PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03656
Zitting 24 september 2019
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad en daartoe ook elektriciteit gestolen heeft.
Daarbij is de elektriciteitsmeter gemanipuleerd.
Verder heeft verdachte munitie en pepperspray voorhanden gehad.
Het betreft telkens ernstige feiten. Blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 juli 2018 blijkt dat verdachte eerder veroordeeld is, onder meer voor drugsdelicten tot een langdurige gevangenisstraf.
(…)
Mede gelet op de omstandigheid dat verdachte niet langer in Nederland woonachtig is, acht het hof het opleggen van een taakstraf niet aangewezen. Het hof vindt mede daarin de reden om een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen. Het hof acht oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk passend en geboden, maar zal de straf verlagen tot drie maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.”
7. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft.
8. De steller van het middel doet een beroep op Kaderbesluit 2008/947/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen na te leven en de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). In zijn arrest van 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:46, NJ 2019/60 overwoog de Hoge Raad – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende over de strafoplegging en het desbetreffende kaderbesluit (rov. 3.5):
“De enkele omstandigheid dat de verdachte in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland woonachtig is, staat niet in de weg aan de oplegging van een taakstraf. Gelet op het onder 2 beschreven juridisch kader belet die enkele omstandigheid immers op zichzelf niet de tenuitvoerlegging in een andere lidstaat. Dat laat onverlet dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of oplegging van een taakstraf aangewezen is, mede betrekt of een reëel vooruitzicht bestaat dat die straf ook zal (kunnen) worden tenuitvoergelegd. Zo is het openbaar ministerie op grond van het Kaderbesluit en de WETS niet verplicht om een rechterlijke uitspraak waarbij een verplichting tot het verrichten van een taakstraf is opgelegd toe te zenden aan een andere lidstaat, terwijl voor de door het openbaar ministerie in dit verband te nemen beslissingen onder meer van belang is dat die andere lidstaat zich kan beroepen op de in art. 11 van het Kaderbesluit genoemde weigeringsgronden, waaronder die met betrekking tot de (minimale) duur van de alternatieve straf.”
9. Uit art. 11, eerste lid en onder j, van het Kaderbesluit blijkt dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan weigeren het vonnis te erkennen als de alternatieve straf een duur heeft van minder dan zes maanden. In art. 3:13, eerste lid, onder b, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) is bepaald dat het openbaar ministerie de erkenning van een rechterlijke uitspraak kan weigeren indien de opgelegde taakstraf een kortere duur heeft dan tachtig uren. Uit een evaluatie van de WETS blijkt dat als het gaat om de overdracht van taakstraffen aan andere EU-lidstaten, bij het Nederlandse openbaar ministerie de “afspraak” is gemaakt dat alleen taakstraffen voor de duur van 80 uur of meer in aanmerking komen.
10. Het hof heeft, door te overwegen dat het de oplegging van een taakstraf niet aangewezen acht mede omdat de verdachte niet in Nederland woonachtig is, het Kaderbesluit en de WETS niet miskend. Het hof heeft immers niet overwogen dat de enkele omstandigheid dat de verdachte in een andere lidstaat van de Europese Unie woont in de weg staat aan de oplegging van een taakstraf. Het oordeel van het hof getuigt aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens wekt de strafoplegging geen verbazing, terwijl deze toereikend is gemotiveerd. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof diverse omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing een vrijheidsbenemende straf op te leggen, in het bijzonder de ernst van de verschillende bewezen verklaarde feiten en de justitiële documentatie van de verdachte. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Uit de stukken van het geding blijkt immers niet dat ten aanzien van de strafoplegging enig verweer is gevoerd.
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden