PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03934
Zitting 1 oktober 2019 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
Het middel klaagt dat het onder 2. bewezenverklaarde “enig lichamelijk letsel” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of dat het hof “ten aanzien van de bewezenverklaarde “pijnlijke linkerknie” ten onrechte heeft gekwalificeerd als wederspannigheid met letsel als bedoeld in art. 181 onder 1° Sr”.
Ten laste van de verdachte heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis onder 2. bewezenverklaard dat:
“hij op 11 april 2017 te 's-Gravenhage, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] , hoofdagent van Politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten belast met surveillancedienst en in die hoedanigheid belast met de staandehouding en aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en (terwijl hij op de grond lag) zijn lichaam met zijn armen omhoog te drukken en zijn lichaam in een andere richting te bewegen dan waarin die ambtenaar hem trachtte te begeleiden, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een pijnlijke linkerknie en schaafwonden op de rechterknie bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad”.
Deze bewezenverklaring van feit 2 berust op het navolgende bewijsmiddel:
“Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, nummer PL1500-2017098966, blz. 1 t/m 329, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - verkort en zakelijk weergegeven -:
Het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte, opgesteld en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , d.d. 11 april 2017 (blz. 17):
Op dinsdag 11 april 2017 omstreeks 01:15 uur kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de opdracht om naar de [a-straat] Den Haag te gaan. Verbalisant [verbalisant 1] stapte uit en liep richting de man en riep op een luide toon; stop, stop, stop nu!. Verdachte ging op de trappers van zijn fiets staan en verhoogde de snelheid. De verdachte kwam op verbalisant af rijden. Verbalisant heeft de verdachte vastgepakt middels een soort omhelzing ter hoogte van zijn schouders. Verdachte is van zijn fiets afgetrokken. Verdachte bleef zich hevig verzetten waardoor een worsteling ontstond. Verdachte greep naar zijn jaszak. Verbalisant en verdachte vielen op de grond. Verdachte is hierop aangehouden door de verbalisanten. Ten tijde van de aanhouding voelde verbalisant [verbalisant 1] een hevige pijn aan zijn linkerknie. Na de aanhouding voelde hij ook pijn aan zijn rechterknie.”
Ten aanzien van feit 2 heeft de rechtbank in haar vonnis voorts overwogen:
“Naar het oordeel van de rechtbank kan – op grond van het proces-verbaal van aanhouding en een proces-verbaal van bevindingen – wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat bij verbalisant [verbalisant 1] sprake was van een pijnlijke knie en schaafwondjes, zijnde enig lichamelijk letsel.”
De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 181 onder 1° Sr. Dit artikel luidt − voor zover van belang − als volgt:
“De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven worden gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben”.
Uit de bewezenverklaring blijkt dat [verbalisant 1] door het handelen van de verdachte “enig lichamelijk letsel, te weten een pijnlijke linkerknie en schaafwonden op de rechterknie” heeft opgelopen. Uit het gebezigde bewijsmiddel blijkt inderdaad niet van schaafwonden op de rechterknie, slechts van pijn aan de rechterknie. De bewezenverklaring - in het bijzonder het onderdeel “enig lichamelijk letsel, te weten (…) schaafwonden op de rechterknie” - is daarom niet naar de eis van de wet met redenen omkleed. Het middel klaagt daarover op zichzelf terecht. Het is echter de vraag of dit tot cassatie moet leiden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383 m.nt. J.M. Reijntjes, het volgende vooropgesteld:
“Opmerking verdient dat in gevallen als het onderhavige waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering. In dergelijke gevallen zal zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO kunnen worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO.”
Ik meen dat een dergelijk geval zich in de onderhavige zaak voordoet. Uit het zich bij de stukken van het geding bevindende onderliggende proces-verbaal van bevindingen, waar de rechtbank in haar bewijsoverweging ook naar verwijst, blijkt namelijk dat [verbalisant 1] heeft verklaard “dat hij wat schaafwondjes op zijn rechterknie had zitten”. De verdachte heeft daarom in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering.
Het middel klaagt voorts terecht dat het kennelijke oordeel van het hof dat een pijnlijke knie kan worden aangemerkt als “enig lichamelijk letsel” als bedoeld in art. 181 onder 1° Sr, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Enkele pijn valt immers buiten het in art. 181 Sr bedoelde lichamelijk letsel. Het middel kan in zoverre echter evenmin tot cassatie leiden, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit na weglating van de in de bewezenverklaring gebezigde woorden “een pijnlijke linkerknie en” niet worden aangetast, terwijl ook de kwalificatie ongewijzigd blijft.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG