PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/05003
Zitting 31 maart 2020
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
6. De verdachte was op de nadere terechtzitting van 3 oktober 2018 aanwezig. Dit brengt mee dat het cassatieberoep op grond van art. 432 Sv binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof en dus uiterlijk op 31 oktober 2018 diende te zijn ingesteld.
7. Uit de akte cassatie, opgesteld door de administratief ambtenaar bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, blijkt echter dat het cassatieberoep op 7 november 2018 – dus (ruim) na het verstrijken van de cassatietermijn – is ingesteld.
8. De akte cassatie vermeldt verder dat (i) het cassatieberoep is ingesteld door de genoemde administratief ambtenaar nadat deze daartoe van een advocaat een schriftelijke volmacht verleend had gekregen om namens de verdachte een rechtsmiddel in te stellen, (ii) de bijzondere volmacht aan de cassatieakte is gehecht en (iii) die bijzondere volmacht ter griffie is ontvangen op 6 november 2018. Aan de cassatieakte is gehecht een e-mailwisseling die eveneens op 6 november 2018 heeft plaatsgevonden. Blijkens die e-mailwisseling zou mr. M.A. Buntsma om 15:49 uur de schriftelijke volmacht als bijlage bij het e-mailbericht aan de strafgriffie van het hof hebben verzonden.
9. De volmacht is gedateerd 18 oktober 2018 en houdt eensdeels in dat op 17 oktober 2018 arrest is gewezen in de zaak van verdachte [verdachte] met parketnummer 20/003616-15 en anderdeels dat mr. Buntsma door de verdachte is gemachtigd om een griffiemedewerker een bijzondere volmacht te geven tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel cassatie.
10. Op 6 november 2018, de dag waarop de bijzondere volmacht ter griffie is ontvangen (zie randnummer 8 ad (iii)), is direct daarop door een administratief medewerker B van het hof een e-mailbericht verstuurd aan de Centrale Informatiebalie (CIB) van de rechtbank Oost-Brabant, bij welke balie zowel hoger beroep als beroep in cassatie kan worden ingesteld. Dit e-mailbericht heeft de volgende inhoud:
“Van: Strafgriffie (Hof ’s-Hertogenbosch)Verzonden: dinsdag 6 november 2018 16:13 uurAan: CIB (Rechtbank Oost-Brabant)
Onderwerp: FW: [verdachte]
Bijlagen: [0001]
Hoi [...],
Naar aanleiding van ons telefoongesprek van zojuist.
Deze advocaat zegt dit per post al gestuurd te hebben, maar ik heb geen brief kunnen vinden..
Aub akte cassatie
[…]”
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden aangewend en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Uitgangspunt is dat de wettelijke cassatietermijn strikt in acht wordt genomen. Indien tegen een rechterlijke beslissing geen, of niet tijdig, een rechtsmiddel wordt ingesteld, wordt die beslissing onherroepelijk en daarmee vatbaar voor tenuitvoerlegging (art. 557 oud Sv; sinds 1 januari 2020 art. 6:1:16 Sv). Na een overschrijding van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel blijft een niet-ontvankelijkverklaring slechts dán achterwege, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, bijvoorbeeld in geval van een ambtelijk verzuim dat niet voor rekening van de verdachte mag komen. De enkele mogelijkheid dat de overschrijding van de cassatietermijn aan een ambtelijke fout te wijten is geweest, is onvoldoende om het beroep toch ontvankelijk te achten. Voor fouten die in de risicosfeer van de verdachte liggen, geldt dat die hem niet kunnen baten. Daaronder valt bijvoorbeeld het verzuim van de raadsman om tijdig hoger beroep in te stellen.
12. In de onderhavige cassatieschriftuur wordt op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in het geheel niet ingegaan. Wat betreft de vraag naar de ontvankelijkheid houden de stukken van het geding enkel in hetgeen hiervoor in de randnummers 5 t/m 10 is vermeld. Daaruit blijkt niet van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Aanknopingspunten die (voldoende) aannemelijk maken dat de advocaat eerder dan 6 november 2018 – en binnen de cassatietermijn – per post een schriftelijke volmacht aan de administratief ambtenaar of medewerker heeft verzonden om namens de verdachte cassatieberoep in te stellen en dat deze griffiemedewerker vervolgens in gebreke zou zijn gebleven tijdig een cassatieakte op te maken, biedt het dossier niet. Daarbij merk ik nog op dat door de raadsman pas zes dagen na afloop van de cassatietermijn de genoemde volmacht in een bijlage bij een e-mail aan de griffie van het hof is verzonden; binnen de cassatietermijn is door hem op dat punt geen initiatief genomen.
13. Nu in cassatie ervan uit dient te worden gegaan dat het beroep in cassatie pas op 7 november 2018 is ingesteld, is de verdachte gelet op het bepaalde in art. 432, eerste lid onder b, Sv niet-ontvankelijk in het beroep. Aan een bespreking van de middelen kom ik derhalve niet toe.
14. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden