PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/03130 B
Zitting 30 juni 2020
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de klager.
3. Aan de bespreking van het middel kom ik gelet op het navolgende niet toe. Het gaat in de onderhavige zaak om de inbeslagneming van een auto op de voet van art. 94 Sv, ten aanzien waarvan de klager stelt dat hij eigenaar is. Deze auto is op 11 april 2019 in beslag genomen onder de zus van de klager, [betrokkene 1] , omdat zij daarin reed zonder geldig rijbewijs. Op 13 mei 2019 heeft de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a, eerste lid, Sv ingediend, strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen auto. Het klaagschrift is door de rechtbank op 26 juni 2019 behandeld in raadkamer, waarna de rechtbank op dezelfde dag de bestreden beschikking heeft gegeven, waarbij het beklag ongegrond is verklaard.
4. Uit de op mijn verzoek ingewonnen inlichtingen bij de rechtbank Noord-Nederland omtrent de stand van zaken in de strafzaak tegen de zus van de klager [betrokkene 1] (parketnummer 96-088960-19) - in het kader waarvan onderhavig beslag is gelegd - is gebleken dat de auto bij vonnis van 17 januari 2020 is verbeurd verklaard. Tegen dit vonnis is door de zus van de klager noch door de officier van justitie hoger beroep ingesteld en daardoor is dat vonnis uitvoerbaar geworden.
5. In aanmerking genomen dat sinds de indiening van het klaagschrift de betreffende auto bij inmiddels uitvoerbare beslissing is verbeurdverklaard, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat dit klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. Nu de Hoge Raad ingevolge het bepaalde in art. 552b, tweede lid, Sv niet bevoegd is tot behandeling van het aldus opgevatte klaagschrift dient te worden bepaald dat de griffier de stukken zal zenden naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht (vgl. HR 23 november 1993, NJ 1994/263), in dit geval de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot bepaling dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden