16. Het eerste middelfaalt.
17. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring. Het middel valt uiteen in drie klachten.
18. Ten laste van de verdachte is – kort gezegd - bewezen verklaard dat [B] B.V. en [G] B.V. in de periode 1 januari 2005 tot en met 14 oktober 2008 met anderen de bedrijfsadministratie van [B] B.V. en [G] B.V., te weten een samenstel van verkoopfacturen en CMR’s, opzettelijk valselijk hebben opgemaakt, waaraan de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven (feit 1), hij, al dan niet handelend onder de naam [F] , in de periode 1 januari 2004 tot en met 31 januari 2004 met anderen een bedrijfsadministratie, te weten een samenstel van CMR’s en verkoopfacturen, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt (feit 2), hij, al dan niet handelend onder de naam [F] / [verdachte] , in de periode 27 februari 2003 tot en met 25 oktober 2005 met anderen opzettelijk op aangiften te hoge bedragen aan belaste levering heeft opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven (feit 3), [G] B.V. in de periode van 26 juli 2005 tot en met 20 januari 2009 opzettelijk onjuiste aangiften heeft (laten) doen door op aangiften omzetbelasting onjuiste bedragen aan belaste leveringen op te (laten) geven terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven (feit 4), hij met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, door geldbedragen op rekeningen van bedrijven te storten en verkoopfacturen met dit geld te (laten) betalen (feit 5) en hij heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, belastingfraude en (gewoonte)witwassen (feit 6).
19. Uit (de toelichting op) het middel blijkt dat in de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof de bewijsmiddelen 1 en 2 heeft gebezigd voor het bewijs, waarin (schriftuur onder 2.7) “tal van veronderstellingen, vermoedens, meningen en conclusies worden gepresenteerd. Niet dat proces-verbaal van relaas maar de onderliggende stukken behoren de oordeelsvorming te dicteren.” De stellers van het middel menen (onder 2.9 van de toelichting op het tweede middel) dat “als dergelijke passages uit een proces-verbaal van relaas voor het bewijs worden gebruikt aan ten minste twee voorwaarden behoort te worden voldaan: (a) die passages behoren geen meningen, conclusies, stellingen of veronderstellingen te bevatten en (b) met nauwkeurigheid moet worden aangegeven op welke primaire bron de in het proces-verbaal van relaas weergegeven feiten zijn gebaseerd.”
20. Het hof heeft in de aanvulling voorafgaand aan de weergave van de inhoud van het overzichtsproces-verbaal overwogen: “De in het proces-verbaal gerelateerde feiten zijn gecontroleerd en juist bevonden aan de hand van de onderliggende stukken en de bereikte conclusies zijn getoetst aan de hand van datzelfde materiaal.” Een dergelijke overweging wordt met name opgenomen om tot uitdrukking te brengen dat voor zover de zaakkundige vaststellingen tenderen in de richting van conclusies dan wel duidelijke conclusies bevatten de rechter die conclusies tot de zijne maakt. Daarmee zijn het de conclusies van de rechter geworden. Dit is een aanvaardbare gang van zaken. De steller van het middel wijst (onder 2.8 in de toelichting op het tweede middel) op enkele vaststellingen in bewijsmiddel 1 en 2 waaraan enig concluderend karakter niet valt te ontzeggen, maar redenen die het onaanvaardbaar doen zijn dat het hof deze tot de zijne maakt ontbreken. Voor zover het conclusies zijn, heeft hof die tot de zijne gemaakt.
21. Er kan vanuit worden gegaan dat de redenen van wetenschap van de verbalisanten die de bedoelde processen-verbaal hebben opgemaakt zijn te vinden in de in het dossier gevoegde processen-verbaal waarop deze zijn gebaseerd. Anders dan de steller van het middel meent zijn de in de bewijsmiddelen 1 en 2 weergegeven processen-verbaal van relaas bij uitstek controleerbaar en ik wijs er op dat in cassatie niet (specifiek) wordt gewezen op passages met een onjuiste weergave van de onderliggende stukken in het dossier. De eerste deelklacht faalt.
22. De tweede deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte aan de bewijsmiddelen 3 tot en met 9 een zin heeft toegevoegd luidende “ …waarop telkens in strijd met de waarheid wordt voorgewend dat [B] B.V. de daarop genoemde goederen aan [C] SL heeft verkocht” of een soortgelijke zin.
23. In de aanvulling bewijsmiddelen is met betrekking tot de bewijsmiddelen 3 tot en met 9, inhoudende (een opsomming van) verkoopfacturen en CMR’s, na weergave daarvan de bestreden zinssnede opgenomen. Als ik de steller van het middel goed begrijp, wordt geklaagd dat het hof daarmee ten onrechte aan de inhoud van de bedoelde bewijsmiddelen een zin heeft toegevoegd. Dat berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft met de bedoelde zinssnede bij de bewijsmiddelen 3 tot en met 9 in de aanvulling kennelijk een (nadere) bewijsoverweging opgenomen. Het hof brengt met de zinssnede tot uitdrukking dat de bescheiden voor het bewijs worden gebruikt omdat (in samenhang met de overige bewijsmiddelen) is gebleken dat ze in strijd met de waarheid zijn. Er is op de bescheiden een verkoper of ontvanger vermeld aan wie de goederen niet zijn verkocht, die de goederen niet heeft ontvangen of bij wie de goederen niet zijn afgeleverd. De tweede klacht faalt.
24. Ten derde wordt in (de toelichting op) het middel geklaagd over “de wijze waarop het gerechtshof is omgegaan met de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die door mr. Boone en mr. Zilver zijn geformuleerd. Volgens het gerechtshof worden die bewijsverweren weerlegd in de bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen kan echter niet worden opgemaakt waarom het gerechtshof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunten[…]. Als voorbij wordt gegaan aan de meningen, conclusies en veronderstellingen die zijn opgenomen in de passages uit processen-verbaal van relaas die als bewijsmiddelen 1 en 2 zijn gebruikt, kan uit die bewijsmiddelen niet volgen waarom het gerechtshof voorbij is gegaan aan de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dat sprake is geweest van (legitieme) A-B-C- leveringen, waarvoor het nultarief gold en waarbij het niet ongebruikelijk is dat de plaats van feitelijke levering afwijkt van de in een CMR vermelde plaats, en dat niet blijkt dat verzoeker "doleuze betrokkenheid" heeft gehad bij eventueel binnen [A] / [C] / [D] begane malversaties, indien die in het buitenland gevestigde bedrijven hun intracommunautaire verplichtingen hebben ontdoken of ontweken.”
25. Een onlangs door de Hoge Raad gebezigde overweging die in het kader van de plicht te reageren op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van belang is, luidt als volgt:
“2.3. Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv in 2005 heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal.
Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU9130.)”
26. In HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma is beslist dat wil een ingenomen standpunt de - uiteindelijk in cassatie te toetsen - verplichting tot beantwoording scheppen, het standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren dient te worden gebracht. In dat arrest is - voor zover van belang - overwogen:
“3.8.2. De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.
Dit neemt niet weg
(i) dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt;”
27. Inderdaad is door de verdediging ten overstaan van het hof aangevoerd dat er sprake zou zijn geweest van fiscaal toegestane A-B-C leveringen (zie pleitnota mr. Boone punt 2). Dat daarop een nultarief van toepassing was, lees ik niet met zoveel woorden in die pleitnota, maar het is onmiskenbaar wel zo bedoeld. Ik laat maar in het midden of er sprake is geweest van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof heeft in de overweging omtrent het bewijs in het bestreden arrest (p. 7 e.v.) aan de centrale vraag of al dan niet sprake was van zogenaamde intracommunautaire leveringen waarvoor een zogenaamd nultarief geldt uitvoerig aandacht besteed. Nu het middel zich niet richt tegen de inhoud van die overweging van het hof, meen ik dat de reactie op de stelling van mr. Boone in zoverre toereikend en niet onbegrijpelijk is.
28. Dan wordt gewezen op de stelling van de verdediging dat verdachte niet is betrokken bij de binnen [A] / [C] / [D] gepleegde malversaties. In de pleitnota van mr. Boone (punt 16) valt te lezen: “Waar uw Hof zou menen dat deze zorgvuldigheid toch onvoldoende is geweest voor de afnemers [C] , [D] en/of [A] , dan is daarmee nog geen doleuze betrokkenheid bij malversaties vastgesteld.”
29. Het hof heeft in de in feitelijke aanleg geponeerde stelling kennelijk niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gelezen en dat acht ik niet onbegrijpelijk. Het heeft veel weg van een algemene ontkenning van elke opzettelijke betrokkenheid bij alle feiten. Dat is een veel te algemeen standpunt om te kunnen worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en die algemene stelling vindt bovendien reeds zijn weerlegging in het volgende bewijs. Ik volsta te verwijzen naar bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte bestuurder was van [B] B.V., dat hij algemeen directeur en alleen zelfstandig bevoegd was, dat hij leiding gaf aan alle werknemers, dat uit een aangetroffen kostenoverzicht blijkt dat alle operationele zaken via hem lopen en dat hij volgens de verklaring van [getuige 4] opdrachtgever is van de zendingen naar [C] .
30. Dan de CMR’s. Ik wijs op punt 30 van de pleitnota van mr. Boone: “Helemaal onbegrijpelijk wordt het vonnis als de Rechtbank principieel ontkent dat een CMR een verzekeringsdocument is en geen vervoersdocument.” Dat is een ernstig bezwaar tegen de redenering van de rechtbank, maar daarmee (nog) geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Overigens lees ik in het arrest van het hof ook niet eenzelfde principiële ontkenning.
31. Het tweede middelfaalt.
32. Het derde middel klaagt over de schending van de redelijke (inzend)termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM.
33. Namens de verdachte is op 3 juli 2017 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 september 2018 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen, zodat de inzendtermijn met afgerond zeven maanden is overschreden. Gelet daarop is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden. Het voorgaande moet leiden tot strafvermindering.
34. Het derde middelslaagt.
35. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG