PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03449
Zitting 10 maart 2020
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
[1] Het cassatieberoep is blijkens de akte rechtsmiddel van 19 maart 2019 niet gericht tegen de vrijspraken van de onder 1 primair en 2 primair telkens impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag en van het onder 3 tenlastegelegde.
[2] Bij de op 1 januari 2019 in werking getreden Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) zijn het tweede lid van art. 6:106 BW en de aanduiding “1.” voor het eerste lid komen te vervallen.
[3] C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 378.
[4] C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 380.
[5] HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775, NJ 2002/216, m.nt. Vranken, rov. 3.3.2.
[6] M.A. Elsen, ‘Kan de immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 BW dienen als aanknopingspunt voor de Amerikaanse punitive damages?’, in: A.L. Mohr, F.H.J. Mijnssen & R.H. Stutterheim (red.), J.L.P. Cahen bundel, Deventer: Gouda Quint 1997, p. 98.
[7] Noot (onder 5) onder HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775, NJ 2002/216.
[8] S.D. Lindenbergh, Smartengeld (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1998, p. 96-101. Zie ook S.D. Lindenbergh, Smartengeld. Tien jaar later, Deventer: Kluwer 2008, p. 24-26.
[9] F.F. Langemeijer, ‘Angst en onzekerheid als schadefactor’, in: M. Faure & T. Hartlief, De Spier-bundel. De agenda van het aansprakelijkheidsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 106. Zie ook A.J. Verheij, ‘Vergoedbaarheid van angstschade’, NTBR 2018/3, p. 19-20, en de noot van Lindenbergh (onder 17) onder HR (civiele kamer) 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162.
[10] N.A. Schipper, ‘De Hoge Raad over de vordering benadeelde partij: op welke punten is er ruimte over voor verduidelijking en/of heroverweging?’, TPWS 2019/101, p. 260-261.
[11] Vgl. de conclusie van A-G Wortel (ECLI:NL:PHR:2003:AL4719, onder 22) voor HR 4 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL4719 (art. 81 RO).
[12] Vgl. de conclusies van A-G Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2018:280, onder 46, en ECLI:NL:PHR:2018:281, onder 43) voor HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:836 (81 RO), en HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:796.
[13] P. 6 van het bestreden arrest.
[14] Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.3.