PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01408
Zitting 18 februari 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 12 juli 2016 te Groningen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Reitdiephaven, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.”
6. Het mondeling arrest, zoals dat is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2019, houdt ten aanzien van de bewijsvoering het volgende in:
“inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) ten laste gelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan:
1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van overtreding d.d. 25 augustus 2016 (…);
2. een rijbewijsformulier inzake [verdachte] ;
3. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 12 juli 2016 (…);
leveren op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte het hierna bewezen verklaarde feit heeft begaan.”
7. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen – niet zijnde een opgave als bedoeld in artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv – zonder daarbij te vermelden de aan die bewijsmiddelen ontleende redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof het ten laste gelegde bewezen acht. Het bewezen verklaarde zou daarom niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.
8. Het bestreden arrest is (mondeling) gewezen door de enkelvoudige kamer van het hof. Dat brengt mee dat de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (hierna: de Regeling) van toepassing is. Art. 3 van de Regeling luidt, voor zover van belang, als volgt:
“De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in artikel 426d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de navolgende gegevens te bevatten:
(...) d. inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) telastegelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt).”
9. In het geval de enkelvoudige kamer van het hof mondeling arrest wijst, mag de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen – in overeenstemming met de Regeling – verwijzen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, ongeacht of het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv zich voordoet.
10. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat het hof niet mocht volstaan met het verwijzen naar de bewijsmiddelen en dat het hof de aan die bewijsmiddelen ontleende redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof het ten laste gelegde bewezen acht, in zijn arrest had dienen te vermelden. Gelet op het voorafgaande, is die opvatting onjuist. Ik merk nog op dat de raadsman van de verdachte heeft verklaard dat het overwegend om een strafmaatappel ging en dat hij geen bewijsverweer heeft gevoerd, zodat het hof ook anderszins niet gehouden was tot een nadere motivering.
11. Het middel faalt.
12. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv geen opgave van de redenen heeft gegeven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
13. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot één week hechtenis en daarbij bepaald dat hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van één jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
14. Ingevolge art. 359, zesde lid, eerste volzin, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, dient het hof bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. De motiveringsplicht van art. 359, zesde lid, Sv geldt alleen in geval van oplegging van een straf die vrijheidsbeneming meebrengt. Een voorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis is naar haar aard niet aan te merken als een straf die vrijheidsbeneming meebrengt. Dat betekent dat het middel, dat kennelijk op een andere opvatting berust, niet kan slagen.
15. Het middel faalt.
16. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden