PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03409
Zitting 4 februari 2020
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
"De voorzitter deelt mede dat het hof de raadsman reeds op voorhand telefonisch heeft medegedeeld niet te zullen bewilligen in het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de strafzaak daar het belang dat de verdachte heeft bij aanhouding van de behandeling van de strafzaak niet opweegt tegen het belang van de verdachte en de samenleving bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Voorts deelt de voorzitter mede dat de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting van 10 mei 2010 reeds op verzoek van de raadsman is aangehouden."
5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2579, NJ 2018/83, m.nt. Reijntjes met betrekking tot een voor de zitting gedaan aanhoudingsverzoek het volgende overwogen:
“2.3. Uit het samenstel van de bepalingen in de artikelen 278, derde en vierde lid, 329, 330 en 331, eerste lid, Sv, die ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat op een verzoek van de verdachte om uitstel van de behandeling als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv ter terechtzitting moet worden beslist - nadat het openbaar ministerie omtrent dat verzoek is gehoord - en dat het verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen met nietigheid is bedreigd. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat een en ander gelijkelijk geldt indien het gaat om een verzoek tot uitstel dat is gedaan door de op de voet van art. 279, eerste lid, Sv gemachtigde raadsman op de grond dat deze is verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen. Ook dan zal het proces-verbaal van de terechtzitting op straffe van nietigheid een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op het verzoek dienen te behelzen. Aldus wordt verantwoord op welke wijze de belangen van enerzijds de verdachte, mede gelet op hetgeen voor hem op het spel staat, en anderzijds die van een doelmatige rechtspleging zijn afgewogen.
“2.3. Een en ander neemt niet weg dat om praktische redenen door (de voorzitter van) het gerecht reeds voorafgaande aan de terechtzitting aan degene die om aanhouding verzoekt kan worden kenbaar gemaakt wat het voorlopig oordeel van het gerecht omtrent het verzoek is. De uiteindelijke beslissing dient evenwel steeds ter terechtzitting te worden genomen en in het proces-verbaal van die terechtzitting te worden vastgelegd. (Vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5663, NJ 2007/454.)”
6. Uit de mededelingen van de voorzitter van het hof blijkt dat het op voorhand gedane verzoek om de zaak aan te houden reeds voor de zitting (voorlopig) is afgewezen en dat – met name blijkend uit het woordje reeds – die afwijzing ter terechtzitting is gehandhaafd. Daarmee heeft het hof uitdrukkelijk en gemotiveerd beslist op het aan de terechtzitting vooraf gedane verzoek. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden, in aanmerking genomen dat ter terechtzitting het verzoek niet is herhaald en evenmin een nieuw verzoek is gedaan.
7. Het middel faalt.
8. Het tweede middel klaagt over de schending van de redelijke termijn na het wijzen van het verstekarrest.
9. In een geval als het onderhavige, waarin de verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats is, dient binnen een jaar na het wijzen van het verstekarrest eenmaal een (geldige) poging te worden gedaan tot betekening van het arrest én dient het openbaar ministerie de verdachte te plaatsen in het opsporingsregister. Indien en voor zover aan de orde, moet in de daaropvolgende jaren eens per jaar worden getracht de verstekmededeling alsnog te (doen) betekenen.
10. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat na 4 augustus 2010 binnen een jaar een rechtsgeldige poging is gedaan om het verstekarrest aan de verdachte te (doen) betekenen. Daarover klaagt het middel terecht.
11. Uit enkele aantekeningen onder het opschrift “Werkzaamheden BETIP van mededeling uitspraak verstekzaak” op de binnenkant van het zogenaamde verstekmapje kan worden afgeleid dat op 29 september 2010 de verdachte is gesignaleerd en dat op 3 maart 2011, 6 december 2011 en 24 mei 2012 GBA-controles zijn gedaan. Een GBA-check is echter nog geen rechtsgeldige betekening.
12. Aangenomen moet derhalve worden dat niet binnen een jaar na de uitspraak van het hof, en evenmin nadien, op de bedoelde wijze een verstekmededeling aan de verdachte is betekend. Dat dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.
13. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het hof daarbij de opgelegde gevangenisstraf heeft bevestigd, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden