PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 16/01204
Zitting 24 september 2019
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 17 november 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van het hem onder parketnummer 09-862531-05 onder 1 en 2 ten laste gelegde.
2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachte [medeverdachte] (16/01206), waarin ik vandaag eveneens concludeer. Ook bestaat samenhang met de zaken 15/05848 ( [betrokkene 1] ), 15/05957 ( [betrokkene 2] ) en 16/01205 ( [betrokkene 3] ), waarin de Hoge Raad op 6 december 2016 uitspraak deed (ECLI:NL:HR:2016:2777, ECLI:NL:HR:2016:2779 en ECLI:NL:HR:2016:2778).
3. De advocaat-generaal bij het hof heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag, heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, hierop bij faxberichten d.d. 27 en 28 maart 2019 gereageerd.
4. Het middel behelst de klacht dat het hof zijn beslissing om bewijsuitsluiting toe te passen en de verdachte bijgevolg vrij te spreken heeft gebaseerd op ontoereikende of onbegrijpelijke gronden. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de vrijspraak van de verdachte op dezelfde gronden berust als de in de zaken tegen de medeverdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] door het hof uitgesproken vrijspraken, terwijl de Hoge Raad op 6 december 2016 de in de zaken van die medeverdachten gewezen arresten van het hof heeft vernietigd en de zaken heeft verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
5. De relevante overwegingen van het hof zijn gelijkluidend aan die in de hiervoor onder 2 genoemde samenhangende zaken waarin de Hoge Raad op 6 december 2016 uitspraak deed, terwijl het middel dezelfde strekking heeft als de middelen in de genoemde zaken. Ik concludeer dan ook dat het middel op de in die arresten vermelde gronden terecht is voorgesteld.
6. Het middel slaagt.
7. Behoudens de overschrijding van de redelijke termijn, die het hof na verwijzing in aanmerking kan nemen, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden