ECLI:NL:PHR:2020:61

ECLI:NL:PHR:2020:61, Parket bij de Hoge Raad, 28-01-2020, 18/04180

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 28-01-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/04180
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:451
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
10 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0005212 BWBR0006297 BWBR0006622 BWBR0011756 BWBR0017212 CELEX:32004L0038 EU:32004L0038

Samenvatting

Conclusie AG over opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument, zijnde een identiteitskaart van de Republiek Slovenië. Kan Sloveense identiteitskaart worden aangemerkt als (buitenlands) “reisdocument” in de zin van art. 231 Sr? De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04180

Zitting 28 januari 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 24 september 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens primair “opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 11 november 2016 (parketnummer 03-659368-16) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Bespreking van het middel

Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte is gekomen tot een bewezenverklaring van het primair bewezen verklaarde opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat een Sloveense identiteitskaart een reisdocument is in de zin van art. 231 Sr.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 24 maart 2018 in de gemeente Gennep opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals reisdocument, te weten een identiteitskaart van de Republiek Slovenië, voorzien van nummer [001] , ten name van [naam] , door bij een gezamenlijke Politiecontrole voornoemd identiteitskaart aan te bieden aan [verbalisant 1] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee.”

De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, d.d. 13 april 2018, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Ik heb gebruik gemaakt van dat identiteitsbewijs omdat ik nog een gedeelte van een straf in Nederland moest uitzitten; ik wilde echter eerst een vast adres voordat ik me weer bij justitie ging melden. Een vriend van mij heeft het identiteitsbewijs gemaakt met een bepaald apparaat.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 maart 2018 (pg. 6-7), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Door mij, [verbalisant 1] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee wordt het volgende verklaard:

Op 24 maart 2018 omstreeks 17.00 uur was ik, verbalisant [verbalisant 1] , samen met [verbalisant 2] , Polizei Hauptmeister van de Bundespolizei Kempen te Duitsland, op patrouille. Wij hebben deelgenomen aan een gezamenlijke politiecontrole op de Rijksweg A77 in de gemeente Gennep.

Omstreeks 17.14 uur zagen wij dat er een grijze personenauto van het merk Audi, type A4, voorzien van het Duits kenteken [kenteken] aangeleverd werd bij de collega's van de politie. Wij zagen drie manspersonen in de personenauto zitten.

Ik, [verbalisant 1] , heb de inzittende op de achterbank staande gehouden en hem ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status gevraagd naar een identiteitsdocument, waaruit dit zou blijken. De bijrijder overhandigde mij een identiteitskaart van Slovenië voorzien van het documentnummer [001] en op naam gesteld van [naam] , geboren op [geboortedatum] 1994 te Slovenië. Ik zag dat de echtheidskenmerken welke waren aangebracht op de identiteitskaart niet overeenkwamen met het origineel door de autoriteiten van Slovenië afgegeven identiteitskaarten van dit model. Hierbij werd namelijk aangenomen dat de ondergrondbedrukking is aangebracht middels een printtechniek en niet middels een druktechniek. De verdachte is vervolgens aangehouden door collega's van de politie.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2018 (pg. 5), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Nadat ik de verdachte naar zijn naam vroeg, gaf hij op te zijn:

[verdachte]

Geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]

Zonder vaste woon- of verblijfplaats.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2018 (pg. 25-27), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Door mij, [verbalisant 4] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, documentdeskundige, is het volgende onderzoek gedaan:

Onderzocht document:

Document: identiteitskaart

Land: Slovenië

Nummer: [001]

Afgegeven te: Ljubljana

Afgegeven op: 17-11-2014

Geldig tot: 17-11-2024

Reisdocument: ja

Ten name van:

Naam: [naam]

Voornamen: [naam]

Geboorteplaats: onbekend

Geboortedatum: [geboortedatum] 1994

Geslacht: mannelijk

Nationaliteit: Sloveense

Vastgestelde afwijkende kenmerken t.o.v. een origineel document:

- de basisbedrukking van de identiteitskaart is niet gedrukt, maar geprint;

- de fluorescentie van de identiteitskaart bij ultravioletlicht wijkt af.

Conclusie:

De onderzochte identiteitskaart is een nabootsing van een origineel exemplaar. De identiteitskaart is vals.”

De bestreden uitspraak bevat voorts de navolgende bewijsoverweging:

“1.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

2.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging bedoelde identiteitskaart niet kan worden aangemerkt als een reisdocument in de zin van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: art. 231 Sr).

3.

Het hof overweegt als volgt.

De tenlastelegging van het primair ten laste gelegde is toegesneden op art. 231 Sr. Deze bepaling luidde ten tijde van het ten laste gelegde:

1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.

3. Artikel 225, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

In overeenstemming met artikel 2 lid 1 van de Paspoortwet moet onder reisdocument van het Koninkrijk der Nederlanden worden verstaan: een nationaal paspoort, een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort, een reisdocument voor vluchtelingen, een reisdocument voor vreemdelingen, een nooddocument alsmede door de Minister van Buitenlandse Zaken vast te stellen andere reisdocumenten. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat het artikel ook van toepassing is op buitenlandse reisdocumenten.

Dat buitenlandse reisdocumenten eveneens onder 'reisdocument' in de zin van art. 231 Sr moeten worden geschaard, volgt ook uit het doel van de wetgeving; in de eerste plaats uitbreiding van de mogelijkheden tot bestrijding van fraude met identiteitsbewijzen en in de tweede plaats verbetering van de regeling over de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden. Voor wat betreft de gelding ten aanzien van buitenlandse reisdocumenten wijst het hof daarvoor naar de Kamerstukken die zien op de wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met bestrijding van fraude met paspoorten en andere reisdocumenten, Kamerstukken II 1987/88, 20 652, nr. 3, p. 3: ‘Behalve op deze Nederlandse reisdocumenten, hebben de voorgestelde bepalingen ook betrekking op buitenlandse reisdocumenten (vgl. tevens HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5247, onder verwijzing naar de CAG, r.o. 8, onder het gelijke nummer).

5.

In de onderhavige zaak maakte de verdachte gebruik van een valse Sloveense identiteitskaart. Zowel Slovenië als Nederland maken deel uit van de Europese Unie en het Verdrag van Schengen. Dit houdt in dat de burgers die van deze landen deel uitmaken niet worden gecontroleerd aan de binnengrenzen van het Schengen gebied, maar kunnen reizen in de overige landen met een geldige identiteitskaart van het land waarvan zij staatsburger zijn.

6.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte op 24 maart 2018 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals reisdocument.

Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen.”

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat een buitenlandse identiteitskaart in de door het hof geciteerde memorie van toelichting niet als voorbeeld van een reisdocument wordt genoemd. In de uitspraak HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5247 die door het hof wordt aangehaald gaat het bovendien niet om een vervalste identiteitskaart, maar om een vervalst (fantasie)paspoort.

De tenlastelegging van het bewezenverklaarde is toegesneden op art. 231 Sr. De in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking “reisdocument” komt daarom dezelfde betekenis toe als in dat artikel. De beantwoording van de vraag of onder een reisdocument ook een Sloveense identiteitskaart valt, vergt enig gepuzzel.

Art. 231 Sr heeft sinds 20 januari 2014 verschillende wijzigingen ondergaan. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging het huidige art. 231 Sr geciteerd. Die bepaling is, gelet op de in de tenlastelegging genoemde pleegdatum, in de onderhavige zaak van toepassing. De begrippen “reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang” worden in art. 231 lid 1 Sr naast elkaar gehanteerd. In onderhavige zaak gaat het om de betekenis van het begrip “reisdocument” in de bewezenverklaring.

Uit de door het hof aangehaalde parlementaire geschiedenis van art. 231 Sr volgt dat onder “reisdocument” wordt verstaan de in de Paspoortwet genoemde reisdocumenten. Het huidige art. 2 lid 1 Paspoortwet geeft een opsomming van reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden. Daaronder worden verstaan een nationaal paspoort, diplomatiek paspoort, dienstpaspoort, reisdocument voor vluchtelingen, reisdocument voor vreemdelingen, nooddocument en door de Minister vast te stellen andere reisdocumenten. Een identiteitskaart komt in deze opsomming niet voor. Uit de memorie van toelichting blijkt wel dat art. 231 Sr ook betrekking heeft op buitenlandse reisdocumenten, doordat aan voormelde opsomming is toegevoegd:

“Behalve op deze Nederlandse reisdocumenten, hebben de voorgestelde bepalingen ook betrekking op buitenlandse reisdocumenten.”

Verder blijkt uit de Memorie van Toelichting dat een reisdocument als functie heeft het reizen naar andere landen te vergemakkelijken en dat niet alle reisdocumenten tevens als legitimatiebewijs worden erkend.

De documenten waarmee de identiteit van personen kan worden vastgesteld (en die dus gelden als legitimatiebewijs) zijn opgenomen in art. 1 lid 1 Wet op de identificatieplicht. Daaronder vallen naast de Nederlandse identiteitskaart onder meer de reisdocumenten zoals genoemd in art. 2 lid 1 onder a, b, c, d, e en g van de Paspoortwet. Dat zijn dezelfde documenten als hiervoor onder 2.6.2 genoemd, met uitzondering van het nooddocument.

Het in art. 231 Sr naast elkaar hanteren van de begrippen “identiteitsbewijs” en “reisdocument” was mede daarom van belang, omdat buitenlandse documenten en nooddocumenten als bedoeld in art. 2 lid 1 onder f van de Paspoortwet niet als identiteitsbewijs in art. 1 lid 1 Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen. Daarover merkte de wetgever in de memorie van toelichting onder meer het volgende op:

“In navolging van artikel 438, eerste lid, onderdeel 1e, Sr wordt voorgesteld in het aangepaste artikel 231 Sr de begrippen «identiteitsbewijs» en «reisdocument» naast elkaar te hanteren en niet louter te kiezen voor identiteitsbewijs. Handhaving van het begrip «reisdocument» is van belang omdat zowel buitenlandse reisdocumenten als nooddocumenten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Paspoortwet, niet als identiteitsbewijs in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen. Deze twee reisdocumenten zouden buiten de werkingssfeer van artikel 231 Sr komen te vallen, indien het begrip «reisdocument» zou komen te vervallen. Anders dan het College van procureurs-generaal in zijn advies veronderstelt, hebben de buitenlandse reisdocumenten en de nooddocumenten alleen maar de functie om te kunnen reizen van het ene naar het andere land en geen identificerende functie zoals de andere reisdocumenten die in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht als identiteitsbewijs zijn aangewezen. Het begrip «reisdocument» dient dan ook in artikel 231 Sr naast het begrip «identiteitsbewijs» gehandhaafd te blijven.”

Ik wijs er nog op dat de eerder genoemde wijzigingen die art. 231 Sr vanaf begin 2014 heeft ondergaan, specifiek zijn toegesneden op de (status van de) Nederlandse identiteitskaart in de Nederlandse wetgeving. Tot 20 januari 2014, de datum van de inwerkingtreding van het huidige art. 231 Sr, had ook de Nederlandse identiteitskaart de status van “reisdocument”. Met de inwerkingtreding van de Rijkswet van 18 december 2013 tot wijziging van de Paspoortwet in verband met onder meer de status van de Nederlandse identiteitskaart werd deze gelijkstelling opgeheven. Dit had tot gevolg dat in art. 231 Sr de “Nederlandse identiteitskaart” apart werd vermeld naast het reisdocument. Hoewel de Nederlandse identiteitskaart op grond van de gewijzigde Paspoortwet dus niet langer de status van “reisdocument” had, werd in de memorie van toelichting wel opgemerkt dat de Nederlandse identiteitskaart een document voor grensoverschrijding bleef binnen de EU (en enkele andere landen). Dit uitgangspunt is niet gewijzigd toen art. 231 opnieuw werd aangepast en het begrip “Nederlandse identiteitskaart” werd vervangen door het (huidige) “identiteitsbewijs” als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang. Tot slot merk ik op dat ik in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten heb gevonden voor de opvatting dat onder Nederlandse identiteitskaarten als bedoeld in art. 1 lid 1 Wet op de identificatieplicht ook buitenlandse identiteitskaarten moeten worden begrepen. Ook de tekst van de wet biedt die aanknopingspunten niet. Buitenlandse identiteitskaarten zijn immers niet als identiteitsbewijs in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht aangewezen.

De slotsom is dat buitenlandse reisdocumenten die geen identificerende functie in de zin van art. 1 van de Wet op de identificatieplicht hebben, onder het begrip “reisdocument” in de zin van art. 231 Sr vallen.

Ik keer terug naar de bespreking van het middel. Het middel werpt de vraag op of de Sloveense identiteitskaart die de verdachte aan verbalisant [verbalisant 1] heeft getoond kan worden aangemerkt als (buitenlands) reisdocument in de zin van art. 231 Sr. De steller van het middel wijst er op zichzelf terecht op dat een buitenlandse identiteitskaart in de door het hof geciteerde, en hiervoor eveneens aangehaalde, parlementaire geschiedenis niet als zodanig wordt genoemd. Die omstandigheid brengt echter niet automatisch met zich mee dat er in de onderhavige zaak ‘dus’ geen sprake kan zijn van een “reisdocument” als bedoeld in art. 231 Sr, en wel om de volgende redenen.

Het hof heeft onder meer overwogen dat de verdachte gebruik maakte van een valse Sloveense identiteitskaart en dat zowel Slovenië als Nederland deel uitmaken van de Europese Unie en het Verdrag van Schengen. Dat houdt volgens het hof in dat de burgers die van deze landen deel uitmaken niet worden gecontroleerd aan de binnengrenzen van het Schengen gebied, maar daarbinnen kunnen reizen met een geldige identiteitskaart van het land waarvan zij staatsburger zijn. Mede gelet daarop heeft het hof geoordeeld dat de verdachte met het tonen van de vervalste Sloveense identiteitskaart aan verbalisant [verbalisant 1] tijdens de politiecontrole op de Rijksweg A77 in de gemeente Gennep, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals reisdocument.

Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Een nationale identiteitskaart is op grond van – kort gezegd – Richtlijn 2004/38/EG – een geldig document voor grensoverschrijding voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Die functie heeft een reisdocument ook. Het oordeel dat de Sloveense identiteitskaart een reisdocument is, is dan ook voldoende gemotiveerd. Datzelfde geldt voor het oordeel dat een vervalste Sloveense identiteitskaart als een vals (of vervalst) reisdocument in de zin van artikel 231 Sr kan worden aangemerkt. Ten overvloede wijs ik erop dat aan het voorafgaande niet afdoet dat de Europese Overeenkomst nopens het verkeer van personen tussen de Lid-staten van de Raad van Europa niet inhoudt dat de Sloveense identiteitskaart is aangewezen als een document op vertoon waarvan Sloveense onderdanen het grondgebied van Nederland (en andere lidstaten van de Raad van Europa) over alle grenzen mogen binnen komen en verlaten.

Ook de klacht dat het in de door het hof aangehaalde uitspraak HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5247 niet gaat om een vervalste identiteitskaart, maar om een vervalst (fantasie)-paspoort kan niet slagen. Uit hetgeen in die zaak ten laste van de verdachte is bewezen verklaard blijkt immers zonder meer dat het daar ging om vervalste Duitse identiteitskaarten. Dat bij het maken van de valse documenten kennelijk gebruik is gemaakt van de personaliseringspagina van een Duits paspoort, doet daaraan niet af.

Het middel kan niet slagen.

3. Conclusie

Het middel faalt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?