad, 29-01-2019, 18/01096

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 29-01-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/01096
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:607
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG over toegang van slachtoffers tot zitting in strafzaak tegen minderjarige in de zin van van art. 495b, eerste lid, Sv in geval verschillende feiten in één dagvaarding zijn opgenomen.

Uitspraak

4. Algemene beschouwingen

Met de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van onder meer het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces in 2011, werd het recht van slachtoffers of nabestaanden om de behandeling van de strafzaak tegen de minderjarige verdachte ter zitting bij te wonen in de wet verankerd. Art. 495b, eerste lid, Sv luidt als volgt:

“De zaak wordt achter gesloten deuren behandeld. De voorzitter van de rechtbank kan tot bijwoning van de besloten terechtzitting bijzondere toegang verlenen. Aan het slachtoffer of de nabestaanden van het slachtoffer wordt toegang verleend, tenzij de voorzitter wegens bijzondere redenen anders beslist.”

Uitgangspunt is de behandeling van de zaak tegen de minderjarige achter gesloten deuren. Aan de orde is de vraag hoe ver de aan het slachtoffer ‘verleende toegang’ tot het bijwonen van de behandeling van de zaak strekt. Het antwoord op die vraag hangt af van de uitleg van het begrip ‘zaak’. Het verlenen van toegang aan het slachtoffer of aan nabestaanden van het slachtoffer vindt immers plaats in het kader van de terechtzitting in de ‘zaak’, zoals bedoeld in het eerste lid van art. 495b Sv. De term ‘zaak’ wordt in het Wetboek van Strafvordering in de context van de terechtzitting op verschillende plaatsen gebruikt. Art. 258, eerste lid, Sv regelt het aanhangig maken van ‘de zaak’ ter terechtzitting. Art. 591a Sv bevat een regeling voor de vergoeding van kosten en schade in gevallen waarin ‘de zaak’ eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr. De Hoge Raad heeft in de rechtspraak ervan blijk gegeven sterk te hechten aan de wetssystematiek, in die zin dat het begrip ‘zaak’ in de artikelen 258 en 591a Sv op eenvormige wijze wordt uitgelegd. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 14 november 1989, NJ 1990/274 in dit verband:

“4.1

Het middel noopt tot beantwoording van de vraag wat in het bepaalde bij het eerste en het tweede lid van art. 591a Sv dient te worden verstaan onder ‘de zaak’ en mitsdien wanneer is voldaan aan de in die bepalingen voor de vaststelling van een vergoeding gestelde voorwaarde uitgedrukt in de woorden: ‘Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel (…)’.

4.2

Uit het oogpunt van wetssystematiek kan in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden aan de woorden ‘de zaak’ in de zinsnede ‘Indien de zaak eindigt ...’ geen andere betekenis worden toegekend dan daaraan toekomt in het bepaalde bij het eerste lid van art. 258 Sv, handelende over het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting, luidende:

‘De zaak wordt ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een dagvaarding vanwege de OvJ aan de verdachte betekend; het rechtsgeding neemt hierdoor een aanvang.’

4.3

Op grond van deze bewoordingen moet worden aangenomen dat in het eerste lid van art. 258 Sv onder ‘de zaak’ moet worden verstaan al datgene waarop het rechtsgeding betrekking heeft.

4.4

Het vorenoverwogene brengt mee dat in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad de term ‘de zaak’ in art. 591a eerste en tweede lid Sv dan ook de betekenis heeft van ‘al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had’. De grenzen daarvan zijn vastgelegd in hetgeen bij inleidende dagvaarding aan de verdachte is ten laste gelegd, zij het dat deze grenzen nadien nader kunnen worden bepaald door wijziging der telastelegging op de voet van de art. 313–314a Sv en/of voeging onderscheidenlijk splitsing op de voet van art. 276 Sv.”

Bij arrest van 8 mei 2001, NJ 2001/508 bevestigde de Hoge Raad deze koers. De Hoge Raad achtte geen grond aanwezig om de uitleg die in het arrest van 14 november 1989 aan de term ‘zaak’ in art. 591a, eerst en tweede lid, Sv was gegeven te heroverwegen. De Hoge Raad wijst daarbij opnieuw op de wetssystematiek waaraan de redengeving van die uitleg is ontleend. De Raad overweegt dat het Wetboek van Strafvordering met de term ‘zaak’ in het algemeen het oog heeft op een strafvervolging van een persoon ter zake van één of meer strafbare feiten. Tekst of strekking van afzonderlijke bepalingen kunnen nopen tot een andere uitleg, maar dat is ten aanzien van art. 591a, eerste en tweede lid Sv, niet het geval. In verband met de uitleg van art. 525, aanhef en onder 1, Sv, heeft de Hoge Raad evenzeer de wetssystematiek als leidend aangemerkt en geoordeeld dat dat doel en strekking van de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt niet meebrengen dat aan het begrip 'zaak' in die bepaling een betekenis zou moeten worden toegekend die afwijkt van die welke dat begrip in andere bepalingen van dat Wetboek heeft.

Uit een oogpunt van wetssystematiek ligt het in het licht van het bovenstaande in de rede aan te nemen dat het begrip ‘zaak’ in art. 495b, eerste lid, Sv op dezelfde wijze wordt uitgelegd als elders in het Wetboek van Strafvordering, te weten als al datgene waarop het rechtsgeding betrekking heeft. Dat zou betekenen dat in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van voeging van meer feiten tegen dezelfde verdachte, de zaak niet is beperkt tot één van de in de tenlastelegging genoemde feiten. Dat zou slechts anders kunnen zijn in geval doel en strekking van de desbetreffende regeling meebrengen dat van een meer beperkte uitleg moet worden uitgegaan. Over dat laatste is verschil van mening denkbaar. Aangenomen kan worden dat de derde volzin van art. 495b, eerste lid, Sv zijn grond vindt in het belang dat de betrokkene heeft bij de afdoening van het feit waarvan hij of zij volgens de tenlastelegging slachtoffer is geworden. Die strekking brengt niet mee dat degene die zich als slachtoffer heeft gemeld ook kennis kan nemen van de behandeling van andere feiten. Daar staat echter tegenover dat noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de wet een aanwijzing bevat dat de wetgever in dit verband een andere uitleg aan het begrip ‘zaak’ heeft voorgestaan dan elders in het wetboek. Ik merk daarover nog het volgende op.

De parlementaire geschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor de stelling dat de wetgever in art. 495b, eerste lid, Sv een ander zaaksbegrip hanteert dan elders in het wetboek dan wel dat het recht op toegang van het slachtoffer slechts een deel van de behandeling van de zaak betreft. De memorie van toelichting houdt niet meer in dan dat de toevoeging van de derde volzin aan art. 495b Sv ertoe strekt:

“(…) te verzekeren dat in het jeugdstrafprocesrecht, waar de zitting in beginsel besloten is, het slachtoffer de behandeling van de zaak tegen de minderjarige als regel kan bijwonen. De Raad van State heeft in zijn advies voor dit aspect aandacht gevraagd. Daarmee wordt de positie van het slachtoffer gelijk getrokken met die in het volwassenenstrafrecht: hij mag aanwezig zijn, tenzij er bijzondere redenen zijn die daaraan in de weg staan. De rechtbank beoordeelt dit.”

3 Illustratief is het advies van de NVvR”

Het in de memorie van toelichting bedoelde advies van de Raad van State houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“12. Volgens de memorie van toelichting is geen recht op het bijwonen van een

Strafzaak door het slachtoffer opgenomen, omdat vrijwel alle zittingen

openbaar zijn en de voorzitter bijzondere toegang kan verlenen.

De Raad merkt op dat zittingen betreffende jeugdige personen in beginsel achter gesloten deuren worden behandeld, maar dat de voorzitter van de rechtbank bijzondere toegang kan verlenen (artikel 495b, eerste lid, Sv). Deze regeling is mede ingegeven door artikel 40 tweede lid, sub vii, van het Verdrag inzake de rechten van het kind dat voorschrijft dat in een strafproces de persoonlijke levenssfeer van een kind in alle fasen volledig wordt ontzien. Naar het oordeel van de Raad is de bijzondere toegang die kan worden verleend aan het slachtoffer nogal mager. Bovendien blijkt de toegang van slachtoffers tot kinderstrafzittingen in de praktijk een probleem. Ten slotte volgt uit de rechtspraak over het recht op een openbare behandeling van artikel 6 van het

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dat een generieke uitzondering op de voorgeschreven openbaarheid van strafzittingen ontoelaatbaar is. Gelet hierop geeft de Raad in overweging om in jeugdstrafzaken de aanwezigheid van het slachtoffer ter zitting als regel voorop te stellen.

12. De Raad merkt op dat er reden is voor een duidelijker regeling van het

slachtoffer in jeugdstrafzaken die immers een besloten karakter hebben. Bij

nadere beschouwing – ook van het advies van de Nederlandse Vereniging voor

Rechtspraakwaar de Raad op wijst –, is artikel 495b aangevuld.

Uit de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis volgt niet dat de toegang van het slachtoffer tot de terechtzitting beperkt moet blijven tot één of meer onderdelen van de behandeling van de zaak. De tekst van de wet alsook de opmerking in de memorie van toelichting dat met de aanvulling van art. 495a, eerste lid, Sv wordt beoogd “de positie van het slachtoffer [gelijk te trekken] met die in het volwassenenstrafrecht”, duiden erop dat het slachtoffer de gehele behandeling van de zaak ter zitting mag bijwonen, tenzij de voorzitter wegens bijzondere redenen anders beslist.

Een ruime opvatting ten aanzien van de toegang van het slachtoffer tot de terechtzitting heeft haar keerzijde. Daarmee is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte in de regel niet gediend. Overigens is dit belang ook in het geding als het zaaksbegrip beperkter wordt uitgelegd. Uit Beijerse en Bouw wijzen in dit verband op de omstandigheid dat in de huidige regeling geen onderscheid wordt gemaakt tussen de behandeling van de feiten en van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, terwijl de persoonlijke levenssfeer van de verdachte bij de bespreking van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte nadrukkelijk in het geding zijn. Dat geldt ook als slechts één feit is ten laste gelegd.

De vraag rijst of Europese regelgeving dwingt tot een beperkte toegang tot de terechtzitting. Uit Beijerse en Bouw zijn meer in het algemeen van mening dat de ruime wijze waarop slachtoffers toegang hebben gekregen tot jeugdstrafzittingen op gespannen voet staat met onder meer het voorstel voor een Europese richtlijn inhoudende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure.

Het door Uit Beijerse en Bouw bedoelde voorstel voor een richtlijn hield aanvankelijk in dat jeugdzaken achter gesloten deuren dienen te worden behandeld en dat de rechter in uitzonderlijke gevallen, met inachtneming van het belang van het kind, kan beslissen dat een zitting openbaar is. De voorgeschreven verplichte beslotenheid van jeugdstrafzittingen is echter niet behouden gebleven in de nadien verschenen versies van de voorgestelde richtlijn. De uiteindelijke tekst van de “Richtlijn EU 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure” is als volgt komen te luiden:

“(56) Taking into account the differences between the legal traditions and systems across the Member States, the privacy of children during criminal proceedings should be ensured in the best possible way with a view, inter alia, to facilitating the reintegration of children into society. Member States should provide that court hearings involving children are usually held in the absence of the public, or allow courts or judges to decide to hold such hearings in the absence of the public. This is without prejudice to judgments being pronounced publicly in accordance with Article 6 ECHR.

(…)

Article 14

Right to protection of privacy

1. Member States shall ensure that the privacy of children during criminal proceedings is protected.

2. To that end, Member States shall either provide that court hearings involving children are usually held in the absence of the public, or allow courts or judges to decide to hold such hearings in the absence of the public.

3. Member States shall take appropriate measures to ensure that the records referred to in Article 9 are not publicly disseminated.

4. Member States shall, while respecting freedom of expression and information, and freedom and pluralism of the media, encourage the media to take self-regulatory measures in order to achieve the objectives set out in this Article.”

Aldus is het aan de lidstaten overgelaten om hetzij te bepalen dat zittingen waarbij kinderen betrokken zijn in de regel achter gesloten deuren plaatsvinden, hetzij de rechter de mogelijkheid te bieden te besluiten dat de behandeling van dit soort zaken achter gesloten deuren plaatsvindt. De door de wetgever voor slachtoffers en nabestaanden getroffen voorziening lijkt mij als zodanig niet onverenigbaar met de minimumstandaarden die de Richtlijn geeft voor de behandeling van strafzaken tegen verdachten onder de achttien jaar. Hetzelfde geldt voor de doelstellingen van de Richtlijn, te weten het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van kinderen die betrokken zijn in strafrechtelijke procedures en het bevorderen van hun sociale re-integratie.

Ook art. 40, tweede lid, onder b (vii) van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 107), dat bepaalt dat ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit het recht heeft dat zijn of haar privéleven volledig wordt geëerbiedigd tijdens alle stadia van het proces, staat volgens de Hoge Raad als zodanig niet in de weg aan een openbare behandeling. De Hoge Raad kwam tot dat oordeel in een Caribische zaak tegen een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar had bereikt. Die conclusie zal a fortiori gelden voor een zaak waarbij wel een behandeling met gesloten deuren plaatsvindt, maar waarin aan het slachtoffer toegang wordt verleend.

Ik merk hierbij terzijde op dat de situatie van voeging moet worden onderscheiden van gevallen van gelijktijdige behandeling van verschillende zaken, zoals het bij rechtbanken bekende fenomeen van ‘combizittingen’. Op een combizitting worden verschillende soorten jeugdzaken ten aanzien van één jeugdige op één zitting behandeld. Te denken valt aan een jeugdbeschermingszaak, een jeugdstrafzaak en een leerplichtzaak. Ook in dat verband rijzen complicaties ten aanzien van de aanwezigheid van anderen dan de jeugdige, die ik verder zal laten rusten.

Ik kom tot een afronding. Met art. 495b, eerste lid derde volzin, Sv heeft de wetgever een evenwicht proberen te creëren tussen de bescherming van de belangen van de minderjarige verdachte, in het bijzonder de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, aan de ene kant en het belang dat het slachtoffer heeft bij het bijwonen van de zaak aan de andere kant. Daarbij is wel het accent gelegd op het recht op aanwezigheid van het slachtoffer of nabestaanden, op gelijke voet als in het volwassenenstrafrecht. Nu ook de wetssystematiek een sterke aanwijzing vormt dat het begrip ‘zaak’ moet worden uitgelegd als al hetgeen waarop het rechtsgeding betrekking heeft, lijkt mij het uitgangspunt te zijn dat in geval van gevoegde behandeling de wettelijke regeling geen beperking behelst van het recht op toegang van het slachtoffer of nabestaanden tot slechts een deel van de behandeling van de feiten. Voor deze benadering is ook een argument te vinden in het belang van een doelmatige en efficiënte behandeling van de strafzaken ter zitting, dat zich niet altijd zal verhouden met een strikte splitsing zoals door de steller van het middel wordt voorgestaan. Het komt mij voor dat de wettelijke regeling de voorzitter een grote mate van vrijheid laat bij het zoeken naar een aanvaardbaar evenwicht tussen het respecteren van de belangen van het slachtoffer of nabestaanden en van de jeugdige verdachte. Dat is niet anders in geval één feit op de tenlastelegging staat. Ook dan kan in voorkomende gevallen worden besloten het slachtoffer geen toegang te verlenen tot dat deel van de terechtzitting waarin privacygevoelige persoonlijke omstandigheden van de minderjarige verdachte worden besproken. Ook de omstandigheid dat andere feiten aan de orde zijn, waarbij het slachtoffer niet betrokken is geweest, zou in voorkomende gevallen als een bijzondere reden als bedoeld in art. 495b, eerste lid derde volzin, Sv kunnen worden aangemerkt die ten grondslag wordt gelegd aan de beslissing van de voorzitter het slachtoffer of nabestaanden in zoverre geen toegang tot bijwoning van de besloten terechtzitting te verlenen.

Voor zover het middel de rechtsklacht bevat dat het hof in strijd met art. 495b Sv de slachtoffers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] toegang heeft verleend tot de behandeling van de feiten 2 en 6 ter zitting, berust het middel in het licht van het bovenstaande op een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt.

5. Het tweede middel

Het tweede middel komt met motiveringsklachten op tegen de onder 2 bewezen verklaarde belediging van verbalisant [verbalisant] .

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 04 februari 2016 te Rotterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant] , aspirant van Politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem meermalen de woorden toe. te voegen: "Kankerhomo”.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2017 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde verklaar ik dat ik op 4 februari 2016 wegrende. Een agent rende achter mij aan en stopte mij op een pleintje. Hij hield mij onmiddellijk aan en deed de handboeien om. Ik heb op het pleintje tegen de agent gezegd dat de handboeien te strak zaten. Ik zei dit heel luid. Ik heb naar hem geschreeuwd. Ik heb mijn stem daarbij verheven. Als ik boos ben dan laat ik ook echt zien dat ik boos ben.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 7 februari 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016041744-32. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 25):

als de op 7 februari 2016 afgelegde verklaring van [verbalisant] :

Feit: Belediging

Plaats delict: [b-straat] , [postcode] Rotterdam

Ik doe aangifte van belediging. De belediging vond plaats op donderdag 4 februari 2016, omstreeks 16:45 uur.

Voor mijn verklaring verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen voorzien van nummer 2016041744-33.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016041744-33. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 27) als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op donderdag 4 februari 2016, omstreeks 16.45 uur, liep ik, verbalisant [verbalisant] , aspirant van politie Eenheid Rotterdam met [verdachte] , welke ik zojuist had aangehouden terzake van gekwalificeerde diefstal, over de 2e Middellandstraat te Rotterdam. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei: "kanker homo". Ik zag dat er op dat moment minimaal twintig personen om ons heen stonden. Ik hoorde en zag dat deze personen lachten. Ik hoorde dat [verdachte] mij vervolgens nogmaals uitschold voor "kanker homo". Ik voelde mij beide keren in mijn eer en goede naam aangetast.”

Ten eerste bevat het middel de klacht dat het hof zonder opgave van redenen is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdediging heeft ingenomen ten aanzien van de uiteenlopende verklaringen van de verdachte en de verbalisant.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn pleitnotities. Uit de pleitnotities van de raadsman volgt dat hij het standpunt heeft ingenomen dat het hof minder bewijswaarde moet hechten aan de verklaringen van de verbalisant dan de rechtbank heeft gedaan, “te meer” omdat hij zelf bij het feit is betrokken en de verdachte ontkent “kankerhomo” te hebben geroepen naar de verbalisant.

Het aangevoerde noopte het hof niet tot een nadere motivering, ook niet in het licht van het bepaalde in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Daarbij moet worden bedacht dat het betoog kennelijk is gestoeld op een onjuiste opvatting ten aanzien van de bewijskracht van processen-verbaal van opsporingsambtenaren jegens wie het ten laste gelegde feit zou zijn begaan, terwijl het hof het aangevoerde voor het overige niet hoefde aan te merken als een duidelijk, door argumenten geschraagd standpunt dat van een ondubbelzinnige conclusie is voorzien. Het middel faalt in zoverre.

Het middel bevat voorts de klacht dat het hof de als bewijsmiddel gebruikte, ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van de verdachte heeft gedenatureerd. De verdachte heeft aldaar onder meer verklaard: “ik heb naar hem geschreeuwd, maar ik heb hem geen 'kankerhomo' genoemd”.

Het hof heeft kennelijk geen geloof gehecht aan het laatste deel van de verklaring. Het hof kon deze zinsnede weglaten zonder de verklaring te denatureren. Het hof kon voor het bewijs van de onder 2 ten laste gelegde belediging redengevend achten dat de verdachte naar de verbalisant heeft geschreeuwd.

Het middel faalt.

6. Het derde middel

Het derde middel behelst de klacht dat het hof de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de aangevers [betrokkene 2] en [B] met daarbij de toepassing van vervangende hechtenis ontoereikend heeft gemotiveerd.

Het hof heeft schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Art. 77a Sr verklaart art. 36f buiten toepassing. De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het jeugdstrafrecht is mogelijk op grond art. 77h, eerste lid, onder e, Sr. Art. 24c, inzake de vervangende hechtenis, is bij art. 77a Sr niet van toepassing in geval het strafrecht voor jeugdigen wordt toegepast, terwijl een bijzondere bepaling in titel VIII ter zake ontbreekt. Bij een Reparatiewet (Stb. 1999, 30) is art. 36f, (thans) achtste lid, als volgt komen te luiden:

"De artikelen 24c en 77l, tweede tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft."

Daardoor is de bijzondere situatie ontstaan dat art. 77a Sr aan de ene kant art. 36f Sr van toepassing op het strafrecht voor jeugdigen uitsluit, terwijl art. 36f, achtste lid, Sr mede op het jeugdstrafrecht is toegesneden.

Het bestreden arrest houdt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [B] het volgende in:

“Vordering tot schadevergoeding [betrokkene 1]

In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade tot een bedrag van € 21.000,00 en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 500,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 9.640,00 aan materiële schade is geleden, bestaande uit:

kosten Peter Poussenier ketting diamant: € 9.241,00

kosten ZAZARE ketting diamant: € 249,00

1 set Chanel oorbellen (gemiddelde prijs) € 150,00

Totaal: € 9.640,00

Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 4 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

(…)

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 9.640,00. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof zal derhalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Aangezien er in het kader van de schadevergoedingsmaatregel voldoende verhaalsmogelijkheden zijn ziet het hof -gezien de hoogte van dit bedrag- af van het opleggen van vervangende jeugddetentie.

Vordering tot schadevergoeding [betrokkene 2]

In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 405,63 aan materiële schade is geleden, bestaande uit:

kosten deurslot: € 55,63

contant geld: € 150,00

schade aan meubelen (naar billijkheid): € 200,00

totaal: € 405,63

Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 4 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

(…)

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 2] .

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 405,63. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof zal derhalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

(…)

Vordering tot schadevergoeding [B]

In het onderhavige strafproces heeft [B] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 6 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 993,63.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij overeenkomstig het vonnis waarvan beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat, gelet op de braaksporen van eerdere inbraken via hetzelfde raam, naar billijkheid tot een bedrag van € 273,73 (1/3 van het bruto bedrag) aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

(…)

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [B]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 273,73. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof zal derhalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen.”

De steller van het middel voert terecht aan dat het hof bij de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van [betrokkene 2] en [B] vervangende hechtenis in plaats van vervangende jeugddetentie heeft opgelegd. Ingevolge art. 36f, achtste lid, zal het hof het oog hebben gehad op vervangende jeugddetentie. Het arrest kan in zoverre verbeterd worden gelezen.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdediging het hof heeft verzocht om geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, althans de vorderingen niet geheel toe te wijzen. De raadsman wees daarbij op de hoogte van de vorderingen. Nu de verdachte die bedragen niet zou kunnen betalen, zou dat resulteren in de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis. De oplegging van een schadevergoedingsmaatregel zou volgens de raadsman aldus het traject dat de verdachte volgt doorkruisen.

Het hof heeft in de hoogte van het aan [betrokkene 1] te vergoeden schadebedrag (€ 9.640,00), aanleiding gevonden om af te zien van vervangende jeugddetentie bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van deze benadeelde partij.

Het hof heeft wel vervangende jeugddetentie verbonden aan de beduidend lagere schadebedragen die de verdachte aan [betrokkene 2] en [B] dient te vergoeden (€ 405,63 respectievelijk € 273,73). Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging juist de hoogte van de gevorderde schadevergoeding aan de orde heeft gesteld, terwijl daarmee klaarblijkelijk was gedoeld op de door [betrokkene 1] gevorderde schade en niet op de veel lagere bedragen die betrekking hebben op [betrokkene 2] en [B] . Daarbij komt dat de verdediging haar pijlen richtte op schadevergoedingsmaatregelen tot een hoog bedrag en niet als zodanig op de daaraan verbonden vervangende jeugddetentie. Tot een nadere motivering van de opgelegde vervangende jeugddetentie was het hof niet gehouden.

Het middel faalt.

7. De middelen falen. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de overweging die is ontleend aan art. 81, eerste lid, RO.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl FJR 2020/37.3
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?