5. Het eerste middel
Het middel klaagt dat het hof het bewezen verklaarde voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie ten onrechte strafbaar heeft geacht, althans dat het in verband daarmee gevoerde verweer op ontoereikende gronden is verworpen.
Voor zover relevant heeft het hof ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer de volgende bewijsoverwegingen in het vonnis opgenomen:
“De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat de verdachte het vuurwapen en de munitie rechtmatig voorhanden heeft gehad, nu het inleveren van het dienstvuurwapen bij een schorsing of ontslag noch in de politieregeling 1999 noch in het Landsbesluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 is geregeld.
Het Hof overweegt als volgt.
De bevoegdheid van een politieagent om een vuurwapen voorhanden te hebben, is in de Vuurwapenverordening geregeld in het tweede lid van artikel 3. Daarin staat dat die
bevoegdheid toekomt “aan hem, die het wapen voor een publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft”.
Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat degene die gedurende een schorsing het wapen onder zich heeft, dat niet in voormelde zin voorhanden heeft.
Dat volgt ook uit de gang van zaken. Nadat hij werd geschorst, heeft hij onder meer zijn dienstvuurwapen met patronen en houders ingeleverd en is hem gevraagd of hij al het aan hem verstrekte materieel had ingeleverd. Vastgesteld kan worden dat de verdachte dat niet heeft gedaan, nu in zijn woning een ander dienstvuurwapen en munitie zijn aangetroffen. Dat vuurwapen en die munitie heeft hij daarom voorhanden gehad in de zin van de verbodsbepaling als gedefinieerd in artikel 3, eerste lid, Vuurwapenverordening.
(…)
Het verweer wordt daarom verworpen.”
Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de verdachte tot het voorhanden hebben van het wapen en de munitie bevoegd was, omdat hij de onder hem aangetroffen voorwerpen (vuurwapen en munitie) nog steeds voor een publiekrechtelijk lichaam – de politie – onder zich had. Derhalve zou hij voor het door het hof bewezen verklaarde niet strafbaar zijn.
De Vuurwapenverordening van Sint Maarten (hierna: de Vuurwapenverordening) luidde ten tijde van het delict, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, als volgt:
- Art. 3:
“1.Het is verboden een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, behoudens de uitzonderingen in het volgende lid genoemd.
2.De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt alleen toe:
1o. aan een publiekrechtelijk lichaam;
2o. aan hem, die het wapen voor een publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft;
3o. aan hem, die ingevolge de Wapenverordening het wapen bij zich mag hebben;
(…)
5.Hij, die niet bevoegd is om een vuurwapen voorhanden te hebben, is eveneens niet bevoegd om munitie voorhanden te hebben, tenzij hij ingevolge bestaande wettelijke regelingen tot dit laatste gerechtigd is.”
- Art. 11:
“Hij, die een bij of krachtens deze verordening gesteld verbod, overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste tienduizend gulden. Indien echter, naar hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden, enig voorwerp met betrekking tot hetwelk het feit wordt begaan is een bom, een handgranaat of een dergelijk voor ontploffing of voor het verspreiden van verstikkende of vergiftige gassen bestemd wapen, een vlammenwerper, een kanon, een machinegeweer of een onderdeel van een van die vuurwapens, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van ten hoogste vijfentwintigduizend gulden opgelegd.
(…)”
De Wapenverordening van Sint Maarten, waarnaar art. 3 lid 1 sub 3o van de Vuurwapenverordening verwijst, houdt – voor zover van belang – het volgende in:
- Art. 1:
“1.Het is verboden op de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats een wapen bij zich te hebben.
(…)”
- Art. 2:
“De bepaling van artikel 1 is niet toepasselijk:1°. op ambtenaren en beambten, die krachtens besluit van de Minister van Justitie, hierna te noemen: de minister, een wapen bij zich mogen hebben;
2°. op hen, die een wapen bij zich hebben, dat behoort bij hun ambtskleding;
3°. op hen, die deel uitmaken van de gewapende macht, van de politie, voor zover het wapen, dat zij bij zich hebben, tot hun uitrusting behoort;
(…)”
Voor de beoordeling van de aan het middel ten grondslag gelegde klacht lijkt mij het volgende van belang. Uit de overwegingen van het hof kan worden opgemaakt dat het hof er in het onderhavige geval vanuit is gegaan dat de bevoegdheid van een politieagent om een (vuur)wapen voorhanden te hebben voortvloeit uit art. 3 lid 2 van de Vuurwapenverordening. De uitzonderingspositie die een politieagent geniet op het verbod om een vuurwapen voorhanden te hebben, berust volgens het hof op de omstandigheid dat hij dat wapen voorhanden heeft voor een publiekrechtelijk lichaam (de politie). Het is de vraag of dit uitgangspunt wel juist is. Op basis van art. 3 lid 2 onder 3o van de Vuurwapenverordening juncto art. 2 onder 3o Wapenverordening is immers specifiek voor hen die deel uitmaken van de politie, voor zover het wapen tot hun uitrusting behoort een uitzondering op het voorhanden hebben van een wapen van toepassing. Dat bij een politieagent het dienstwapen tot de uitrusting behoort, blijkt vervolgens uit de Uitrustingsregeling voor de politie (hierna: Uitrustingsregeling), die in art. 2 lid 1 onder c regelt dat de bewapening van een ambtenaar van politie ‘tijdens de uitoefening van de dienst’ (onder meer) bestaat uit het pistool of de revolver met daarbij behorende munitie. De plaatsing van dat artikel in het hoofdstuk ‘bewapening en overige uitrusting’ maakt voldoende duidelijk dat bewapening in beginsel tot de standaard uitrusting van een politieagent behoort. De uitzonderingsregeling van art. 3 lid 2 onder 3o van de Vuurwapenverordening juncto art. 2 onder 3o Wapenverordening lijkt mij minst genomen beter passen dan die door het hof is gehanteerd. Dat laat zich nog nader adstrueren aan de hand van de geschiedenis van die bepaling. De Vuurwapenverordening (Sint Maarten) is gebaseerd op de Vuurwapenverordening van 1930 van de Nederlandse Antillen, die op zijn beurt – het concordantiebeginsel indachtig - significante gelijkenis vertoont met de vroegere in Nederland geldende Vuurwapenwet 1919. In die wet was een met art. 3 lid 2 onder 2o Vuurwapenverordening vergelijkbare bepaling opgenomen, inhoudende dat de bevoegdheid een vuurwapen voorhanden te hebben toekomt aan hem, die het wapen voor het publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft. Maar blijkens de wetsgeschiedenis vielen daaronder bijvoorbeeld “de directeuren van artillerie-inrichtingen, personen, die in beslag genomen of ingeleverde vuurwapenen voor Rijk of gemeente onder zich hebben, leden van burgerwachten, die van een publiekrechtelijk lichaam een geweer ten gebruike hebben gekregen, enz.”. Voor de politie gold in de Vuurwapenwet 1919 art. 3 lid 2 onder 3o. Dat artikelonderdeel verwees naar hij die op grond van de Wet van 8 mei 1890, Stb. 1890 [de Wapenwet, AEH] een wapen op de openbare weg of een voor het publiek toegankelijke plaats bij zich mag hebben. Daaronder vielen dan onder meer “zij, die deel uitmaken van de gewapende macht, van de rijks- of van de gemeentepolitie, voor zoover het wapen, dat zij bij zich hebben, tot hunne uitrusting behoort”. Nu zowel in deze Nederlandse pendant als in de Vuurwapenverordening van Sint Maarten een specifieke bepaling te vinden is aangaande depolitie, komt het mij logisch voor die als juiste toepasselijke bepaling voor politieagenten aan te houden.
Naar ik meen berust dus de verwerping door het hof van het verweer, dat voor de verdachte een uitzondering op het verbod op het voorhanden hebben van toepassing is, op een onjuiste rechtsopvatting. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden, omdat het hof, uitgaande van de door mij verdedigde juiste rechtsopvatting, het verweer (ook) slechts had kunnen verwerpen. Blijkens de vaststelling van het hof was de verdachte immers buiten functie gesteld als hoofdagent van de politie en was hem gevraagd zijn uitrusting in te leveren (zie bewijsmiddel 1, hierboven onder 4. aangehaald). Daardoor was de voor de politie geldende uitzondering op het verbod op het voorhanden hebben van een vuurwapen alsmede munitie niet meer van toepassing.
Het middel faalt.
6. Het tweede middel
Het middel klaagt over het oordeel van het hof voor zover inhoudende “de (bewuste) schuld” bij de verdachte aan het voorhanden hebben van het vuurwapen en munitie.
Voor zover relevant heeft het hof als volgt overwogen:
“Dat voorhanden hebben impliceert in dit geval niet dat verdachtes opzet daarop was gericht. Anders dan het Gerecht in eerste aanleg is het Hof van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Dat oordeel leidt echter niet tot vrijspraak, aangezien (bewuste) schuld ten aanzien van het voorhanden hebben voldoende is voor een bewezenverklaring. Van die schuld is naar het oordeel van het Hof sprake, nu na het inleveren van zijn dienstvuurwapen met patronen en houders nadrukkelijk aan de verdachte is gevraagd of hij al het aan hem verstrekte materieel had ingeleverd, de verdachte daarop bevestigend heeft gereageerd en daarvan op geen enkel moment is teruggekomen. Juist van een politieagent had dat mogen worden verwacht.”
Aan het middel is ten grondslag gelegd dat bewuste schuld niet voldoende is voor bewezenverklaring van het voorhanden hebben, alsmede dat zelfs deze schuldvorm niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Vooropgesteld kan worden dat ten aanzien van het Nederlandse equivalent van de bepaling van art. 3 Vuurwapenverordening van Sint Maarten, te weten art. 26 Wet wapens en munitie, geldt dat voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van dat artikel vereist is dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. Volgens De Hullu lijkt een soort ‘bewuste schuld’ (ten aanzien van het aanwezig hebben en van de aard van de voorwerpen) minimaal te moeten worden bewezen.
Aangenomen kan worden dat het voorgaande eveneens van toepassing is op de bepaling van art. 3 Vuurwapenverordening van Sint Maarten. Zodoende is het hof er in het onderhavige geval terecht van uitgegaan dat (bewuste) schuld ten aanzien van het voorhanden hebben voldoende was voor een bewezenverklaring. Voor zover het middel over dat oordeel klaagt, faalt het dus.
Bewuste schuld vereist het aanwijsbaar zijn van een bewustzijnsrelatie tussen de dader en de voor strafbaarheid nodige omstandigheid. De dader heeft weet gehad van die omstandigheid, heeft die (kunnen) voorzien, maar erop vertrouwd dat het wel goed zou komen. Dat het hof in het onderhavige geval heeft aangenomen dat sprake was van (bewuste) schuld, lijkt mij gelet op de omstandigheid dat de verdachte in de context van zijn kennisname van zijn buitendienststelling de nadrukkelijk aan hem voorgehouden vraag, of hij al het aan hem verstrekte materieel had ingeleverd, bevestigend heeft beantwoord, geenszins onbegrijpelijk, temeer gelet op zijn (voormalige) functie als hoofdagent. Voor zover het middel klaagt dat de aanwezigheid van die (bewuste) schuld niet uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid, kan het evenmin slagen.
Het middel faalt.
7. Beide middelen falen. Het tweede middel kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG