ECLI:NL:PHR:2020:979

ECLI:NL:PHR:2020:979, Parket bij de Hoge Raad, 08-09-2020, 19/03360

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/03360
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2020:1643
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), poging tot oplichting (art. 326 Sr) en begunstiging (art. 189.1.1 Sr) door zich voor te doen als bestuurder van auto, die betrokken was bij verkeersongeval, en in die hoedanigheid in strijd met waarheid aanrijdingsformulier in te vullen en naar haar verzekeraar te sturen. Heeft hof door vonnis Rb te bevestigen in strijd met art. 359.2 Sv verzuimd gemotiveerd te beslissen op beroep van raadsman op overschrijding redelijke termijn in e.a.? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/03381.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03360

Zitting 8 september 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

‘Daarnaast dient er rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.’

6. Het arrest van het hof houdt – voor zover van belang – het volgende in:

‘Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep – waaronder ook de kennisneming van de verhoren van de getuigen bij de raadsheer-commissaris – heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden verbetering aanbrengt.

Hetgeen is vermeld op p. 5 van het vonnis waarvan beroep onder het kopje “Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]” en onder het kopje “Strijd met artikel 6, derde lid, onder d EVRM?” komt te vervallen nu de raadsman van de verdachte dit verzoek en dit standpunt ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft herhaald.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder voornoemde verbetering te worden bevestigd.’

7. Het vonnis van de rechtbank houdt ten aanzien van de strafoplegging – voor zover van belang – in:

‘De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren rechtvaardigt. De rechtbank houdt rekening met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en acht, alles afwegend, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden.’

8. In HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer overwogen dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte recht op berechting binnen een redelijke termijn. Hij hoeft in zijn uitspraak alleen in bepaalde gevallen te doen blijken van dat onderzoek. Daaronder ressorteert het geval dat ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, ‘aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven’ (rov. 3.8).

9. Het hof is er kennelijk vanuit gegaan dat de raadsman met de betreffende zin heeft gedoeld op het tijdsverloop voorafgaand aan het moment waarop vonnis is gewezen. Die uitleg is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de tenlastegelegde feiten zich in de eerste helft van 2013 hebben afgespeeld en dat het vonnis van de rechtbank dateert van 4 september 2017. Het hoger beroep is ingesteld op 8 september 2017 en het hof wees arrest op 10 juli 2019; dat is binnen een periode van twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld. Ik wijs er daarbij op dat de uitleg van een in hoger beroep gevoerd verweer of uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is voorbehouden aan de feitenrechter. Het door het hof met overneming van gronden bevestigde vonnis houdt een overweging in over het tijdsverloop voorafgaand aan het moment waarop vonnis is gewezen. Daarmee heeft het hof duidelijk gemaakt hoe het tijdsverloop de opgelegde straf heeft beïnvloed.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?