PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01084 B
Zitting 12 mei 2020
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de klager.
1. De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 18 december 2018 het klaagschrift van klager ex artikel 164 lid 8 Sv, strekkende tot teruggave van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, ongegrond verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. De bestreden beschikking houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“Op 10 december 2018 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs uiterlijk - 6 (zes) maanden - tot 6 juni 2019 wordt ingehouden.”
4. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit namens mij bij het openbaar ministerie ingewonnen inlichtingen blijkt dat het rijbewijs op 5 juni 2019 aan klager is teruggegeven en dat aldus het beslag op grond van artikel 134 lid 2 onder a Sv is geëindigd, heeft klager geen belang bij het cassatieberoep.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden