2. Bespreking van het cassatieberoep
Het cassatieberoep bestaat uit een inleiding (nrs. 1-5), één klacht (met een rechtsklacht en een motiveringsklacht), een toelichting (nrs. 6-13) en een paragraaf over terugbetaling van de proceskosten (nr. 14).
De cassatieklacht is gericht tegen het oordeel in rov. 3.7 dat met het enkele feit dat een in de bedrijfshal geparkeerde taxibus van [verweerster] in brand is gevlogen, niet is gegeven dat de schade aan de bedrijfshal het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming van [verweerster]. Verder bestrijdt de klacht de slotsom in rov. 3.14 dat de oorzaak van het in brand vliegen van de taxibus niet kan worden vastgesteld.
Volgens de klacht geven deze oordelen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 6:74 BW, 7:218 BW, 149 Rv en 150 Rv. Als het hof was uitgegaan van een juiste rechtsopvatting had het beslist (1) dat het feit dat de schade aan de bedrijfshal is ontstaan doordat een daarin door [verweerster] geparkeerde en aan [verweerster] toebehorende taxibus in brand is gevlogen, een tekortkoming van [verweerster] is die behoudens tegenbewijs aan haar wordt toegerekend en voor haar rekening en risico komt en (2) dat [verweerster] de schade van [eiseres] moet vergoeden nu de oorzaak van het in brand vliegen van de taxibus niet kan worden vastgesteld. Als het hof dit niet heeft miskend, dan is onbegrijpelijk waarom het hof de vordering heeft afgewezen.
De toelichting op de klacht vangt aan met een weergave van het standpunt van [eiseres] in feitelijke instanties (nr. 6) en het oordeel van het hof (nr. 7). In nr. 8 volgt een juridisch kader over art. 7:218 BW. Vermeld wordt verder dat het begrip tekortkoming ziet op alle gevallen waarin de prestatie van de schuldenaar in enig opzicht achter blijft bij hetgeen de verbintenis vergt en dat hierin niet besloten ligt dat de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Nrs. 9 en 10 van de toelichting wijzen erop dat in deze zaak vast staat dat de schade is ontstaan doordat een taxibus van [verweerster] in brand is gevlogen nadat deze door haar was geparkeerd in de bedrijfshal en dat [eiseres] niet bij de brand is betrokken. Betoogd wordt dat het in de gehuurde bedrijfshal plaatsen van een schadeveroorzakende taxibus (een taxibus die in brand vliegt en daardoor schade veroorzaakt) een tekortkoming is, omdat een goed huurder zich van zo’n gedraging behoort te onthouden (nr. 11). De (vervolg)vragen waardoor de brand in de taxibus is ontstaan, en of de taxibus gebrekkig was, betreffen de toerekenbaarheid van de tekortkoming en in zoverre rusten stelplicht en bewijslast volgens [eiseres] op [verweerster] (nrs. 8, 9 en 12).
Ik stel voorop dat de vraag of de huurder aansprakelijk is voor schade aan het gehuurde pas aan de orde komt als de schade tijdens de huurperiode is ontstaan. Art. 7:218 lid 3 BW en 7:224 lid 2 BW bevatten (bewijs)regels met betrekking tot de staat waarin het gehuurde oorspronkelijk verkeerde. In onze zaak is niet in geschil dat de brandschade aan de bedrijfshal is ontstaan toen [verweerster] deze hal huurde.
Op grond van art. 7:218 lid 1 BW is de huurder aansprakelijk voor schade aan de verhuurde zaak als de schade is ontstaan door een aan hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Ingevolge art. 7:218 lid 2 BW wordt schade aan de verhuurde zaak vermoed hierdoor te zijn veroorzaakt. Lid 2 bevat echter een uitzondering voor brandschade. De memorie van toelichting noemt als reden voor die uitzondering dat aansprakelijkheid voor brand een te zware last voor de huurder zou meebrengen wanneer het risico dat de oorzaak in het duister blijft voor zijn rekening zou komen. In onze zaak gaat het om brandschade en kan [eiseres] zich dus niet op het vermoeden van lid 2 beroepen. Deze uitgangspunten staan niet ter discussie: zowel in het arrest (rov. 3.7) als in het cassatieberoep (nr. 8 van de toelichting op de klacht) wordt hiervan uitgegaan.
Onder de verplichtingen uit de huurovereenkomst in de zin van art. 7:218 lid 1 BW worden zowel de wettelijke verplichtingen als de contractuele verplichtingen van de huurder verstaan. De bepaling is een samenvatting van hetgeen zonder deze regeling ook al uit art. 6:74 BW zou voortvloeien. Dit blijkt uit de memorie van toelichting:
“De huurder is op grond van de huurovereenkomst jegens de verhuurder alleen aansprakelijk voor schade aan de zaak die is ontstaan doordat hij is tekortgeschoten in enige verplichting die krachtens die overeenkomst op hem rustte. Men denke aan de in deze afdeling opgenomen verplichtingen de zaak als een goed huurder te gebruiken, de kleine herstellingen te verrichten en geen veranderingen of toevoegingen aan te brengen die hij niet op de voet van art. 215 mocht aanbrengen, alsook aan hetgeen door partijen verder in hun overeenkomst aan verplichting[en] op de huurder is gelegd. Het eerste lid van het onderhavige artikel bevat dan ook geen materiële regel, doch slechts een samenvatting van wat ook zonder die bepaling uit de algemene regels van art. 6:74 zou voortvloeien. Dit lid dient dan ook slechts als inleiding tot de volgende leden.”
Een belangrijke wettelijke verplichting in dit verband is het goed huurderschap. Op grond van art. 7:213 BW dient een huurder zich als een goed huurder te gedragen. Handelen als goed huurder is datgene doen wat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en maatschappelijke zorgvuldigheid mag worden verlangd, mede gelet op de rechten en belangen van de verhuurder en derden. Dit betekent onder meer dat de huurder zorgvuldig moet omgaan met de gehuurde zaak en dat hij een zorgplicht heeft om schade aan het gehuurde te vermijden. Art. 7:213 BW is een inspanningsplicht en geen risicoverdeling naar verkeersopvattingen. De enkele mogelijkheid dat een gedraging van een huurder tot schade aan het gehuurde leidt, betekent niet dat deze gedraging een schending van zijn zorgplicht als goed huurder oplevert. Daarvan is pas sprake als het risico op schade van dien aard is dat de huurder zich als goed huurder van die gedraging had behoren te onthouden.
In onze zaak is de grondslag van de vordering van [eiseres], voor zover in cassatie relevant, dat [verweerster] een aan haar toebehorende taxibus in de bedrijfshal heeft geparkeerd en dat deze taxibus in brand is gevlogen. Volgens [eiseres] volgt hieruit dat [verweerster] zich niet als een goed huurder heeft gedragen (art. 7:213 BW) en daarmee tekort is geschoten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst (art. 7:218 BW). [eiseres] wijst erop dat zij haar vordering in feitelijke instanties heeft gebaseerd op art. 7:213 jo. 7:218 jo. 6:74 BW. Ook citeert [eiseres] een passage uit haar memorie van antwoord waarin zij aanvoert dat [verweerster] voor de voertuigen verantwoordelijk is, dat de voertuigen vanwege wanbetaling door een taxibedrijf terugkwamen uit de lease, dat [verweerster] de staat van de voertuigen niet kende en dat zij kon verwachten dat het taxibedrijf op het onderhoud had bezuinigd.
Andere grondslagen zijn niet (meer) in beeld. [eiseres] baseert haar vordering niet op schending van contractuele verplichtingen. In cassatie zijn geen klachten gericht tegen de oordelen (i) dat niet kan worden vastgesteld dat de brand is ontstaan doordat [verweerster] een gebrekkige taxibus in de bedrijfshal heeft geplaatst en (ii) dat externe oorzaken niet kunnen worden uitgesloten (rov. 3.11-3.14). In dat verband heeft het hof mede gewezen op de reactie van [betrokkene 4] (prod. 22), waarin de mogelijkheid wordt genoemd dat een smeulende sigarettenpeuk in de motor terecht is gekomen. Ook schadeplichtigheid ingevolge art. 6:173 BW (aansprakelijkheid voor gebrekkige roerende zaken, sinds 2005 geldend voor motorrijtuigen) is dus niet aan de orde.
Het hof heeft onderkend dat [verweerster] een aan haar toebehorende taxibus in de bedrijfshal heeft geparkeerd, dat deze taxibus in brand is gevlogen en dat hierdoor grote schade aan het gehuurde is ontstaan. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze feiten niet dat de brandschade het gevolg is van een aan [verweerster] als huurder toerekenbare tekortkoming (rov. 3.7). Dit oordeel acht ik in de omstandigheden van dit geval niet onjuist of onbegrijpelijk. In het kader van goed huurderschap diende te worden beoordeeld of [verweerster] heeft voldaan aan haar zorgplicht om schade aan het gehuurde te vermijden (zie hiervoor in 2.8) en in de genoemde feiten ligt geen gevaarzettende gedraging besloten.
In mijn ogen mocht het hof voorbij gaan aan de stellingen dat [verweerster] de staat van de voertuigen niet kende en kon verwachten dat het taxibedrijf had bezuinigd op het onderhoud. Concrete aanwijzingen voor een verhoogd gevaar op (brand)schade aan het gehuurde zijn hierin volgens mij niet te lezen. Overigens is algemeen gangbaar dat de kosten van onderhoud van een geleased voertuig voor rekening komen van de lessor (hier: [verweerster]) en niet van de lessee (hier: het taxibedrijf).
Kortom, uit de stellingen van [eiseres] volgt niet dat [verweerster] tekort is geschoten in haar zorgplicht om schade aan het gehuurde te voorkomen. Bij die stand van zaken behoefde het hof, anders dan de klacht betoogt, niet te oordelen dat het feit dat de schade aan de bedrijfshal is ontstaan doordat een daarin door [verweerster] geparkeerde en aan [verweerster] toebehorende taxibus in brand is gevlogen, een tekortkoming van [verweerster] in de nakoming van de huurovereenkomst oplevert.
In haar s.t. onder 3 brengt [eiseres] nog naar voren dat de huurder het gehuurde op grond van art. 7:224 BW bij het einde van de huur ter beschikking van de verhuurder dient te stellen. Volgens [eiseres] schiet de huurder daarin in beginsel tekort als hij het gehuurde niet oplevert in de staat waarin het zich bij aanvang van de huur bevond. Zij verwijst naar een arrest van Uw Raad van 30 juni 2017 over bruikleen. Uw Raad overwoog hierin dat een bruiklener de zaak bij het einde van de bruikleen in beginsel dient terug te geven in de staat waarin hij deze heeft ontvangen (s.t. onder 4). [eiseres] beroept zich in de kern op (overeenkomstige toepassing van) die regel (s.t. onder 5).
Allereerst merk ik op dat in het cassatiemiddel geen beroep is gedaan op art. 7:224 BW en dat evenmin wordt verwezen naar stellingen in de gedingstukken in feitelijke instanties over de oplevering bij het einde van de huur. De klacht kan daarom op processuele gronden al niet slagen. Niettemin bespreek ik de klacht ook inhoudelijk.
In het arrest van 30 juni 2017heeft Uw Raad inderdaad de regel geformuleerd dat een bruiklener de zaak bij het einde van de bruikleen in beginsel dient terug te geven in de staat waarin hij deze heeft ontvangen. Die regel gold ook naar oud huurrecht.
Naar het huidige huurrecht is de genoemde regel echter niet meer onverkort toepasselijk. Een beschadiging aan de gehuurde zaak brengt als zodanig niet mee dat de huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichting tot teruggave van het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst (art. 7:224 lid 1 BW). Dit volgt onder meer uit de volgende passage in de memorie van toelichting bij art. 7:224 BW over de staat waarin het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst moet verkeren:
“In welke staat de zaak moet worden teruggegeven volgt uit het stelsel van de onderhavige titel. De huurder moet haar teruggeven zonder dat zij nog herstellingen behoeft die krachtens art. 217 voor zijn rekening zijn, en zonder schade waarvoor hij aansprakelijk is. Zij mag echter gebreken vertonen die de verhuurder verplicht is te verhelpen. Men zie de art. 206, 217 en 218. Hoe het gaat met veranderingen en toevoegingen moet worden beoordeeld aan de hand van art. 216.”
In dit opzicht dient het geval van een beschadiging van de gehuurde zaak te worden onderscheiden van het (ook uit de huurrechtelijke jurisprudentie bekende) geval dat de gehuurde zaak is gestolen. Bij diefstal schiet de huurder wel tekort in zijn verplichting om de zaak bij het einde van de huur weer ter beschikking te stellen van de verhuurder. Heeft de huurder geen schuld aan de diefstal, dan moet worden bezien of de tekortkoming de huurder naar verkeersopvattingen kan worden toegerekend.
De brandschade aan de bedrijfshal brengt dus op zichzelf niet mee dat [verweerster] tekortschiet in haar verplichting om die hal bij het einde van de huurovereenkomst weer ter beschikking te stellen aan [eiseres]. Het beroep van [eiseres] op art. 7:224 BW en op de regel uit het arrest van 30 juni 2017 treft dus geen doel.
Daarmee acht ik het cassatieberoep ongegrond. Bij die stand van zaken kom ik niet toe aan de vordering van [eiseres] tot terugbetaling van de proceskosten die zij op grond van het hofarrest heeft voldaan. Deze vordering is geformuleerd voor het geval het bestreden arrest wordt vernietigd (nr. 14 van de procesinleiding in cassatie).
Overigens lijkt deze vordering mij ook niet toewijsbaar als Uw Raad toch vernietigt en verwijst. Volgens vaste rechtspraak is in cassatie alleen plaats voor een veroordeling tot terugbetaling van hetgeen waartoe een partij in de bestreden uitspraak is veroordeeld indien Uw Raad die uitspraak vernietigt en het geding op de voet van art. 420 Rv zelf afdoet.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G