ECLI:NL:PHR:2019:849

ECLI:NL:PHR:2019:849, Parket bij de Hoge Raad, 03-09-2019, 18/02508

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-09-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/02508
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:1807
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Art. 417bis Sr. Schuldheling. Falende klacht over de aangenomen onderzoeksplicht die op de verdachte rustte naar de herkomst van een caravan. Strekt tot verwerping.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02508

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

“hij op 12 februari 2015 in Nederland een goed, te weten een caravan, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven van dit goed redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

6. Met betrekking tot de onderzoekplicht waarop het middel betrekking heeft, houden de bewijsoverwegingen van het hof het volgende in:

“De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen deskundige is op het gebied van caravans en dat hij op basis van vertrouwen in een vriend heeft gehandeld en dat daarom geen sprake is van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 12 februari 2015 een nog geen 2 jaar oude caravan heeft gekocht die van diefstal afkomstig bleek te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij van een man van wie hij de naam niet wil noemen een adres had gekregen om een caravan te kopen voor € 8.000,00. Hij mocht de caravan meenemen na een aanbetaling van € 500,00, heeft ter zake geen contract en heeft ook geen afspraken gemaakt over afbetaling van het overige bedrag. Ook is van de aankoop van de caravan geen factuur of kwitantie. De papieren die bij de caravan hoorden zou hij nog krijgen.

Het hof is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de caravan van diefstal afkomstig was. Door op een dergelijk zeer ongebruikelijke wijze een relatief nieuwe caravan met een aanzienlijke waarde voor een relatief lage prijs van een hem tot dan onbekend persoon te kopen, is naar het oordeel van het hof sprake van bezwarende omstandigheden, ook voor iemand die mogelijk weinig kennis heeft van caravans. Verdachte had naar het oordeel van het hof onder die omstandigheden nader onderzoek naar de herkomst van de caravan moeten doen, te meer nu hij ook geen kentekenplaten van de caravan ontving. Verdachte heeft bij de politie zelf ook verklaard dat hij wellicht impulsief heeft gehandeld en er niet zo bij heeft stilgestaan dat hij bij de aanschaf van de caravan geen papieren meekreeg. Bij enig nadenken, wat van verdachte gelet op voornoemde omstandigheden mocht worden gevergd, had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de caravan een door misdrijf verkregen goed betrof.

Door dit niet te doen is verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.”

7. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging vastgesteld dat:

a) de verdachte een nog geen twee jaar oude caravan heeft gekocht voor een prijs van € 8.000, terwijl de caravan een veel hogere waarde had;

b) de verdachte de verkoper vooraf niet kende;

c) de verdachte, zonder dat hij een contract had of dat er afspraken met de verkoper waren gemaakt over de verdere afbetaling, de caravan mocht meenemen na een aanbetaling van € 500;

d) van de aankoop geen factuur of kwitantie is;

e) de verdachte pas later de papieren die bij de caravan hoorden, zou verkrijgen, en

f) de verdachte van de verkoper geen kentekenplaten van de caravan ontving.

8. Op grond van voormelde vaststellingen heeft het hof aangenomen dat op de verdachte de plicht rustte onderzoek te doen naar de herkomst van de caravan.

9. Tegen de motivering die het hof aan de onderzoekplicht ten grondslag heeft gelegd, wordt door de steller van het middel aangevoerd dat “van een caravan die in 2014 is ontvreemd en waarvan uit de bewijsmiddelen niet blijkt wat de staat van onderhoud is, [niet], althans niet zonder meer, [kan] worden gesteld dat in 2015 een verkoopprijs van € 8.000,-- dusdanig aanzienlijk lager is [dan] de marktwaarde, dat verdachte ten tijde van het verwerven/voorhanden krijgen van de caravan redelijkerwijs moest vermoeden dat de caravan door misdrijf was verkregen. Dit klemt te meer nu het hof ook heeft vastgesteld dat de caravan opgehaald is vanaf een locatie waarop meerdere kampeerwagens waren gestald.”

10. Het hof heeft door de verklaring van de bestolen eigenaar van de caravan voor het bewijs te gebruiken (bewijsmiddel onder 1) de waarde van de caravan ten tijde van de diefstal vastgesteld op € 22.000. In de kern wordt geklaagd dat deze vaststelling onbegrijpelijk is omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen “niet blijkt wat de staat van onderhoud is”. In cassatie kan niet worden onderzocht of het hof terecht de door de eigenaar opgegeven waarde van de caravan voor het bewijs heeft gebruikt. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat de waardebepaling niet onbegrijpelijk is aangezien de caravan ongeveer een jaar oud en dus relatief nieuw was en ter terechtzitting van het hof niets is aangevoerd over de mogelijk slechte staat van onderhoud van de caravan die de waarde van de caravan aanmerkelijk zou verminderen. Ook ligt het niet voor de hand dat de caravan in deze betrekkelijk korte tijd zo slecht is onderhouden dat dit tot een aanmerkelijke waardevermindering zou hebben geleid. Het oordeel van het hof met betrekking tot de “relatief lage prijs” die de verdachte voor de caravan heeft betaald gelet op de “aanzienlijke waarde” die het hof aan de caravan heeft toegekend, acht ik niet onbegrijpelijk en dus ook geschikt als feit en omstandigheid waarop het hof de onderzoekplicht van de verdachte naar de herkomst van de caravan mede heeft gebaseerd.

11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?