1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken, liet hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep
2. Beslissing
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
5. Art. 410, eerste lid, Sv luidt, voor zover hier van belang:
"1. De officier van Justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven indienen (…)."
6. Art. 416, tweede lid, Sv luidt:
“ “Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”
7. De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld. Namens de verdachte is op 15 mei 2017 hoger beroep ingesteld. De verdachte is in hoger beroep gedagvaard om op 21 november 2017 om 11:10 te verschijnen voor de enkelvoudige kamer van het hof Arnhem-Leeuwarden. In (de toelichting op het) middel wordt gesteld dat het hof geen acht heeft geslagen op de inhoud van het (per fax verzonden) schrijven van 20 november 2017 met een bijgesloten standaardformulier/grievenformulier en dat de inhoud van deze stukken grond bieden voor het ernstig vermoeden dat namens de verdachte grieven zijn ingediend. Ter staving van die stelling zijn aan de cassatieschriftuur kopieën gehecht van:
i) een schrijven van 20 november 2017 van mr. I.F.J. Beugelsdijk gericht aan het hof Arnhem-Leeuwarden (onder meer) inhoudende:
“ “SPOED IN VERBAND MET ZITTING MORGENOCHTEND TE 11:10 UUR!
“ Edelgrootachtbare heer, vrouwe,
“ Bijgaand gelieve u aan te treffen het zogenoemde ‘grievenformulier’ in bovengenoemde strafprocedure (bijlage). Naar de inhoud hiervan verwijs ik u in eerste instantie.”
Aan het schrijven is een grievenformulier gehecht van 20 november 2017. Op dat (eerste) grievenformulier staat een vinkje bij de zinssnede “ik heb bezwaren tegen de (hoogte van) de opgelegde straf” alsmede een toelichting daarop.
ii) een faxrapport betreffende het onder i bedoelde schrijven. Uit dat faxrapport kan worden afgeleid dat de brief en het grievenformulier op 20 november 2017 om 14:10 aan nummer 088-3610089 is verzonden en dat het “resultaat” van deze verzending “OK” was.
iii) een schrijven van 20 november 2017 van de onder i genoemde raadsman gericht aan het hof Arnhem-Leeuwarden onder meer inhoudende:
“ “SPOED IN VERBAND MET ZITTING HEDENOCHTEND TE 11:10 UUR!
“ Edelgrootachtbare heer, vrouwe,
“ In verband met een MK-zitting binnen de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, zal ik hedenochtend niet ter zitting verschijnen in bovengenoemde kwesties. Ik persisteer evenwel bij de inhoud van beide grievenformulieren (bijlage 1 en 2).”
Aan deze brief zijn twee grievenformulieren gehecht. Het eerste grievenformulier betreft dezelfde als hiervoor onder i vermeld. Op het tweede grievenformulier van (eveneens) 20 november 2017 staat een vinkje bij de zinssnede “ik heb bezwaren tegen de (hoogte van) de opgelegde straf” alsmede een toelichting daarop.
iv) een faxrapport betreffende het onder iii bedoelde schrijven. Daaruit kan worden afgeleid dat de brief op 21 november 2017 om 10:30 aan nummer 088-3610089 is verzonden en dat het “resultaat” van deze verzending “OK” was.
8. De hiervoor bedoelde brieven en grievenformulieren bevinden zich niet bij de op voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken. Evenmin bevat het dossier (afschriften van) correspondentie waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een dergelijke schriftuur door het hof is ontvangen. In aanmerking genomen dat het in de onder ii en iv genoemde faxrapporten genoemde nummer het destijds in gebruik zijnde (algemene) faxnummer van het hof Arnhem-Leeuwarden betreft, bieden de aan de schriftuur gehechte stukken, in ieder geval het schrijven onder i, grond voor het ernstig vermoeden dat namens de verdachte (tijdig en kort) vóór het onderzoek ter terechtzitting op 21 november 2017 een schriftuur houdende grieven is ingediend. Op grond daarvan moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur is ingediend.
9. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG