PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03501
Zitting 4 februari 2020
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980 ,
hierna: de verdachte.
“De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman - op gronden als verwoord in de pleitnota en mede onder verwijzing naar het zogenaamde Schipholbrand-arrest - aangevoerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat verdachte opzettelijk de brand heeft gesticht dan wel dat verdachte de gevolgen van zijn veronderstelde handelen had kunnen en moeten voorzien, zodat ook niet gezegd kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de culpoze brandstichting. De raadsman is hierbij uitgegaan van de juistheid van de verklaring van verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Verdachte heeft over de brand in zijn woning gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] verklaard dat hij in de keuken van zijn woning een sigaret heeft gerookt, dat hij de sigaret heeft gedoofd op een schoteltje op de tafel in de keuken, dat hij de gedoofde sigarettenpeuk vanaf het schoteltje in de prullenbak heeft gegooid die in de kastruimte in de keuken stond, dat hij vervolgens is gaan douchen en dat hij na het douchen merkte dat er brand was uitgebroken, waarna hij de woning heeft verlaten, naar de bus is gerend en met de bus naar een afspraak met zijn vrouw in het centrum van Eindhoven is gegaan. Het ontstaan van de brand moet daarom volgens verdachte - zo heeft hij achteraf geconcludeerd - berusten op een ongeluk, dat hij niet kon of heeft kunnen voorzien.
Volgens de partner van verdachte, [betrokkene 2] , stond de betreffende prullenbak onder de cv-ketel en had de prullenbak ongeveer de hoogte tussen een salontafel en een bureaublad. Dit komt overeen met de verklaring van verdachte afgelegd ten overstaan van de politie inhoudende dat de prullenbak ongeveer 50 centimeter hoog was (pagina 128 van het politiedossier). De verklaring van verdachte volgend, zou in dat geval de brand zijn ontstaan onder de cv-ketel op een hoogte van maximaal ongeveer 50 centimeter van de grond.
Dit scenario wordt echter weersproken door het forensisch technisch onderzoek dat naar aanleiding van de betreffende woningbrand is verricht. De conclusies die uit de bevindingen van dit onderzoek op dit punt worden getrokken, zijn dat:
- de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan op de planken links naast de cv-ketel,
- de inbranding van de kastdeur op 140 centimeter doet vermoeden dat de vuurbelasting hoog in de kast heeft plaatsgevonden en
- gelet op de niet-aangetaste plastic onderdelen (onder de cv boven de vloer) het minder aannemelijk is dat de brandhaard zich voor de ketel laag bij de vloer heeft bevonden.
Van discrepanties of omissies in het forensisch technisch onderzoek in de woning van verdachte is het hof niet gebleken en deze zijn door de verdediging ook niet aangevoerd. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de conclusies en bevindingen uit het onderzoek.
Het hof acht op grond van het vorenstaande de verklaring van verdachte met betrekking tot het ontstaan van de brand in zijn woning onaannemelijk. Het hof wordt in dit oordeel nog gesterkt door het feit dat verdachte aanvankelijk bij de politie en tijdens het verhoor in het kader van de vordering tot inbewaringstelling heeft verklaard dat hij, toen hij zijn woning verliet, niet wist dat daar brand was. Pas nadat verdachte werd geconfronteerd met diverse (aantoonbare) onwaarheden in zijn verklaringen, heeft hij erkend dat hij tijdens het ontstaan van de brand in de woning was en de brand ook had opgemerkt. Ook de verklaring van verdachte ter zitting dat hij geschrokken, verlamd en in paniek was geraakt toen hij de brand had ontdekt, wordt door het hof niet aannemelijk geacht.
Op grond van de hiervoor vermelde door het hof gebezigde bewijsmiddelen is voor het hof voorts komen vast te staan dat er geen aanwijzingen zijn dat de brand een technische dan wel elektrische oorzaak had en dat de aangetroffen situatie en het waargenomen brandbeeld beter past in het beeld van dat er door derden opzettelijk vuur in de woning is ingebracht, met andere woorden brandstichting. Nu daarnaast voor het hof is komen vast te staan dat er geen andere personen dan verdachte in de woning aanwezig waren ten tijde van het ontstaan van de brand, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die opzettelijk vuur in de betreffende kastruimte heeft ingebracht, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de (overige) in het appartementencomplex aanwezige bewoners en/of bezoekers te duchten was. Het feit dat verdachte aanvankelijk heeft verzwegen dat hij de brand heeft opgemerkt vóórdat hij op 13 oktober 2015 zijn woning verliet, gecombineerd met de wijze waarop hij de woning heeft verlaten en het feit dat verdachte die dag heeft nagelaten na het constateren van de brand de brandweer of anderen te alarmeren en (naar zijn zeggen) zelfs zijn vrouw niet heeft ingelicht toen hij haar in de stad ontmoette, sterkt het hof in de overtuiging dat het niet anders kan dan dat verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht.”
7. Allereerst heeft het hof de verklaring van de verdachte, die erop neerkomt dat de brand mogelijk is ontstaan doordat hij een gedoofde sigarettenpeuk in een prullenbak had gegooid die in de kastruimte in de keuken stond, als onaannemelijk aangemerkt op grond van de bevindingen en conclusies uit het forensisch technisch onderzoek naar de oorzaak van de woningbrand. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte wisselende verklaringen met aantoonbare onwaarheden over de brand heeft afgelegd en hij aanvankelijk de constatering van de brand heeft verzwegen en ook heeft nagelaten de brandweer of anderen te alarmeren. Voorts heeft het hof in zijn oordeel dat de verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht de vaststellingen betrokken dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan op de planken links van de cv-ketel en dat er geen aanwijzingen zijn dat de brand een technische dan wel elektrische oorzaak had. Op grond van de, in ’s hofs bewijsvoering vervatte, redengevende feiten en omstandigheden heeft het hof geoordeeld, en kunnen oordelen, dat het niet anders kan dan dat de verdachte opzettelijk de brand heeft gesticht. Dat in de als bewijsmiddelen 6 en 7 gebezigde processen-verbaal wordt gerept van “vermoedelijk”, “waarschijnlijk” en “al dan niet opzettelijk”, doet aan het oordeel van het hof niet af; de beantwoording van de rechtsvraag of van opzet sprake is, is immers voorbehouden aan de rechter.
8. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, heeft het hof het bestreden oordeel (dus) mede gebaseerd op de vaststelling dat geen aanwijzingen voor een technische of elektrische oorzaak van de brand zijn gebleken.
9. De bewezenverklaring is, ook in het licht van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, voldoende met redenen omkleed.
10.Het middel faalt.
11.Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat de verdachte “zich onder behandeling zal stellen van de GGZE De Omslag of een soortgelijke zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven” onverenigbaar is met art. 14c, tweede lid, Sr, nu niet tevens is bepaald dat deze behandeling een ambulant karakter heeft.
12. Art. 14c, tweede lid, Sr luidde van 1 april 2012 tot 18 september 2018, voor zover hier relevant:
“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(…)
10° opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;
11° een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;”
13. Het bestreden arrest houdt onder het opschrift “Beslissing” in:
“Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
- zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit arrest telefonisch zal melden bij Reclassering Nederland, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te ‘s-Hertogenbosch (telefoonnummer 073-6408080);
- zich daarna zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich onder behandeling zal stellen van de GGZE De Omslag of een soortgelijke zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, ten einde een langdurig sturend contact met veroordeelde te onderhouden.
Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.”
14. Ik meen dat aan het middel een onjuiste lezing en kwalificatie van de bedoelde bijzondere voorwaarde ten grondslag ligt. Het hof heeft namelijk te dien aanzien niet de intramurale opneming in een zorginstelling in de zin van art. 14c, tweede lid onder 10°, Sr opgelegd. De beslissing van het hof laat in dit verband geen andere lezing toe dan dat het met toepassing van art. 14c, tweede lid onder 11°, Sr de verdachte heeft verplicht tot het zich (ambulant) onder behandeling stellen van een zorginstelling zonder (dus) dat hij daartoe in een inrichting wordt opgenomen. Gezien de kernstukken was een klinische behandeling niet aan de orde en ook helemaal niet geïndiceerd.
15. Daarin is een wezenlijk verschil gelegen met de door de steller van het middel aangehaalde arresten van HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2593 en HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:946. In die zaken liet het hof het aan de reclassering om te bepalen of de veroordeelde “zich onder klinische dan wel ambulante (psychotherapeutische) behandeling” moest laten stellen respectievelijk “zich ambulant of klinisch” moest laten behandelen. En dat nu was volgens de Hoge Raad onverenigbaar met de desbetreffende bepaling, omdat de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging, en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter. De Hoge Raad deed de zaak zelf af en vernietigde de bestreden uitspraak wat betrof de woorden “klinische dan wel” respectievelijk “of klinisch”. Deze uitspraken zijn begrijpelijk indien wordt bedacht dat een intramurale behandeling vrijheidsontneming met zich brengt en derhalve op grond van art. 113, derde lid, van de Grondwet alleen kan worden opgelegd door de rechterlijke macht. De aanname in de schriftuur dat “iets soortgelijks geldt voor de in art. 14c, tweede lid onder 11, Sr [neergelegde] voorwaarde van behandeling door een deskundige of zorgstinstelling, die een ambulant karakter moet hebben en géén klinische behandeling mag omvatten”, vindt geen steun in het recht.
16. Twee arresten die niet in de schriftuur worden genoemd maar wel gelijkenis vertonen met de onderhavige zaak zijn HR 26 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8475, NJ 1985/139 en HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806. Weliswaar ging het in deze arresten om art. 14c, tweede lid, (oud) Sr, zoals dat tot 1 april 2012 luidde. Kort gezegd oordeelde de Hoge Raad toen dat “in het recht geen steun [is] te vinden voor de opvatting dat de rechter het niet aan een reclasseringsvereniging mag overlaten om onder goedkeuring van de reclasseringsraad te bepalen of en gedurende welke periode – tijdens de door de rechter vastgestelde proeftijd – de veroordeelde zich onder psychiatrische behandeling buiten een inrichting zal stellen”. Bij arrest van 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449, NJ 2013/132 heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechtspraak ten aanzien van art. 14c (oud) Sr ook van toepassing is op het nieuwe art. 14c Sr.
17. Het middel faalt.
18. Het derde middel klaagt dat de inzendingstermijn in cassatie is overschreden.
19. Dit middel is terecht voorgesteld: tussen het instellen van het cassatieberoep op 19 juli 2018 en de binnenkomst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad op 9 april 2019 zijn meer dan acht maanden verstreken. Daarmee is de redelijke inzendtermijn overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Deze termijnoverschrijding moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
20. Het middel is gegrond.
21. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden