17. Bespreken vereisten noodweer
Voor noodweer(exces) moet sprake zijn van:
A) een aanranding: cliënt zelf heeft met betrekking tot de aanranding verklaard dat hij werd aangevallen door een onbekende man. [slachtoffer 1] heeft het over in stevige pas naar cliënt lopen.
18. Getuige [slachtoffer 2] (partner aangever) probeert daar nog van te maken dat cliënt als eerste geslagen zou hebben en dat daarna over en weer geweld is gebruikt, maar dit blijkt niet te kloppen volgens het proces-verbaal van bevindingen.
19. Verbalisanten relateren dat [slachtoffer 1] de agressor was en fysiek de confrontatie opzocht:
p.11: '...Ik, [verbalisant 4] zag dat deze man de latere aangever [slachtoffer 1] , de door [verbalisant 3] staande gehouden man vastgreep'.
p.11: 'Ik zag dat hij de man de latere verdachte [verdachte] aan zijn jas vastpakte en probeerde om hem te slaan/schoppen'
20. Dat er sprake was van een aanranding, die bovendien begon door aangever, staat dus niet ter discussie.
21. B) ogenblikkelijk: de noodweerhandeling is eerst toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen. In onderhavige zaak was de aanval al begonnen.
22. C) de wederrechtelijkheid en het gericht zijn tegen een eigen of andermans lijf: er was sprake van een wederrechtelijke aanranding van het lijf van cliënt. Dit is dus ook geen discussiepunt.
23. D) doel van verdediging/ noodzakelijk: Een belangrijk punt is die van de subsidiariteit en de proportionaliteit. De verdediging heeft hiervoor al bepleit dat dit lastig beoordelen is omdat de verklaringen over wanneer een schop gegeven is uit elkaar lopen. Maar kon cliënt anders handelen en heeft hij niet meer geweld gebruikt dan nodig is?
Cliënt heeft geprobeerd anders te handelen, namelijk door een duw te geven. Dit is gerelateerd door de politie.
24. Overigens heeft niet alleen de cliënt geprobeerd aangever [slachtoffer 1] te stoppen. Ook de politie heeft dit geprobeerd (pv-bevindingen, pagina 11). Hij heeft een schop gegeven en niet meer terwijl aangever probeerde te schoppen en te slaan. Cliënt en de politie heeft er alles gedaan om de schoppende en slaande man tegen te houden, maar dat mocht niet baten. De toets kan worden doorstaan.
De verdediging verzoekt U cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging.’
10. In het overzichtsarrest inzake noodweer(exces) van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond heeft Uw Raad onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
‘3.1.2. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.
(…)
Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.’
11. De steller van het middel heeft in zoverre gelijk, dat het hof het beroep op noodweer niet als een beroep op een strafuitsluitingsgrond heeft verworpen. Uit ’s hofs overwegingen kan worden afgeleid dat het hof het beroep op noodweer heeft benaderd als een bewijsverweer. Dat volgt in het bijzonder uit de omstandigheid dat het hof het beroep op noodweer en de reactie daarop van de advocaat-generaal heeft weergegeven onder de overwegingen met betrekking tot het bewijs. Dat het hof het beroep op noodweer heeft benaderd als een bewijsverweer zou zijn oorzaak kunnen vinden in de omstandigheid dat een rechtvaardigingsgrond meebrengt dat van mishandeling geen sprake is. Uw Raad heeft evenwel eerder beslist dat de opvatting dat in het begrip ‘toebrengen van zwaar lichamelijk letsel’ de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking is gebracht, niet juist is. De enkele omstandigheid dat het hof het beroep op noodweer als een bewijsverweer heeft benaderd, brengt evenwel nog niet mee dat het middel tot cassatie leidt; daarvoor is pas aanleiding als de motivering van de verwerping die in de bewijsmotivering besloten ligt ontoereikend is.
12. Uit ’s hofs bewijsoverweging volgt dat het hof van oordeel is dat ‘het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen’. Kennelijk is het hof van oordeel dat ook het beroep op noodweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor. Het gevoerde verweer bestrijdt dat de verdachte als eerste heeft geslagen; het hof heeft de verklaring van [slachtoffer 2] , die dat heeft waargenomen, evenwel tot het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 2). Het gevoerde verweer houdt in dat [slachtoffer 1] de agressor was. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] naar de verdachte toe rende (bewijsmiddelen 2 en 3) en de verdachte ‘vastgreep’ (bewijsmiddel 3). Tegelijk wordt evenwel vastgesteld dat de verdachte ‘gelijk agressief reageerde’ en [slachtoffer 1] ‘wilde slaan en schoppen’ (bewijsmiddel 2). De verbalisanten spreken over mannen die ‘uit elkaar getrokken’ worden en die worden ‘gesommeerd te stoppen met vechten’ (bewijsmiddel 3). Ook het beeld dat de agressie van één kant kwam wordt daarmee door de bewijsmiddelen weersproken. Het verweer houdt tenslotte in dat subsidiariteit en proportionaliteit lastig te beoordelen zouden zijn omdat de verklaringen over wanneer een schop is gegeven uit elkaar lopen. De bewijsmiddelen en ’s Hofs daarop gebaseerde vaststellingen zijn op dat punt evenwel helder. Nadat beide mannen uit elkaar zijn getrokken en [slachtoffer 1] daardoor ‘al wankelend achterover was gevallen’ duwt verdachte verbalisant [verbalisant 4] opzij, loopt toch weer in de richting van [slachtoffer 1] en schopt deze ‘kennelijk opzettelijk en met kracht met zijn rechtervoet tegen het hoofd’ (bewijsmiddel 3).
13. In ’s hofs vaststellingen ligt besloten dat het hof de door de verdediging gestelde toedracht deels niet aannemelijk acht. En uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, die het hof in de bewijsoverweging nog eens heeft samengevat, volgt toereikend dat en waarom ten tijde van de trap van een noodweersituatie geen sprake (meer) was. Zo daarvan sprake is geweest, was de noodweersituatie geëindigd op het moment dat de verdachte en de aangever uit elkaar waren gehaald door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] . Ik teken bij het voorgaande nog aan dat door de verdediging geen beroep is gedaan op noodweerexces.
14. Al met al klaagt het middel terecht dat het bestreden arrest niet bepaaldelijk een beslissing omtrent het beroep op noodweer bevat, zoals art. 358, derde lid, Sv (in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv) eist. Het middel leidt evenwel niet tot cassatie, nu uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging voortvloeit dat en waarom het verweer is verworpen. Die verwerping is in de bewijsmotivering niet onbegrijpelijk en toereikend met redenen omkleed.
15. Het eerste middel leidt niet tot cassatie.
16. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte althans onbegrijpelijk gemotiveerd het verweer van de verdediging heeft verworpen dat bij feit 2 niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv.
17. De raadsman van de verdachte heeft tijdens het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 18 januari 2019 onder meer aangevoerd:
‘4. De verdediging begint in een andere volgorde, met feit 2, omdat niet voldaan kan worden aan het bewijsminimum.
5. Want wat ligt er in het dossier als bewijs?
Enkel de verklaring van [slachtoffer 2] dat iemand zijn geslachtsdeel zou hebben getoond aan haar. Dat deze verklaring gedetailleerd zou zijn, zoals de rechtbank dit overweegt, maakt het niet anders. Het blijft maar één verklaring die iets zegt over feit 2.
6. Cliënt wordt later staande gehouden en dat zegt aangeefster dat cliënt degene zou zijn die zijn geslachtsdeel heeft laten zien. Dus we hebben alles bij elkaar enkel de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2]. Alles is te herleiden naar enkel haar verklaring.
7. De rechtbank probeert te plussen door te verwijzen naar het feit dat aangeefster zou hebben gebeld naar haar echtgenoot, maar dat blijft nog steeds één iemand die het feit zou hebben gezien. Datzelfde geldt voor de verwijzing van de rechtbank naar de verbalisanten.
8. Gechargeerd zou het standpunt van de rechtbank betekenen dat elke burger iemand aan kan wijzen en dit stand houdt door bijvoorbeeld naar familieleden te bellen enz.
9. Cliënt ontkent het feit stellig. Er kan niet voldaan worden aan het bewijsminimum ex. art. 342 lid 2 Sv. Dus cliënt dient te worden vrijgesproken te worden van dit feit.’
18. Art. 342, tweede lid, Sv, luidt:
‘Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.’
19. Uw Raad hanteert bij deze bewijsminimumregel de volgende standaardoverweging:
‘Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen (…). Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd’
20. Met de regel dat art. 342, tweede lid, Sv de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan, kan in verband worden gebracht dat het steunbewijs niet op het daderschap van de verdachte betrekking behoeft te hebben. Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012/252 m.nt. Schalken. Bewezen was verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening een scooter had weggenomen. Deze bewezenverklaring berustte in de kern op de verklaring die de medeverdachte tegenover de politie had afgelegd. Daarin verklaarde deze dat hij de betreffende scooter samen met de verdachte uit een nader omschreven voortuin had gestolen. Uw Raad oordeelde dat niet kon worden gezegd dat de verklaring van de medeverdachte onvoldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat dit inhield dat de scooter die de medeverdachte ‘na de confrontatie met de politie had achtergelaten en waarover hij in zijn verklaring spreekt, bij navraag bij de Rijksdienst voor het wegverkeer op naam bleek te zijn gesteld van degene die aangifte had gedaan van de diefstal van haar scooter, en dat zij deze scooter ook als de hare heeft erkend’.
21. In situaties waarin niet alleen het daderschap van de verdachte maar ook het gepleegd zijn van een delict in de kern op de verklaring van de aangever steunt, kan steunbewijs worden ontleend aan eigen waarnemingen van derden omtrent de toestand van de aangever vlak na het moment waarop het tenlastegelegde feit plaatsvond. In HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, NJ 2014/328 m.nt. Rozemond was ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat hij aangeefster tegen haar buik heeft gestompt, terwijl zij zwanger was, waardoor zij pijn heeft ondervonden. Steunbewijs was de verklaring van een buurman, inhoudend dat aangeefster toen zij zwanger was een keer huilend en verkrampt met haar handen op haar buik aan de voordeur stond en zei dat verdachte haar in haar buik had geschopt. Uw Raad oordeelde dat niet kon worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster onvoldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal. In een latere noot is Rozemond uitgebreid ingegaan op rechtspraak waarin steunbewijs dat ziet op waarnemingen van emoties al dan niet toereikend is geoordeeld. Rozemond brengt de relevantie van waargenomen emoties in verband met twee ervaringsregels: (1) na een aanranding zijn slachtoffers vaak hevig geëmotioneerd; (2) door verloop van tijd verliezen de emoties aan kracht.
22. In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat toereikend steunbewijs besloten ligt in de omstandigheid dat de verdachte, met het door aangeefster opgegeven specifieke signalement, korte tijd na de schennis in de directe nabijheid van de plaats delict door de politie is aangetroffen. Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat vaststellingen inzake de aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict inderdaad van belang zijn. In HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117, NJ 2019/23 m.nt. Rozemond was bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer had gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen; hij had zijn handen onder de broek en het ondergoed van aangeefster gebracht en vervolgens haar schaamstreek betast. Uw Raad wijst erop dat het hof naast de verklaring van aangeefster onder meer tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van de verdachte ‘dat hij naar de woning van aangeefster is toegegaan en haar van achter heeft ‘beetgepakt en opgebeurd’ om iets uit de kast te pakken’. Dat leverde in combinatie met verklaringen van twee getuigen omtrent kort na het incident bij aangeefster waargenomen emoties toereikend steunbewijs op.
23. De enkele aanwezigheid van de verdachte op of in de buurt van de plaats van het tenlastegelegde feit levert evenwel niet (onder alle omstandigheden) toereikend steunbewijs op. In HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189, NJ 2018/297 m.nt. Rozemond waren ten laste van de verdachte zedendelicten bewezenverklaard die onder meer bestonden uit seksueel binnendringen. Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de ‘aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de aangeefster in zijn woning, op een camping en in zijn vakantiehuisje, en de – niet op specifieke omstandigheden betrekking hebbende – verklaring van de dochter van de verdachte over diens “dwingende, geen weigering duldende handelwijze”’ het vereiste steunbewijs opleverde, niet zonder meer begrijpelijk was. Rozemond noemt in zijn noot onder NJ 2018/298 (nr. 4) als mogelijke verklaring voor het oordeel van Uw Raad dat de informatie over de aanwezigheid van aangever en verdachte in hetzelfde huis te algemeen was om voldoende steun te bieden voor seksueel misbruik. Mij lijkt in dat kader relevant dat de verdachte (huis)vriend en collega van de vader van aangeefster was; mede tegen die achtergrond lag in zijn aanwezigheid geen voldoende belastende aanwijzing besloten.
24. In andere situaties kan de vaststelling dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit op de plaats van het tenlastegelegde feit aanwezig was meer belastend zijn. Bij wijze van voorbeeld wijs ik op HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010/612 m.nt. Borgers, waarin net als in de onderhavige zaak het tonen van een ontbloot geslachtsdeel centraal stond. Onder de bewijsmiddelen zijn verklaringen opgenomen van een meisje van negen jaar oud en haar vader. Daaruit blijkt dat zij, haar broer en een vriendinnetje bezig waren een sleutel uit de put te halen toen een man van ongeveer 50 jaar bij hen bleef staan. Op een gegeven moment liet de man zijn piemel zien aan het meisje. De volgende dag ziet het meisje de man lopen in het centrum van Waalwijk; haar moeder en een kennis houden de verdachte vervolgens aan. De verdachte verklaart ter terechtzitting in hoger beroep onder meer dat hij naar de kinderen toe is gelopen en bij de put is blijven staan. De broer van het meisje verklaart dat zijn zusje en haar vriendinnetje vies keken toen zij van de man wegliepen; dat hij toen gezegd heeft “wat doen jullie dom” en dat hij zijn zusje toen tegen hem hoorde zeggen “dat de man zijn piemel had laten zien”. Uw Raad oordeelde dat in dit geval niet gezegd kon worden dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van het slachtoffer onvoldoende steun vonden in het overige gebezigde bewijsmateriaal.
25. Annotator Borgers schreef naar aanleiding van dit arrest dat in het geval de enkele aanwezigheid van de verdachte op de plaats van het delict voldoende steunbewijs zou opleveren, ‘de koerswijziging die met de arresten van 30 juni 2009 is ingezet, weinig om het lijf heeft’. Borgers achtte het evenwel ‘niet uitgesloten’ dat Uw Raad betekenis heeft toegekend aan de verklaring van de broer. Dat komt ook mij aannemelijk voor. Een gezichtsuitdrukking is niet gelijk te stellen aan een waargenomen hevige emotie, maar de waarneming daarvan in samenhang met het antwoord van zijn zus op de gestelde vraag brengt mee dat ook deze verklaring eraan bijdroeg dat de verklaring van het slachtoffer niet op zichzelf stond. Samen met de vaststelling dat de verdachte die voor het slachtoffer een volslagen onbekende was ter plaatse aanwezig was, vormde deze verklaring toereikend steunbewijs.
26. Ik keer terug naar het middel. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het tenlastegelegde feit plaatsvond op de hoek van de Thomas de Keyserstraat en de Cornelis Troostlaan, tussen 9.15 uur en 9.41 uur (bewijsmiddel 5). Omstreeks 9.43 uur krijgen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de opdracht van de regionale meldkamer om naar de Thomas de Keyserstraat te gaan; zij zien dan op de Elferinksweg de verdachte lopen (bewijsmiddel 6). Uit openbare bronnen (www.googlemaps.nl) blijkt dat beide straten vlak bij elkaar liggen. Daaruit volgt dat, zoals het hof heeft overwogen, de verdachte ‘korte tijd na de schennis in de directe nabijheid van de plaats-delict door de politie is aangetroffen’. Uit de verklaring van verbalisanten volgt ook dat de verdachte volledig aan het door aangeefster opgegeven signalement voldeed.
27. Uit de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging volgt niet dat anderen dan [slachtoffer 2] het strafbare feit hebben waargenomen. De verklaring van haar echtgenoot [slachtoffer 1] houdt wel in dat [slachtoffer 2] haar waarnemingen kort nadien met hem heeft gedeeld. Hij hoort dat zij zegt dat de man haar ‘om een doekje had gevraagd terwijl zijn geslachtdeel te zien was’ (bewijsmiddel 1). Dat telefoongesprek vindt omstreeks 9.35 uur plaats. Kort daarvoor of daarna belt [slachtoffer 2] ook de politie. [slachtoffer 1] rept niet van emoties bij [slachtoffer 2] , maar uit de omstandigheid dat zij hem zo snel na het gebeurde gebeld heeft en dat hij vervolgens onmiddellijk naar haar toe is gereden kan naar het mij voorkomt worden afgeleid, voor zover dat niet reeds in de inhoud van haar verklaring besloten ligt, dat een en ander haar niet onberoerd heeft gelaten.
28. Ik zou er daarbij overheen willen stappen dat het hof de verklaring van [slachtoffer 1] alleen bij feit 1 als bewijsmiddel heeft vermeld. Belangrijk lijkt mij vooral dat het hof deze voor het bewijs van een samenhangend feit gebezigde verklaring betrouwbaar heeft geacht. Dat het hof de bewijsmiddelen ten behoeve van de inzichtelijkheid van de bewijsconstructie per bewezenverklaard feit heeft gerubriceerd, het hof is daar niet toe verplicht, is naar het mij voorkomt onvoldoende reden om een verklaring als steunbewijs bij het andere feit buiten beschouwing te laten. Ik wijs er daarbij nog op dat uit de bij feit 2 tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster wel volgt dat zij haar echtgenoot onmiddellijk heeft gebeld. Dat aan de koppeling van bewijsmiddelen aan bewezenverklaarde feiten geen doorslaggevend belang wordt gehecht, sluit naar het mij voorkomt aan bij de regel dat cassatie achterwege blijft indien ‘een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden’. Die regel kan alleen worden toegepast als over ‘de betrouwbaarheid van het bewijs in redelijkheid geen twijfel kan bestaan’. Daarvan is sprake als de betrouwbaarheid van de informatie die de lacune in de bewijsvoering dicht, door de rechter in ander verband is vastgesteld of anderszins vaststaat.
29. De verdachte was tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aanwezig. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 juni 2017 was de verdachte wel aanwezig; de verdachte heeft daar onder meer verklaard: ‘Ik kan mij nog herinneren dat ik door de politie werd aangehouden. Over wat daarvoor is gebeurd wil ik niets zeggen. Ik was die ochtend bij de Albert Heijn aan het wachten tot de winkel open ging.’ ‘Ik heb niet gesproken met een vrouw en ik heb mijn piemel niet laten zien. Voor het overige beroep ik mij op mijn zwijgrecht’. Het hof heeft het bestreden arrest, conform het voorschrift van art. 422, tweede lid, Sv, gewezen mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
30. Als de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen, worden gelegd naast de feiten en omstandigheden die in het arrest van 5 oktober 2010 uit de bewijsmiddelen naar voren komen, meen ik dat er grote overeenkomsten zijn. In beide zaken kan uit andere bewijsmiddelen dan de verklaring van het slachtoffer in toereikende mate steun worden afgeleid voor de vaststelling dat de verdachte op de tijd van het delict op de plaats van het delict aanwezig was. In de zaak uit 2010 verklaarde de verdachte dat zelf, in deze zaak heeft het hof het kunnen afleiden uit de omstandigheid dat de verdachte kort nadien in de directe nabijheid van de plaats delict door de politie is aangetroffen. In beide zaken gaat het om een verdachte die een onbekende is voor het slachtoffer. In beide zaken is er voorts de verklaring van een derde inhoudend dat het slachtoffer vlak na het tenlastegelegde feit over de waarnemingen heeft verteld. Was het in 2010 de broer van het slachtoffer, in de onderhavige zaak is het [slachtoffer 1] (haar echtgenoot); daarbij heeft [slachtoffer 2] ook de politie vlak na het gebeurde geïnformeerd. Een verschil is dat de broer ook nog gezien heeft dat het slachtoffer een ‘vies gezicht’ trok; dat is een waarneming die naast de inhoud daarvan naar het mij voorkomt echter slechts een beperkte toegevoegde waarde heeft. Daar komt bij dat [slachtoffer 2] in de onderhavige zaak onmiddellijk de politie en haar echtgenoot [slachtoffer 1] heeft gebeld en dat de laatste naar aanleiding van het telefoontje onmiddellijk naar haar is toegereden; ook dat is een bevestiging dat haar waarnemingen aangeefster niet onverschillig lieten.
31. Wat de relevantie van waargenomen emoties betreft kan in herinnering worden geroepen dat Rozemond deze baseert op de ervaringsregel dat slachtoffers na een aanranding dikwijls hevig geëmotioneerd zijn. Die ervaringsregel behoeft bij schennis van de eerbaarheid niet in dezelfde mate op te gaan. Dat mag naar het mij voorkomt worden betrokken bij de ‘beoordeling van het concrete geval’ die Uw Raad in de eerder geciteerde overweging voorop stelt. Dat geen expliciete waarnemingen van (hevige) emoties zijn vermeld kan bij de waardering van de toereikendheid van de bewijsconstructie moeilijk doorslaggevend worden geacht. Ik teken daarbij aan dat het ook bij schennis van de eerbaarheid om een delict gaat dat zich dikwijls in één op één-situaties afspeelt.
32. Bij de beantwoording van de vraag of de bij feit 2 tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal kan ook het volgende worden betrokken. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat de blote penis van verdachte in erectie was. Hij doet volgens haar popie jopie en roept ‘Vind je dit niet lekker dan, heb jij geen kerel dan’. Zelfs als zij hem waarschuwt voor haar man achtervolgt hij haar ‘met zijn praatjes’ (bewijsmiddel 5). De (opgefokte) gemoedstoestand van verdachte die uit deze verklaring blijkt, sluit goed aan bij de gemoedstoestand die uit het relaas van verbalisanten naar voren komt. Ik wijs er in het bijzonder op dat uit dat relaas blijkt dat verdachte, nadat beide vechtende mannen uit elkaar zijn gehaald, zich losrukt en [slachtoffer 1] tegen het hoofd schopt (bewijsmiddel 3). Ook de vaststellingen inzake de gemoedstoestand van de verdachte die uit de bewijsmiddelen blijken, dragen er daarmee aan bij dat de bij feit 2 tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer 2] niet ‘op zichzelf’ staat en voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Relevant is naar het mij voorkomt tenslotte ook dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen.
33. Het hof heeft de aanwijzingen uit de bewijsvoering die de verklaring van aangeefster ondersteunen in de bewijsoverweging slechts ten dele benoemd. Uit ’s hofs bewijsoverweging volgt evenwel duidelijk dat het hof niet van het misverstand is uitgegaan dat steunbewijs inzake de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster volstaat. Uit rechtspraak van Uw Raad blijkt bovendien dat een (vlekkeloze) bewijsoverweging van het hof geen voorwaarde is voor verwerping van een klacht over schending van de unus testis regel. En het hof heeft het meest zwaarwegende steunbewijs benoemd; de overige aanwijzingen blijken toereikend uit de bewijsvoering van feit 1; de proceshouding van verdachte blijkt uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
34. Al met al komt het mij voor dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in het gebezigde bewijsmateriaal en dat van schending van artikel 342, tweede lid, Sv geen sprake is.
35. Het tweede middel faalt.
36. Beide middelen falen. In ieder geval het eerste middel leent zich voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
37. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
38. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG