ECLI:NL:PHR:2020:182

ECLI:NL:PHR:2020:182, Parket bij de Hoge Raad, 03-03-2020, 19/01313

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/01313
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:1124
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Conclusie AG. OM-cassatie tegen de vrijspraak van twee ouders van wie hun acht maanden oude zoontje in 2010 in Arnhem als gevolg van mishandelingen is overleden. Het hof kon niet vaststellen wie van de twee de geweldshandelingen heeft gepleegd en ook niet dat de beide ouders dat gezamenlijk moeten hebben gedaan. De enkele omstandigheid dat de verdachten de ouders zijn, is onvoldoende voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid. Dat de verdachten ontkennen en/of zwijgen is ook onvoldoende voor een veroordeling. Het hof zag kort gezegd geen wettig en overtuigend bewijs tegen de ene of de andere ouder. In cassatie moeten de vrijspraken, nu deze voldoende zijn gemotiveerd en niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, worden gerespecteerd. De conclusie strekt tot verwerping van de beroepen, waardoor de vrijspraken onherroepelijk zullen worden.

Uitspraak

17. Het tweede middel klaagt over de onjuiste rechtstoepassing van het onder 3 tenlastegelegde opzet, althans over de toereikende motivering van de vrijspraak van dat opzet.

18. Art. 255 Sr luidt als volgt:

“Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

19. Ik citeer Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink (bijgewerkt tot 1 juli 2006; inclusief de voetnoot):

“Voor het misdrijf is opzet vereist, en wel, wegens de plaatsing van het woord opzettelijk, een opzet gericht op al de bestanddelen. De dader moet dus

a. opzettelijk aan de zijnen onthouden hetgeen voor hun levensonderhoud, verpleging of verzorging noodzakelijk is.

b. opzet hebben op de hulpeloze toestand, de omstandigheid, dat de gerechtigde zelf niet in staat is in zijn noodzakelijke levensonderhoud, verpleging of verzorging te voorzien.”

20. In de noot hierboven wordt verwezen naar HR 13 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9177 en overweging 3.4.2. van dat arrest luidt voor zover van belang:

“ 's Hofs oordeel moet aldus worden verstaan dat, tegen de achtergrond van de wetenschap die de verdachte droeg van de eerdere mishandelingen van het slachtoffer door haar moeder en van zijn vrees voor een ernstige afloop daarvan, op hem de plicht rustte om zich onmiddellijk nadat hij van het verdergaand geweld had vernomen te vergewissen van de toestand van het slachtoffer, omdat hij zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat zij door die mishandeling in een hulpbehoevende toestand was komen te verkeren. Door die plicht te verzaken heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [het slachtoffer] in een hulpeloze toestand verkeerde, en dat hij deze toestand liet voortduren. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. (..)”

21. In recentere rechtspraak is er voor wat betreft het opzet in art. 255 Sr geen sprake van enige koerswijziging. Zie bijvoorbeeld HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013, BY9713 onder verwijzing naar de conclusie van Vellinga die onder meer opmerkt dat van wetenschap van de hulpeloze toestand sprake is als de verdachte weet dat hulp dringend is geboden. Zie ook HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1151 waarin de Hoge Raad beslist dat de opvatting van het hof over het opzet in art. 255 Sr niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet ontoereikend is gemotiveerd. Het hof overwoog onder meer: ‘Het feit dat zij wist van de mishandeling, maar niet ingreep om de situatie te doen stoppen, maakt dat er opzet is op het in hulpeloze toestand laten.”

22. In de toelichting op het middel onder 4 valt te lezen: “Rekwirant werpt hier de vraag op of de eis van wetenschap van de hulpeloze toestand waarin [slachtoffer] verkeerde, zoals het Hof die in casu stelt, door de onderhavige wettelijke bepaling vereist wordt, althans in die mate dat exact kan worden vastgesteld "of en zo ja, in hoeverre" dit het geval is.” Begrijp ik de steller van het middel goed dan zou de onjuiste rechtsopvatting van het hof dan wel de ontoereikende motivering blijken uit de laatste alinea van de onder randnummer 8 hierboven geciteerde overwegingen van het hof.

23. Anders dan kennelijk de steller van het middel zie ik niet in dat art. 255 Sr geen wetenschap van de hulpeloze toestand eist. Rechtspraak en literatuur zijn eenduidig en de toelichting op het middel stelt daar niets tegenover. Mogelijk beoogt het middel in het bijzonder de vraag aan de orde te stellen in hoeverre de wetenschap van hulpeloze toestand is vereist. Het lijkt er op de steller van het middel allereerst meent dat het hof het begrip opzet verkeerd heeft uitgelegd, omdat het hof voorwaardelijk opzet niet voldoende acht. Naar het oordeel van de steller van het middel ligt dat voorwaardelijk opzet op de hulpeloze toestand in de onder randnummer 8 geciteerde overwegingen van het hof besloten.

24. Voor zover er sprake is van een rechtsklacht over opzet, meen ik dat deze klacht faalt. Het is juist dat voor het opzet in art. 255 Sr voorwaardelijk opzet voldoende is zodat tenminste moet worden bewezen dat verdachte zich bewust is van een aanmerkelijke kans op de hulpeloze toestand en deze kans aanvaardt. Dat het hof het begrip opzet in art. 255 Sr te beperkt invult, valt echter niet af leiden uit de al onder randnummer 8 geciteerde overwegingen. De enkele omstandigheid dat het hof in de slotalinea van die overwegingen bepalend acht dat de niet voor de mishandelingen verantwoordelijke ouder “op de hoogte moet zijn geweest van de hulpeloze toestand” wijst niet in een andere richting. Daarin ligt immers besloten dat tevens voldoende is dat de ouder bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt en daarmee dus ook het voorwaardelijk opzet.

25. Onder punt 8 van de schriftuur wordt de rechtsklacht nog nader toegelicht en daaruit komt naar voren dat het hof bij de vaststelling van het opzet de vraag had moeten betrekken of de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat het kind “opnieuw zou worden mishandeld en daardoor het risico op concreet gevaar dreigde, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt.” Dat het niet stellen en beantwoorden van deze in de cassatieschriftuur geformuleerde (weinig heldere) vraag door het hof blijk geeft van een onjuiste invulling van (voorwaardelijk) opzet ontgaat mij. Nadere motivering zou aangewezen kunnen zijn indien in feitelijke aanleg hieromtrent een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zou zijn ingenomen. In cassatie wordt echter geen beroep gedaan op een in feitelijke aanleg ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

26. Daarmee ben ik aangeland bij de motiveringsklacht. Die klacht begrijp ik zo dat uit de onder randnummer 8 vermelde vaststellingen van het hof voorwaardelijk opzet (voor wat betreft de hulpeloze toestand) blijkt en dat daarom de motivering van de vrijspraak van opzet ontoereikend is. Dat is een opmerkelijke klacht nu ook voor het opzet als uitgangspunt heeft te gelden dat het wettig én overtuigend moet worden bewezen. De enkele omstandigheid dat het hof vaststellingen heeft gedaan die bruikbaar zijn als bewijs voor voorwaardelijk opzet brengt niet zonder mee dat daarmee het bewijs van opzet ook overtuigend is. Bovendien geldt nog dat uit de overwegingen van het weliswaar blijkt dat er letsel is geconstateerd, maar blijft in die overwegingen in het midden of verdachte een of meer vormen van letsel ook heeft geconstateerd en zo ja welke dan en wat daaruit voor wat betreft zijn bewustheid van de hulpeloze toestand kan worden afgeleid.

27. Ook het tweede middel faalt.

28. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?