PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03983
Zitting 21 januari 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
De verdachte ontkent niet dat hij een aanrijding heeft gehad met aangever maar hij is in eerste instantie niet op de hoogte geweest van het letsel dat daarbij is opgelopen. Als hij hiermee bekend zou zijn geweest, zou hij hulp hebben verleend.”
6. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft in dit verband het volgende overwogen:
“De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu hij de bestuurder van de bromfiets niet in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Het verkeersongeluk heeft in een drukke straat plaatsgevonden. Verdachte heeft gezien dat er mensen naar de bestuurder van de bromfiets toe gingen om te helpen en hij is pas daarna weggereden. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.
(…)
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 strekt ertoe dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken een daarbij gewond geraakte persoon waar mogelijk zelf onmiddellijk hulp biedt. Ook als het verkeersongeluk op een drukke straat plaatsvindt kan de betrokkene er niet gemakshalve op vertrouwen dat anderen voor de gewonde persoon zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat op dat moment daadwerkelijk hulp aan de gewonde persoon wordt geboden. Door zichzelf niet om de bestuurder van de bromfiets te bekommeren, heeft verdachte de bestuurder van de bromfiets in hulpeloze toestand achtergelaten. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.”
7. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het hof het volgende heeft vastgesteld:
(i) De verdachte bestuurde een personenauto, reed weg vanuit parkeerstand en zag de hem tegemoetkomende bromfietser, die hem frontaal naderde, niet aankomen, waardoor een botsing ontstond (bewijsmiddel 1);
(ii) De brommer reed frontaal op de auto af en de bromfietser kwam op de straat terecht (bewijsmiddel 2);
(iii) De aangever heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij een aanrijding tussen een personenauto en hemzelf, waarbij hij op een bromscooter reed. Hij kwam ten val en heeft volgens artsen zijn heup gebroken. Aan zijn rechterbeen heeft hij een “dubbel gecompliceerde beenbreuk”. Hij heeft erg veel pijn en wordt weer geopereerd (bewijsmiddel 3);
(iv) Uit de tot het bewijs gebezigde geneeskundige verklaring blijkt dat de aangever een fractuur en forse wond aan zijn rechter onderbeen heeft opgelopen alsmede een fractuur aan zijn knie. Voorts wordt gesproken over een “bekken met heup uit de kom”. De geschatte duur van de genezing bedraagt drie tot zes maanden (bewijsmiddel 4);
(v) De verdachte heeft verklaard dat hij wilde wegrijden en toen een harde knal hoorde. Hij zag dat er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en “van zijn bromfiets vloog”. Hij voorts verklaard dat hij van schrik snel naar het huis van zijn moeder is gereden, dat zijn moeder hem heeft verteld dat hij terug moest gaan en dat de ambulance net wegreed toen hij terugkwam (bewijsmiddel 5).
8. Art. 7, eerste lid, WVW 1994 luidt als volgt:
“Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.”
9. Het onder 1 ten laste gelegde feit is toegesneden op art. 7, eerste lid, WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "hulpeloze toestand" moet daarom worden geacht aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling onder b.
10. De stellers van het middel betogen dat van een ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994 geen sprake kan zijn als de verdachte zich ervan heeft vergewist dat er omstanders waren die het slachtoffer te hulp konden schieten, voordat hij de plaats van het ongeval verliet. Het hof zou – door anders te oordelen – zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De stellers van het middel wijzen in dat verband onder meer op mijn eerder ingenomen standpunt dat de term ‘hulpeloze toestand’ duidt op het ontbreken van hulp. Ik betoogde in dat verband dat indien aan het slachtoffer reeds adequate hulp wordt geboden, bijvoorbeeld doordat een arts of verpleger zich over het slachtoffer ontfermt, er geen sprake is van een hulpeloze toestand.
11. In dezelfde conclusie merkte ik echter ook op dat het mij te ver gaat aan te nemen dat het bewijs dat de verdachte het slachtoffer in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten niet is te leveren indien het verkeersongeval in een stad of in een dorpskern heeft plaatsgevonden, omdat er dan bijna altijd getuigen van het ongeval zijn, die zich kunnen ontfermen over het slachtoffer. Ik merkte op dat voor straffeloosheid onvoldoende is dat de bij een verkeersongeval betrokkene er gemakshalve op vertrouwt dat omstanders voor het slachtoffer zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat die hulp op dat moment daadwerkelijk wordt geboden. Een andere visie staat haaks op de ratio van de strafbaarstelling, waarbij van de bij het ongeval betrokkene wordt gevergd dat hij zich bekommert om het hulpbehoevende slachtoffer. Van de bij het ongeval betrokkene wordt meer verwacht dan te vertrouwen op de komst van een barmhartige Samaritaan. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest in de desbetreffende zaak dat de opvatting dat slechts sprake kan zijn van het in hulpeloze toestand achterlaten als bedoeld in art. 7, eerste lid onder b, WVW 1994 indien 'de ander' niet op eigen kracht hulp kan inroepen onjuist is.
12. In de onderhavige zaak is in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte, op het moment dat hij de plaats van het ongeval verliet, heeft gezien dat mensen zich om het slachtoffer hebben bekommerd. Mede gelet op die omstandigheid, is (subsidiair) verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof heeft in reactie op dit verweer overwogen dat ook als het verkeersongeluk op een drukke straat plaatsvindt de verdachte er niet gemakshalve op kan vertrouwen dat anderen voor de gewonde persoon zullen zorgen, zonder dat hem is gebleken dat op dat moment daadwerkelijk hulp aan de gewonde persoon wordt geboden.
13. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de hiervoor onder 7 weergegeven feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de aangever na het ongeval met een gecompliceerde dubbele beenbreuk, zijn heup uit de kom en erg veel pijn op de straat bleef liggen. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder het daaruit volgende letsel, kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de aangever in hulpeloze toestand verkeerde. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering blijkt dat de ambulance net wegreed toen de verdachte terugkwam op de plaats van het ongeval. Verder wijs ik erop dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geen enkel aanknopingspunt heeft gevonden om aan te nemen dat de verdachte zich om het lot van het slachtoffer heeft bekommerd.
14. Ik wijs er in dat verband op dat de uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter. Die uitleg kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Kennelijk heeft het hof het verweer aldus uitgelegd, dat dit inhoudt dat de verdachte heeft gezien dat er mensen op het gevallen slachtoffer afkwamen. Dat is iets anders dan dat de verdachte zou hebben gezien dat adequate hulp werd geboden door (bijvoorbeeld) een arts of verpleegkundige. Deze uitleg acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik aanmerking dat niet is aangevoerd dat de verdachte pas is weggereden nadat hij zich ervan had vergewist dat het slachtoffer van hulp werd voorzien. De verdachte heeft verklaard dat hij “door de schrik snel” naar het huis van zijn moeder is gereden. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte in paniek is weggereden en dat hij aanvankelijk niet op de hoogte was van het letsel dat daarbij was opgelopen, terwijl hij hulp zou hebben verleend als hij daarvan wel op de hoogte zou zijn geweest. In de bestreden uitspraak ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat zich in dezen niet de situatie voordeed waarin de bestuurder ervan mocht uitgaan dat daadwerkelijk dusdanig adequate hulp werd geboden, dat geen sprake meer was van een ‘hulpeloze toestand’ als bedoeld in art. 7, eerste lid onder b, WVW 1994. Daarbij wijs ik erop dat de verdediging niet heeft aangevoerd dat op het moment dat de verdachte wegreed reeds medische hulp aan de aangever zou zijn geboden. Het hof heeft het verweer aldus verworpen op gronden die die verwerping kunnen dragen.
15. De klacht dat uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte wist dat hij iemand in hulpeloze toestand achterliet, kan – gelet op het voorafgaande – evenmin slagen. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat “er een bromfietser tegen de rechter voorkant van de auto aanreed en van zijn bromfiets afvloog” en dat hij “door de schrik” snel naar het huis van zijn moeder is gereden. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de verdachte daarmee minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever letsel was toegebracht en in hulpeloze toestand werd achtergelaten, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
16. Het middel faalt.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden