2. Bespreking van het cassatieberoep
Het cassatieberoep is gericht tegen rov. 3.5-3.7 van de bestreden uitspraak en bestaat uit twee onderdelen. Verder is een voorbehoud gemaakt vanwege het ontbreken van het proces-verbaal (“p-v”) van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het p-v is op 23 juni 2020 aan de cassatieadvocaat van [verzoekster] gezonden. Hierbij is een termijn verleend om op het p-v te reageren, die ongebruikt is verstreken.
In de kern betoogt het cassatiemiddel dat het hof zich bij zijn beslissing om de schuldsaneringsregeling zonder schone lei te beëindigen niet had mogen beperken tot vaststellingen over de aard van de niet-verstrekte inlichtingen, maar ook acht had moeten slaan op (de stellingen over) de verdere omstandigheden van het geval.
Over de informatie- en inlichtingenplicht in het kader van de WSNP heeft het volgende te gelden. Op de schuldenaar rusten diverse verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen. Bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient de schuldenaar aan de rechtbank informatie te verstrekken over (onder meer en kort gezegd) zijn financiële situatie (art. 285 lid 1 Fw). De schuldenaar is verder verplicht om inlichtingen aan de bewindvoerder te verschaffen “als hij hiervoor wordt opgeroepen” (art. 105 lid 1 jo. 327 Fw). Ook rust op hem een verplichting om spontaan inlichtingen te geven. In onze zaak gaat het over die spontane inlichtingenplicht.
De spontane inlichtingenplicht houdt in dat de schuldenaar gehouden is om de bewindvoerder ongevraagd informatie te verschaffen waarvan hij weet of behoort te begrijpen dat deze van belang is voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Deze verplichting is geformuleerd in een arrest van Uw Raad van 15 februari 2002 en is daarna onder meer herhaald in een arrest van Uw Raad van 4 november 2005. Bij de invoering van de Wet versterking positie curator (2017) is deze verplichting gecodificeerd in art. 105 lid 1 Fw (voor de WSNP: in verbinding met art. 327 Fw). De spontane inlichtingenplicht heeft mede betrekking op feiten die dateren van vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling.
In het genoemde arrest van 15 februari 2002 oordeelde Uw Raad dat een schending van de spontane inlichtingenplicht aanleiding kan zijn voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling (art. 350 lid 3 onder c Fw). De rechter dient daarbij niet alleen de aard van de niet-verstrekte inlichtingen, maar ook de overige omstandigheden in aanmerking te nemen. De maatstaf is of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. In die maatstaf ligt besloten dat de schuldenaar een verwijt moet kunnen worden gemaakt.
Uit het genoemde arrest van 4 november 2005 blijkt dat een schending van de spontane inlichtingenplicht ook kan resulteren in het onthouden van een schone lei aan het einde van de termijn van de schuldsaneringsregeling (art. 354 lid 1 en 358 lid 2 Fw). Uw Raad stelde in deze uitspraak de uitgangspunten uit het arrest van 15 februari 2002 voorop en overwoog vervolgens dat één en ander ingevolge art. 354 lid 1 Fw mede van belang is voor de verlening van de schone lei. Daarbij verdient vermelding dat de schone lei (alleen) kan worden geweigerd als aan drie voorwaarden wordt voldaan: (a) de schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, (b) de tekortkoming kan aan de schuldenaar worden toegerekend en (c) de toerekenbare tekortkoming kan niet gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven.
Tot slot merk ik op dat een beslissing met betrekking tot een schending van de inlichtingenplicht en een eventueel daaraan te verbinden sanctie in overwegende mate feitelijk is en in zoverre in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
Het eerste onderdeel betoogt dat het hof hetzij de maatstaf uit het arrest van 15 februari 2002 heeft miskend, hetzij zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat de volgende door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden niet zouden zijn meegewogen:
1) de schuldeisers zijn niet benadeeld doordat [verzoekster] de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over de beslissing van het hof van 11 februari 2016 of de met de officier van justitie op 14 augustus 2019 getroffen schikking;
2) [verzoekster] heeft onbetwist gesteld dat zij zich aan alle overige uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen heeft gehouden;
3) de bewindvoerder had de rechtbank (dan ook) aanvankelijk geadviseerd aan [verzoekster] de schone lei te verlenen;
4) de zeer ingrijpende gevolgen voor [verzoekster] , indien haar, na de reguliere termijn van drie jaren te hebben doorlopen, de schone lei niet zou worden verleend, hetgeen in geen redelijke verhouding staat tot de haar verweten tekortkomingen.
In het licht van deze stellingen en omstandigheden acht het onderdeel onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat de omissies die [verzoekster] worden verweten als een ernstige tekortkoming in haar informatieplicht moeten worden aangemerkt (rov. 3.6), dat [verzoekster] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting ernstig heeft geschonden en dat er geen sprake is van een tekortkoming die gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing moet blijven, zodat deze tekortkoming de onthouding van de schone lei rechtvaardigt (rov. 3.7).
Het onderdeel bepleit dat deze stellingen en omstandigheden ieder op zich, maar zeker in onderling verband bezien, het hof tot een ander oordeel hadden moeten brengen. Het hof had hetzij de schone lei aan [verzoekster] moeten verlenen, hetzij de termijn van de schuldsaneringsregeling moeten verlengen. Ter toelichting wordt opgemerkt dat het een doelstelling van de schuldsaneringsregeling is te voorkomen dat natuurlijke personen tot in lengte van dagen door schuldeisers achtervolgd worden. De regeling dient een daadwerkelijke oplossing te zijn voor mensen met financiële problemen. De consequenties van het onthouden van een schone lei zijn drastisch want alle schulden zullen dan weer herleven en de schuldeisers zullen dan via deurwaarders opnieuw proberen hun vorderingen te innen. Verder wordt aan [verzoekster] op grond van art. 288 lid 2 onder d Fw de toegang tot de saneringsregeling voor 10 jaar ontzegd. De consequentie van het onthouden van de schone lei is volgens het onderdeel aldus te ingrijpend, afgezet tegen hetgeen [verzoekster] verweten wordt.
Deze klachten treffen naar mijn mening geen doel. Het hof heeft namelijk niet voorbij gezien aan de vier genoemde stellingen. Ik licht dat hieronder per stelling toe.
(1) Geen benadeling. Ik stel voorop dat benadeling van de schuldeisers volgens de heersende leer een gezichtspunt, en geen noodzakelijke voorwaarde, is voor het onthouden van een schone lei op de voet van art. 354 lid 1 jo 358 lid 2 Fw. Ter onderbouwing van haar standpunt dat de schuldeisers niet zijn benadeeld heeft [verzoekster] aangevoerd dat de door haar te betalen schadevergoeding van € 1.513,- bij vermelding als een nieuwe schuld zou zijn beoordeeld en dat zij die nieuwe schuld dan (al of niet met een termijnverlenging) had mogen inlopen. Het hof is in rov. 3.6 op dit standpunt ingegaan. Het hof heeft overwogen dat de schadevergoeding, bezien in het licht van de verklaring van [verzoekster] bij de r-c, een oude schuld zou betreffen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt. Verder heeft het hof overwogen dat [verzoekster] , ook als wordt aangenomen dat sprake is van een nieuwe schuld, het verwijt moet worden gemaakt dat zij de strafrechtelijke vervolging en de in dat kader ontstane schuld heeft verzwegen. Het hof is dus ingegaan op hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat de schuldeisers niet zijn benadeeld. Naar het oordeel van het hof legt die argumentatie onvoldoende gewicht in de schaal.
(2) Overige verplichtingen nagekomen. Het arrest is volgens mij aldus te begrijpen dat het onvermeld laten van de strafrechtelijke vervolging en de afdoening daarvan een ernstige tekortkoming in de informatieverplichting oplevert en dat deze tekortkoming als zodanig de onthouding van de schone lei rechtvaardigt. Bij die stand van zaken behoefde het hof niet in te gaan op de stelling van [verzoekster] dat zij de overige verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is nagekomen. Overigens is bij het verhoor bij de r-c van 23 januari 2020 en bij de eindzitting van 19 februari 2020 verder nog gesproken over nieuwe schulden aan VGZ en een schermclub en het uitblijven van een afdracht over januari 2020, maar dat speelt bij de beoordeling geen rol.
(3) Aanvankelijk advies bewindvoerder. In het eindverslag van 4 november 2019 aan de r-c heeft de bewindvoerder positief geadviseerd over het verlenen van een schone lei aan [verzoekster] . Dit advies is echter van eerder datum dan de anonieme brief van 12 november 2019 die aanleiding was voor het nadere verhoor en onderzoek waarbij de strafvervolging en de afdoening daarvan boven tafel zijn gekomen (zie hiervoor 1.2). De bewindvoerder heeft nadien schriftelijk geadviseerd om de schone lei aan [verzoekster] te onthouden (zie rov. 2.1 van het vonnis). De bewindvoerder noemt in de brief van 18 maart 2020 aan het hof nog wel de mogelijkheid van een verlenging van de termijn op de voet van art. 349a lid 3 Fw. Die verlenging zou dan volgens de bewindvoerder dienen om het onderzoek voort te kunnen zetten waarna alsnog toepassing kan worden gegeven aan art. 350 lid 3 sub c t/m g Fw (tussentijdse beëindiging). Vanaf het moment dat zij bekend was met de strafvervolging en de afwikkeling daarvan heeft de bewindvoerder dus geen schone lei meer geadviseerd. Het hof behoefde tegen die achtergrond het aanvankelijke advies niet in zijn beoordeling te betrekken.
(4) Consequenties onthouden schone lei in verhouding tot de tekortkoming. Het onderdeel stelt terecht dat het onthouden van een schone lei ingrijpende consequenties heeft. De schulden kunnen dan weer worden geïnd en de schuldenaar kan tien jaar lang niet opnieuw tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten (art. 288 lid 2 onder d Fw). Volgens mij is desondanks niet onbegrijpelijk dat de vastgestelde tekortkoming naar het oordeel van het hof de onthouding van de schone lei rechtvaardigt. Het gaat hier om het onvermeld laten van een strafrechtelijke vervolging en de afwikkeling daarvan. De schuldsaneringsregeling is stringent als het gaat om strafrechtelijke kwesties. Zo wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen als de schulden voortvloeien uit een veroordeling voor een misdrijf en die veroordeling in de vijf jaar daarvoor onherroepelijk is geworden (art. 288 lid 2 sub c Fw) en kan het verzoek bij andere strafrechtelijke aangelegenheden afstuiten op het vereiste van goede trouw (art. 288 lid 1 onder b Fw) . Wordt later bekend dat dit soort omstandigheden bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bestonden, dan is dit een grond voor tussentijdse beëindiging (art. 350 lid 3 sub f Fw). Een schending van de informatieplicht ten aanzien van strafrechtelijke kwesties kan dan dus ook zwaarwegend zijn. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat het hof op die grond de schone lei heeft onthouden.
Aan dit alles doet volgens mij niet af dat het de bedoeling van de schuldsaneringsregeling is te voorkomen dat natuurlijke personen tot in lengte van dagen door schuldeisers achtervolgd worden. Deze doelstelling geldt voor schuldenaren die te goeder trouw zijn en hun verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren nakomen. De wetgever wijst hierbij op het belang van maatschappelijk draagvlak voor de regeling.
Het eerste onderdeel faalt dus. Het tweede onderdeel stelt dat gegrondbevinding van onderdeel 1 ook rov. 4 (het dictum) van de bestreden beslissing raakt. Deze voortbouwende klacht deelt het lot van het eerste onderdeel en slaagt dus evenmin.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G