PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01776
Zitting 31 maart 2020
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
6. Uit het vorenstaande volgt dat de termijn tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof inderdaad ruim 25 maanden en dus meer dan twee jaar beloopt. In casu is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waarmee rekening zou moeten worden gehouden bij het vaststellen van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn. Aldus is sprake van een schending van art. 6, eerste lid tweede volzin, EVRM.
7. De rechter dient ambtshalve te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van art. 6, eerste lid, EVRM, maar behoeft in zijn uitspraak echter alleen in bepaalde gevallen te doen blijken van dat onderzoek, bijvoorbeeld wanneer door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd; op een zodanig verweer dient immers een gemotiveerde beslissing te worden gegeven. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd wordt door strafvermindering. Het staat de rechter evenwel vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig een door haar overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd.”
Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
“Strafmaatverweren:- Het gaat om feiten uit 2014 en 2016. Veroordelingen eerste aanleg van juni en september 2016. Er is derhalve een schending van de redelijke termijn nu de behandeling van het hoger beroep langer dan twee jaar na instellen van het hoger beroep aanvangt. Compensatie in de strafmaat.”
9. Aldus is namens de verdachte (hoe beknopt ook) verweer gevoerd inzake de schending van de redelijke termijn. Het hof heeft echter verzuimd op dit verweer een gemotiveerde beslissing te geven.
10. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Ik meen dat de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en (in dat verband) tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden