ECLI:NL:PHR:2019:85

ECLI:NL:PHR:2019:85, Parket bij de Hoge Raad, 29-01-2019, 17/03628

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 29-01-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/03628
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:660
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0004825 BWBR0006622 BWBR0025357

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Art. 6 WVW 1994 en art. 43 Sr. Cassatieberoep ingesteld onder codenummer. Ontvankelijk? Verdachte is werkzaam binnen AOT. Verkeersongeval met dodelijke afloop terwijl de verdachte in colonne reedt. Sprake van schuld in de zin van aanmerkelijke onvoorzichtigheid o.g.v. art. 6 WVW 1994? Verweer bevoegd gegeven ambtelijk bevel terecht en voldoende gemotiveerd verworpen? Strekt tot verwerping.

Uitspraak

“c. Meer subsidiair: ambtelijk bevel

146. Meer subsidiair geldt dat in casu ex art. 43 Sr sprake was van een bevoegd gegeven ambtelijk bevel. Op pagina’s 53 t/m 55 is toegelicht dat aan de vereisten daarvoor is voldaan. Op de wijze van uitvoering van het bevel ligt in dit verweer de nadruk.

147. Daarbij is in het voorgaande al uitgebreid stil gestaan. De conclusie luidt andermaal dat cliënt binnen het voor hem geldende normenkader zorgvuldig heeft gehandeld en daarmee heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Vanwege een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond ‘bevoegd gegeven ambtelijk bevel’, dient primair vrijspraak te volgen en subsidiair ontslag van rechtsvervolging.

(…)

Ambtelijk bevel

176. Dat brengt mij bij de lezing van het OM van het door mij meer subsidiair gevoerde verweer dat ziet op het bevoegd gegeven ambtelijk bevel (pagina 52 van de pleitnota). Ter weerlegging van dit verweer constateert de rechtbank dat leden van een AOT steeds verantwoordelijk zijn voor hun eigen beslissingen en rijgedrag ( pagina 10 van het bestreden vonnis). Hiermee miskent de rechtbank volgens het OM dat de verantwoordelijkheid c.q. verwijtbaarheid in dit geval (mede) dient te worden ingevuld aan de hand van de bijzondere taak van verbalisant [verdachte] , het spoedeisende karakter van zijn inzet, zijn opleiding, training en ervaring, alsmede de door AOT's gehanteerde procedures en de gevraagde werkwijze.

177. Wat er ook zij van de eigen verantwoordelijkheid van [verdachte] . Hij was in redelijkheid bevoegd - en gehouden (!) - om af te wijken van de normen in de Brancherichtlijn.”

29. Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen:

“Zoals verdachte heeft verklaard had hij te allen tijde een eigen beslissingsruimte om te reageren op situaties waar op gereageerd moet worden, ook als in een treintje werd gereden. En hij had binnen het kader van de gegeven opdracht ook de plicht daartoe. Hij heeft die ruimte ten onrechte niet benut terwijl de plaatselijke verkeerssituatie daartoe noopte.

Anders dan aangevoerd door het openbaar ministerie en/of de raadsman doet de omstandigheid dat in een treintje/colonne werd gereden, gelet op het hiervoor overwogene, niet af aan de bewezenverklaarde aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

Dit geldt ook voor de aangevoerde omstandigheid dat de kruising door de sectiecommandant werd geblokt, nog daargelaten dat door verdachte is verklaard dat blokken slechts een signaalfunctie heeft en niet geschikt is om een kruising af te dichten voor ander verkeer. Daarop heeft hij dus niet kunnen vertrouwen en ook niet vertrouwd.

Om dezelfde reden verwerpt het hof ook het verweer inhoudende dat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van het bevoegd gegeven ambtelijk gegeven bevel.”

30. De toelichting op het middel gaat ervan uit dat het oordeel van het hof berust op de kennelijke gedachte dat de verdachte bij het naderen van het kruispunt, vanwege de verkeerssituatie ter plaatse, de mogelijkheid en zelfs de plicht had om af te wijken van de bevolen wijze van rijden in een trein/colonne. Door dat niet te doen zou de verdachte volgens het hof disproportioneel hebben gehandeld, aldus de toelichting op het middel. Die redenering wordt niet juist en ook niet begrijpelijk geacht.

31. Het arrest van het hof lees ik anders en wel aldus dat de verwerping van het verweer inhoudende dat de verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van een bevoegd ambtelijk bevel door het hof is gegrond op de omstandigheid dat de verdachte “te allen tijde een eigen beslissingsruimte [had] om te reageren op situaties waar op gereageerd moet worden, ook als in een treintje werd gereden.” Het hof gaat er daarbij vanuit dat hij niet alleen deze eigen beslissingsruimte had, maar gelet op de gegeven opdracht [mede inhoudende zo veilig mogelijk te rijden] ook de plicht deze beslissingsruimte te gebruiken. Het disproportionele handelen van de verdachte bestond niet uit het blijven rijden in de trein/colonne, zoals verondersteld door de steller van het middel, maar uit de relatief hoge snelheid waarmee de verdachte over de kruising heeft gereden. Dit oordeel acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk.

32. Het middel faalt.

33. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in cassatie is overschreden.

34. De verdachte heeft op 5 april 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 25 april 2018 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden, met ruim vier maanden, is overschreden. In zoverre slaagt het middel.

35. De geconstateerde overschrijding behoeft, gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van minder dan 100 uren, niet te leiden tot strafvermindering. De Hoge Raad kan volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

36. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering. Het derde middel is weliswaar terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.

37. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

38. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad kan bepalen dat de verdachte vanwege zijn afgeschermde status kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep dat onder codenummer is ingesteld en dat de Hoge Raad kan volstaan met de vaststelling dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Jwr 2019/14 met annotatie van Eekelen, C.J. van
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?