PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/04974
Zitting 27 oktober 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 18 oktober 2019 wegens “medeplichtigheid aan: medeplegen van: bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich verschaffen en in voorraad hebben” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/04881 en 19/04915. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. K.L. Korteweg, advocaat te Eindhoven, beroep in cassatie ingesteld.
4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 29 mei 2020 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 29 juli 2020. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden