ECLI:NL:PHR:2019:853

ECLI:NL:PHR:2019:853, Parket bij de Hoge Raad, 03-09-2019, 18/01862

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-09-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/01862
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2019:1857
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 6 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie A-G. 1. Poging tot moord of bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht? De A-G is van oordeel dat er toereikend bewijs is voor het voor poging tot moord vereiste opzet. 2. Proceskosten (art. 592a Sv). Kan de veroordeling in de proceskosten hoger zijn dan door de benadeelde partij wordt gevorderd? Kan de verdachte aangemerkt worden als de in het ongelijk gestelde partij als de benadeelde partij grotendeels niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering? De A-G beantwoordt beide vragen mede op basis van een vergelijking met het burgerlijk procesrecht (art. 237 Rv) bevestigend, maar is desondanks van oordeel dat de begroting van de kosten voor rechtsbijstand aan de hand van het "Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven" op basis van het gevorderde bedrag in dit geval onbegrijpelijk is. De A-G stelt zich dan ook op het standpunt dat de Hoge Raad het arrest van het hof ten aanzien van de beslissing over de proceskosten dient te vernietigen.

Uitspraak

Het middel keert zich tegen de bewezenverklaring. Het hof zou het door de verdediging gedane beroep op een alternatief scenario – namelijk dat de verdachte aangever niet wilde vermoorden, maar alleen bedreigen – ten onrechte dan wel ontoereikend gemotiveerd hebben verworpen.

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 15 augustus 2015 te [vestigingsplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een (automatisch) vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en vervolgens meermalen dat vuurwapen heeft getracht door te laden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

Deze bewezenverklaring berust op bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkorte arrest van het hof zijn opgenomen. In dat verkorte arrest heeft het hof voorts overwegingen aan het bewijs gewijd die ik hier met weglating van de voetnoten weergeef.

“A.

De verdediging heeft bepleit dat de handelwijze van verdachte als bedreiging dient te worden gekwalificeerd en dat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken.

Verdachte heeft onder meer verklaard dat hem is gevraagd om tegen betaling aangever [slachtoffer] (hof: hierna telkens: [slachtoffer] ) bang te maken. Verdachte moest met [slachtoffer] een gesprek aangaan om hem te waarschuwen dat hij moest stoppen met de ruzie in zijn directe omgeving. Aan verdachte is toen een vuurwapen gegeven waarvan hem op voorhand is getoond dat het niet werkte en dat er geen patronen in zaten. Verdachte heeft verklaard dat hij dat wapen alleen bij zich had om dit aan [slachtoffer] te tonen wanneer het uit de hand zou lopen. [slachtoffer] zou namelijk niet bang zijn aangelegd. Verdachte zou vervolgens tegen [slachtoffer] hebben gezegd “dat hij weg moest met zijn bedrijf” en “dat hij moest ophouden met pesterijen in zijn directe omgeving”. Omdat [slachtoffer] van deze woorden niet onder de indruk zou zijn geraakt en agressief jegens verdachte zou hebben gereageerd, heeft verdachte het wapen op [slachtoffer] gericht en daaraan handelingen verricht enkel met het doel [slachtoffer] schrik aan te jagen en niet met de bedoeling hem te doden, hetgeen ook niet mogelijk was omdat het wapen niet functioneerde en geen kogels bevatte.

B.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde dient te worden vastgesteld of verdachte het voornemen had om [slachtoffer] van het leven te beroven, of sprake was van voorbedachte raad en of het voornemen van verdachte zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.

C.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen:

Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat aangever [slachtoffer] eigenaar is van een varkensbedrijf/veehouderij met verschillende vestigingen in [vestigingsplaats] en omgeving.

Op 15 augustus 2015 is [slachtoffer] omstreeks 13:15 uur naar de vestiging gegaan die is gelegen aan [a-straat 1] te [vestigingsplaats] . Omstreeks 14:24 uur heeft [slachtoffer] besloten naar huis te gaan. [slachtoffer] is in zijn auto gestapt, heeft de auto buiten de poort van zijn bedrijf gezet en is uitgestapt om de poort ‘op automatisch’ te zetten. Op het moment dat [slachtoffer] de poort uitreed zag hij buiten de poort op ongeveer 5 meter afstand een man bij een scooter staan. Op het moment dat [slachtoffer] met de poort bezig was zag hij dat die man op hem af kwam lopen. Deze man sprak [slachtoffer] aan en zei dat zijn scooter het niet meer deed en vroeg aan [slachtoffer] of deze misschien een kabeltje voor zijn scooter had.

[slachtoffer] is met de man naar diens scooter gelopen. De man liep voorop en [slachtoffer] liep op ongeveer twee meter achter hem. [slachtoffer] zag dat het zadel van de scooter openstond en kon daarin een witte doek zien liggen.

[slachtoffer] zag vervolgens dat die man meteen naar die doek greep en een wapen dat volgens [slachtoffer] leek op een Uzi, eronder vandaan haalde. [slachtoffer] zag duidelijk een langere patroonhouder aan de onderzijde van het wapen. De man hield direct het wapen voor zijn borst met de loop in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] zag dat de man verwoede pogingen deed om het wapen kennelijk door te laden. De man probeerde meerdere malen een pin aan de zijkant van het wapen naar achteren te trekken. De man zei niets meer, de man heeft geen woord meer gezegd. [slachtoffer] schrok en dacht dat hij ‘eraan ging’. [slachtoffer] is via de achterzijde van de auto naar de rechterkant van zijn auto gelopen en vervolgens de weg overgestoken en het maïsveld ingerend. Toen [slachtoffer] de man op de scooter hoorde wegrijden heeft hij 112 gebeld.

[slachtoffer] heeft voorts verklaard dat vanaf het moment dat de man naar diens scooter liep, de man geen woord meer tegen [slachtoffer] heeft gezegd. De man heeft zich omgedraaid en [slachtoffer] zag meteen dat de man een wapen vast had en dat hij probeerde het wapen door te laden. De man heeft geen woord gezegd en was alleen maar met het wapen bezig. Toen [slachtoffer] is weggerend, zag hij dat de man een stukje met hem meeliep en hoorde hij dat de man maar bleef proberen het wapen door te laden. Het hof heeft geen reden om aan de voor het bewijs gebruikte verklaring van aangever [slachtoffer] te twijfelen.

Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte en uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat hij op 15 augustus 2015 met zijn scooter naar [vestigingsplaats] is gereden en daar van een persoon een wapen, gewikkeld in een kussensloop, heeft ontvangen. Verdachte heeft die kussensloop met daarin het wapen in de buddyseat van zijn scooter gestopt en is vervolgens naar het adres van aangever gereden. Verdachte heeft bij het bedrijf van [slachtoffer] rondgereden totdat hij [slachtoffer] zag (blz. 5). Toen verdachte [slachtoffer] het terrein van zijn bedrijf zag oprijden, heeft hij gewacht totdat [slachtoffer] terugkwam (blz. 6). Toen verdachte op [slachtoffer] aan het wachten was, heeft hij de buddyseat van zijn scooter geopend en het wapen uit de kussensloop gehaald en onder de kussensloop weer in de buddyseat teruggelegd, zodat hij het wapen sneller en makkelijker kon pakken. Verdachte is, toen hij [slachtoffer] uit zijn auto zag stappen, op hem toegelopen en heeft hem gevraagd of hij een kabeltje voor zijn scooter had. Dit deed hij met het doel om [slachtoffer] dichter bij de scooter en het daarin gereed liggende wapen te krijgen. Verdachte heeft, toen hij bij de scooter kwam, het wapen uit de buddyseat gepakt en vervolgens op [slachtoffer] gericht en heeft toen meermalen daarmee handelingen verricht door aan een pin aan de zijkant van het wapen te trekken. Na het incident is verdachte weggereden en heeft het wapen en de scooter in een oud-ijzervemietiger gezet.

C.

Uit het vorenstaande volgt dat verdachte:

- met een wapen gehuld in een kussensloop in de buddyseat van zijn scooter naar het bedrijf van [slachtoffer] is gereden;

- daar net zolang op zijn scooter heeft rondgereden totdat hij [slachtoffer] zag;

- enige tijd op [slachtoffer] heeft staan wachten;

- gedurende dit wachten het wapen uit de kussensloop heeft gehaald en onder de kussensloop in de buddyseat van zijn scooter heeft gelegd en de buddyseat van zijn scooter open heeft laten staan zodat hij dit wapen makkelijker en sneller kon pakken;

- nadat [slachtoffer] uit zijn auto was gestapt op [slachtoffer] is toegelopen en, met het doel om [slachtoffer] dichter bij zijn scooter en het daarin gelegen wapen te krijgen, [slachtoffer] met een smoes heeft meegelokt naar zijn scooter;

- onderweg naar zijn scooter niets meer tegen [slachtoffer] heeft gezegd;

- aangekomen bij de scooter direct en zonder iets te zeggen het wapen uit de buddyseat heeft gepakt, de loop op [slachtoffer] heeft gericht en daarbij meerdere malen handelingen aan het wapen heeft verricht die door [slachtoffer] worden omschreven als het trachten het wapen door te laden;

- tijdens deze handelingen niets tegen [slachtoffer] heeft gezegd;

- nadat [slachtoffer] was weggevlucht nog een klein stukje achter hem is aangegaan, ondertussen trachtend zijn wapen door te laden;

- hierna op de scooter is weggereden en dezelfde dag de scooter en het wapen in een oud-ijzervemietiger heeft gezet.

Het hof is van oordeel dat voormelde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden aangemerkt als een poging om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Uit het pakken van het vuurwapen uit de openstaande buddyseat, het richten van dat wapen op [slachtoffer] en het meerdere malen verrichten van handelingen aan dat wapen die door [slachtoffer] worden beschreven als het trachten het wapen door te laden, leidt het hof af dat verdachte voornemens was [slachtoffer] van het leven te beroven maar dat het wapen op dat moment weigerde.

Uit de omstandigheid dat verdachte zich vooraf heeft voorzien van een vuurwapen, met het wapen naar de plaats van het delict is gereden, [slachtoffer] heeft opgewacht, het wapen voor direct gebruik in de geopende buddyseat van zijn scooter gereed heeft gelegd en [slachtoffer] bewust naar de scooter en daarmee naar het gereed liggende wapen heeft gelokt om vervolgens het wapen te pakken, op [slachtoffer] te richten en te trachten het wapen door te laden, leidt het hof af dat verdachte heeft gehandeld ‘na kalm beraad en rustig overleg’ en daarmee met de voor een bewezenverklaring van moord vereiste voorbedachte raad. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Aan de door de raadsman gestelde contra-indicaties (samengevat) dat verdachte niet wist hoe [slachtoffer] eruit zag, verdachte op een gewone scooter en niet op een motorscooter reed, geen helm droeg, niet bekwaam was voor zo’n opdracht, oogcontact maakte met voorbijgangers, ‘en plein public’ stond en […] met een mogelijk motief niet zover zou gaan om verdachte in te schakelen, kent het hof geen dusdanig gewicht toe dat deze moeten leiden tot een andersluidende conclusie.

Het voorgaande houdt in dat het hof geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte dat hij naar [slachtoffer] is gegaan enkel om deze te bedreigen, dat hij daarvoor een niet-functionerend en ongeladen wapen heeft meegenomen en dat hij dat wapen enkel op [slachtoffer] heeft gericht omdat deze niet onder de indruk zou zijn van zijn dreigementen en agressief jegens verdachte zou hebben gereageerd.

Verdachte komt met deze verklaring pas nadat hij door de rechtbank is veroordeeld voor een poging tot moord. Verdachte heeft, na daarover meerdere malen bevraagd te zijn, geweigerd de naam van de opdrachtgever te noemen zodat zijn verklaring op geen enkele wijze verifieerbaar is. Voorts stelt verdachte dat hij het wapen heeft weggemaakt zodat ook in dit opzicht zijn verklaring dat het wapen niet zou functioneren en geen patronen zou bevatten, niet kan worden getoetst. Verdachte is bovendien weinig specifiek omtrent de gestelde dreigementen. Op vragen van het hof is verdachte daarover in algemeenheden blijven steken. Bovendien is zijn verklaring over het uiten van de dreigementen regelrecht in strijd met de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte, toen hij bij de scooter kwam, niets heeft gezegd en onmiddellijk het wapen uit de buddyseat heeft gepakt en op [slachtoffer] heeft gericht. Verdachte was enkel bezig met het trachten het wapen door te laden en is nog achter [slachtoffer] aan gelopen.

Nu het hof geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte dat hij enkel de bedoeling had [slachtoffer] te bedreigen verwerpt het hof het hierover gevoerde verweer. Hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel.

D.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging en acht, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan.”

Ik stel voorop dat poging tot levensberoving en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht elkaar niet uitsluiten. De dader die een ander van het leven wil beroven en daartoe zijn pistool tegen de slaap van het slachtoffer drukt, wekt bij dat slachtoffer op dat moment de (gegronde) vrees dat hij zijn leven zal verliezen, een omstandigheid waarop de dader tenminste voorwaardelijk opzet moet hebben gehad. Opzet (in de vorm van bedoeling) op levensberoving en (voorwaardelijk) opzet op bedreiging gaan in dit voorbeeld hand in hand. Het kan ook zijn dat bij de dader de bedoeling om te bedreigen voorop stond, maar dat tegelijk sprake is van voorwaardelijk opzet op doodslag. Wie, om het slachtoffer angst aan te jagen, een kogel afvuurt in de richting van dat slachtoffer, aanvaardt daarbij al gauw de aanmerkelijke kans dat die kogel het slachtoffer dodelijk zal treffen. Het is hier de gevaarlijke aard van de gedraging waarmee aan de voorgenomen bedreiging uitvoering wordt gegeven (schieten in de richting van het slachtoffer) waarin het voorwaardelijk opzet op levensberoving (behoudens contra-indicaties) besloten ligt.

In deze zaak kan sprake zijn geweest van de eerste situatie. Als juist is wat het hof aannam, namelijk dat de verdachte van plan was om de aangever van het leven te beroven, zal tegelijk sprake zijn geweest van opzet op het wekken van de vrees die de aangever het maisveld in deed vluchten. De verdachte ontkende echter het plan tot levensberoving en stelde enkel de bedoeling te hebben gehad om de aangever te bedreigen. Als die bewering juist is, is een niet onbelangrijk verschil met de tweede situatie dat de aard van de gedraging waarmee de verdachte uitvoering gaf aan de voorgenomen bedreiging, niet zodanig is dat daarin voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer besloten ligt. Het doorladen van een geweer (of de verwoede poging daartoe) is als zodanig niet een zo gevaarlijke gedraging dat de kans dat een ander daardoor dodelijk wordt getroffen, aanmerkelijk is. Dat is pas het geval als met het (doorgeladen) geweer wordt geschoten. De handelingen die de verdachte met het geweer verrichtte en die door de aangever werden geïnterpreteerd als een poging om het geweer door te laden, laten zich dan ook in theorie verenigen met de bewering van de verdachte dat het geweer ongeladen was en dat hij dat wist. En die bewering sluit, indien juist, opzet op levensberoving uit.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte “naar hun uiterlijke verschijningsvorm” moeten worden aangemerkt als een poging om de aangever van het leven te beroven. De vraag is of het hof daarmee de door de Hoge Raad geformuleerde bewijsregel heeft bedoelen te hanteren die inhoudt dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De toepassing van deze bewijsregel zou naar het mij voorkomt minder juist zijn. Pogingen om een geweer door te laden (en hetzelfde geldt in nog sterkere mate voor gedragingen die daarop lijken) zijn zoals gezegd op zich niet zo gevaarlijk (niet zozeer gericht op een dodelijk gevolg) dat daarin als regel voorwaardelijk opzet besloten ligt. Bovendien gaat het in deze zaak niet om voorwaardelijk opzet. Volgens het hof handelde de verdachte immers met het vooropgezette plan om de aangever om te brengen.

Iets anders is dat de uiterlijke schijn mee mag wegen in de bewijsredenering, mits men oog houdt voor de mogelijkheid dat de schijn in het concrete geval bedriegt. Ik meen dat het ervoor gehouden kan worden dat het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte de schijn tegen heeft en dat het bij de conclusie die het daaruit heeft getrokken in aanmerking heeft genomen dat het alternatieve scenario waarop door de verdediging een beroep is gedaan, niet aannemelijk is geworden. Voor zover het middel op een andere lezing van het arrest berust, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik acht het aldus verstane oordeel van het hof voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De verwoede pogingen om het geweer door te laden, passen beter bij het bewezenverklaarde scenario dat de verdachte begonnen was met de uitvoering van zijn voornemen om de aangever van het leven te beroven dan bij het alternatieve scenario dat de verdachte de aangever alleen de doodschrik op het lijf wilde jagen. In het bewezenverklaarde scenario was het noodzakelijk om het geweer door te laden, in het alternatieve scenario was het niet noodzakelijk om te doen alsof het (beweerdelijk ongeladen) geweer werd doorgeladen. Wie met een ongeladen machinegeweer angst aan wil jagen, kan het slachtoffer net zo goed in het ongewisse laten over de vraag of dat geweer al is doorgeladen. Bovendien kan men dan beter doen alsof het wel gelukt is om het geweer door te laden. Het verwoed blijven trekken aan de pin van het geweer – waardoor voor de aangever duidelijk werd dat het doorladen niet lukte – deed afbreuk aan het beoogde effect.

Daarbij komt dat de bedreiging er volgens het alternatieve scenario op was gericht om de aangever tot bepaald handelen of nalaten te bewegen. Bij dat scenario past niet goed dat de verdachte de aangever niet duidelijk maakte wat er van hem werd verlangd, maar er integendeel het zwijgen toe deed. Het een en ander maakt dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen aanmerkte als de uitvoering van een voorgenomen levensberoving. Het is daarbij evenmin onbegrijpelijk dat het hof het aangedragen alternatieve scenario verwierp. Dat scenario was, zoals het hof overwoog, op het zojuist genoemde, niet onbelangrijke punt in strijd met de bewijsmiddelen en verder weinig specifiek en niet verifieerbaar. Het hof mocht daarbij in aanmerking nemen dat aan de geloofwaardigheid van het alternatieve scenario niet bijdroeg dat daarop pas in een laat stadium een beroep werd gedaan.

Voor zover de stellers van het middel bedoelen aan te voeren dat het feit dat niet is komen vast te staan dat de verdachte de trekker van het machinegeweer heeft overgehaald, steun geeft aan het alternatieve scenario, kan ik hen niet volgen. Dat de verdachte de trekker niet overhaalde, vindt in het bewezenverklaarde scenario zijn verklaring eenvoudig in het feit dat het doorladen van het geweer niet lukte. Voor de “contra-indicaties” waarop door de verdediging een beroep werd gedaan, geldt eveneens dat zij niet discrimineren tussen het ene of het andere scenario. Met het bewezenverklaarde scenario zijn die contra-indicaties niet in strijd, nu het hof niet heeft vastgesteld dat sprake was van een professioneel uitgevoerde liquidatie in het criminele milieu. Ook een onhandig uitgevoerde poging tot moord is een poging tot moord, net zoals een onhandig uitgevoerde bedreiging een bedreiging oplevert. Het gebrek aan professionaliteit kleeft ook het alternatieve scenario aan. Ik merk daarbij op dat de uitvoering van een moord doorgaans een fysieke confrontatie met het slachtoffer vereist, terwijl een dergelijke confrontatie helemaal niet nodig is als men enkel wil bedreigen. Het is veel doortrapter – zo men wil professioneler – om de bedreiging telefonisch over te brengen (met een telefoon waarvan de gebruiker niet is te achterhalen) of – voor wie het niet in woorden, maar in daden wil zoeken – om ongezien de geparkeerde auto van het slachtoffer met kogels te doorzeven. Het gebrek aan professionaliteit vormt kortom niet direct een argument ten gunste van het alternatieve scenario. Dat het hof aan de “contra-indicaties” is voorbijgegaan, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?