Het middel klaagt dat het hof geen beslissing heeft gegeven ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen hond, althans dat niet duidelijk is welke beslissing dat is geweest.
Het onder 2 bewezenverklaarde feit betreft een overtreding van art. 2.1 lid 1 Wet dieren: de verdachte mishandelde zijn eigen hond. De rechtbank verklaarde die inbeslaggenomen en aan de verdachte toebehorende hond verbeurd nu dit feit met betrekking tot die hond was begaan. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt mede:
De hond van verdachte is door de rechtbank verbeurd verklaard. Verdachte wil zijn hond graag terug. Leeft de hond nog?
De advocaat-generaal deelt mede:
Waarschijnlijk is de hond afgemaakt. Ik weet het niet zeker. Ik kan alleen in het systeem zien dat de ‘vervreemding is afgerond’.
De raadsvrouwe deelt mede:
Ik heb destijds begrepen dat het bedoeling was dat de hond van cliënt eerst naar het asiel zou worden gebracht en dat de hond dan van daaruit geadopteerd zou worden. Dat was althans de bedoeling toen. De hond is zelfs nog geopereerd. Dat is het laatste wat ik heb vernomen. Op de vorige zitting bestond hierover ook al onduidelijkheid. U, advocaat-generaal, deelt mede dat de hond niet meer voor teruggave beschikbaar is. Is ook niet bekend waar de hond naartoe is gegaan?
De voorzitter deelt mede dat dit niet uit de stukken volgt.”
De advocaat-generaal vorderde onder meer de verbeurdverklaring van de hond. De raadsvrouw van de verdachte ging in haar pleidooi niet in op de beslissing die het hof ten aanzien van de hond zou moeten nemen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging en deed in zoverre opnieuw recht. Het haalde als toepasselijke wetsartikelen onder meer de artikelen 33 en 33a Sr aan. In het arrest komt een beslissing tot verbeurdverklaring van de hond echter niet voor. Ook een beslissing ex art. 415 jo. 353 Sv ontbreekt.
Ik stel voorop dat, als de hond op de voet van art. 117 Sv is vervreemd, dit noch aan verbeurdverklaring, noch aan een bevel tot teruggave in de weg staat. Het hof was dus, ook als het op grond van de mededelingen van de advocaat-generaal van oordeel is geweest dat de vervreemding van de hond was ‘afgerond’, nog steeds gehouden een beslissing te geven over de inbeslaggenomen hond.
Het is mijns inziens, anders dan de stellers van het middel voor mogelijk houden, niet aan twijfel onderhevig dat het hof de hond niet heeft verbeurdverklaard. Die beslissing vereist een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige vermelding in het arrest, en die ontbreekt. Dat de artikelen 33 en 33a Sr zijn aangehaald, maakt dat niet anders. Het moet ervoor gehouden worden dat die artikelen ten onrechte zijn vermeld. Voor zover het middel op een andere lezing van ’s hofs arrest berust, faalt het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De strekking van het middel is als ik het goed begrijp niet om erover te klagen dat verbeurdverklaring van de hond achterwege is gebleven. In elk geval valt niet goed in te zien welk belang de verdachte bij die klacht zou hebben. Voor zover het middel bedoelt te klagen over het uitblijven van een last tot teruggave, ontbreekt eveneens voldoende belang. Nu de strafvervolging van de verdachte met de verwerping van het cassatieberoep eindigt, staat vast dat het belang van de strafvordering zich niet langer tegen de teruggave van de hond verzet, zodat het OM een daartoe strekkende last zal hebben te geven. Over het eventuele uitblijven van die last kan op de voet van art. 552a Sv worden geklaagd.
Het middel faalt.