2. Bespreking van het cassatiemiddel
Namens de vrouw is één cassatiemiddel voorgesteld dat uit twee onderdelen (a. en b.) bestaat.
Onderdeel a. richt zich tegen rov. 5.4.3 van de bestreden beschikking. Het stelt dat de vrouw in haar verrekeningsvoorstel het huwelijksvermogen en het vennootschapsvermogen bij elkaar heeft genomen en daarop één vordering heeft gebaseerd. Het onderdeel klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de wijze waarop een vennootschapsvermogen onder de zich in deze zaak voordoende omstandigheden dient te worden gewaardeerd. Het betoogt – in de kern genomen – dat het hof niet ongemotiveerd aan de stellingen van de vrouw (zoals opgenomen in haar appelschrift onder de punten 5, 8, 10, 15 en 16) over (de verdeling van) het vennootschapsvermogen voorbij had mogen gaan. Dit geldt temeer nu uit het verweerschrift van de man valt af te leiden dat de vrouw op basis van art. 14 van de vof-akte aanspraak kan maken op de waarde van haar kapitaaldeelname.
Het hof heeft overwogen dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden afspraken hebben gemaakt – voor zover op dit punt van belang – over verrekening als sprake is van ontbinding van hun huwelijk. Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding overeengekomen (dat zij tijdens het huwelijk niet zijn nagekomen) en tevens in art. 19 een finaal verrekenbeding, voor het geval het huwelijk door echtscheiding zou worden ontbonden. Van de verrekening zijn (blijkens art. 19 van de huwelijkse voorwaarden, zoals ook door het hof is geciteerd) echter uitgezonderd – kort gezegd – de bedrijfsgebouwen met ondergrond, cultuurgronden en produktierechten en de (voormalig echtelijke) woning, als zijnde door de man aangebracht ten huwelijk.
Voorts heeft het hof overwogen dat partijen (voor zover thans van belang) in de vof-akte afspraken hebben gemaakt over de voortzetting van het bedrijf en de verdeling van het vennootschapsvermogen in het geval van duurzame ontwrichting van de samenwerking. Art. 13 van de vof-akte (door het hof geciteerd in rov. 3.1.2) bepaalt – kort gezegd – dat in het geval van echtscheiding de man het recht heeft het bedrijf van de vennootschap voort te zetten. Art. 14 van de vof-akte (door het hof eveneens geciteerd in rov. 3.1.2) bepaalt dat de voortzettende vennoot krachtens verdeling het aandeel van de niet-voortzettende vennoot in alle goederen die deel uitmaken van het vennootschapsvermogen verkrijgt, onder de gehoudenheid de waarde van dat aandeel in geld uit te keren aan de niet-voortzettende vennoot. Voorts bepaalt art. 14 van de vof-akte – kort gezegd – dat de verdeling plaatsvindt aan het einde van het boekjaar waarin de uitoefening van het voortzettingsrecht heeft plaatsgevonden en dat de waarde van het aandeel gelijk is aan de kapitaaldeelname van de niet-voortzettende vennoot in het bedrijf van de vennootschap, zoals die blijkt uit de balans op het moment van de verdeling.
In rov. 5.4.3. van de bestreden beschikking heeft het hof (onder meer) overwogen dat de man het bedrijf van de vennootschap als eenmanszaak heeft voortgezet, en dat de vrouw niet heeft betoogd dat de eenmanszaak behoort tot het te verrekenen vermogen (als bedoeld in art. 19 van de huwelijkse voorwaarden). Voorts is overwogen dat de vrouw geen beroep heeft gedaan op art. 14 van de vof-akte, dat haar recht geeft op de waarde van haar aandeel in de goederen die deel uitmaken van het vennootschapsvermogen, en dat de vrouw ook niet duidelijk heeft gemaakt hoe, met inachtneming van het in art. 14 bepaalde, de bedoelde kapitaaldeelname zou moeten worden vastgesteld en hoe hoog die deelname zou zijn. Gelet op de afspraken die partijen in de huwelijkse voorwaarden en in de vof-akte hebben gemaakt (zoals weergegeven in 2.3 en 2.4 hierboven), is dit relevant. Deze overwegingen van het hof bevatten dus het oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om haar vordering tot “toescheiding van de helft van € 413.653,50 in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden c.q. verrekening van het vennootschapsvermogen” te kunnen beoordelen. Het onderdeel wijst erop dat de vrouw in haar verrekeningsvoorstel (opgenomen in haar beroepschrift onder 5, 8, 10, 15 en 16) gemotiveerd heeft aangegeven hoe tot waardering van de activa en passiva zou moeten worden gekomen. In de genoemde punten van haar beroepschrift heeft de vrouw weliswaar stellingen ingenomen over de verdeling van het vennootschapsvermogen, maar deze houden geen rekening met de afspraken van partijen in de huwelijkse voorwaarden en de vof-akte. Zo verwijst de vrouw in punt 15 van haar beroepschrift naar productie 8 (de berekening van het totaalbedrag van de waarde van de onroerende zaken en gronden, inclusief de te verrekenen waardevermeerdering van de woning tijdens het huwelijk, zijnde € 1.943.230,-). Uit productie 8 blijkt echter dat de vrouw onder meer de landbouwgrond, gebouwen, ondergrond van de gebouwen en bosgrond heeft betrokken bij het volgens haar te verrekenen totaalbedrag van de onroerende zaken en gronden. Zoals hiervoor onder 2.3 is weergegeven, vallen deze gronden en gebouwen buiten de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden (art. 19). Ook productie 9, waar de vrouw in haar beroepschrift onder 16 naar verwijst, bevat deze gronden en gebouwen, maar dan uitgesplitst welke gebouwen en gronden het betreft en wat de waarde daarvan is. Onder deze omstandigheden kon het hof ongemotiveerd aan deze (niet relevante) stellingen van de vrouw voorbij gaan.
Het onderdeel betoogt voorts dat het hof evenmin aan de stellingen van de vrouw (zoals hierboven in 2.5 weergegeven) voorbij had mogen gaan, nu uit het verweerschrift van de man valt af te leiden dat de vrouw op basis van art. 14 van de vof-akte aanspraak kan maken op de waarde van haar kapitaaldeelname.
Op dit punt heeft te gelden dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun verzoek ten gronde hebben gelegd (art. 24 Rv). Nu de vrouw (in hoger beroep, voor zover thans relevant) heeft verzocht haar in het kader van de “afwikkeling van de huwelijke voorwaarden c.q. verrekening van het vennootschapsvermogen toe te scheiden” de helft van € 413.653,50, was het aan haar om te stellen op welke grond(en) zij dit verzoek deed. Zoals hierboven onder 2.5 is weergegeven, heeft het hof geoordeeld – en kunnen oordelen – dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om haar vordering te kunnen beoordelen. Dat de man in zijn verweerschrift is ingegaan op art. 14 van de vof-akte, is in dit kader dus niet van belang. Het had voor de (advocaat van de) vrouw wellicht een aanwijzing kunnen zijn om haar verzoek op dit artikel te baseren, maar zoals het hof heeft overwogen, heeft zij dat nagelaten.
Ten slotte klaagt onderdeel a. dat het hof, door ongemotiveerd aan de stellingen van de vrouw wat betreft het vennootschapsvermogen voorbij te gaan, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de wijze waarop een vennootschapsvermogen onder de zich in deze zaak voordoende omstandigheden dient te worden gewaardeerd. Het onderdeel geeft niet aan wat de onjuiste rechtsopvatting van het hof inhoudt en wat de “zich in deze zaak voordoende omstandigheden” zijn. Het onderdeel geeft evenmin aan wat dan de juiste rechtsopvatting zou zijn die het hof zou hebben miskend. Deze klacht kan derhalve bij gebrek aan onderbouwing niet tot cassatie leiden.
Dit alles leidt ertoe dat onderdeel a. faalt.
Onderdeel b. klaagt dat de overweging van het hof dat de vrouw geen verzoek op grond van art. 1:143 lid 1 BW heeft gedaan, rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Voor de vordering met betrekking tot het vennootschapsvermogen is deze overweging niet relevant, nu een beroep op art. 1:143 BW alleen in relatie tot verrekening van het huwelijksvermogen zou kunnen worden gedaan. Nu het hof het vennootschapsvermogen niet tot het huwelijksvermogen heeft gerekend, c.q. hierop niet de verrekening van art. 19 van de huwelijkse voorwaarden van toepassing heeft verklaard, is niet begrijpelijk wat het hof met deze overweging heeft bedoeld. Als een beroep op art. 1:143 lid 1 BW wel op de vordering op grond van art. 14 van de vof-akte van toepassing zou zijn geweest, is onduidelijk waarom de herhaalde stelling van de vrouw dat zij niet in staat is geweest om bij gebreke van alle relevante informatie (die zich bij de man zou bevinden) tot een volledig verrekeningsvoorstel te komen, door het hof niet als een verzoek op grond van art. 1:143 lid 1 is opgevat. Bovendien is het hof ambtshalve gehouden de rechtsgronden aan te vullen (op grond van art. 25 Rv).
In rov. 5.4.3. van de bestreden beschikking heeft het hof overwogen dat de vrouw geen verzoek om beschrijving van het te verrekenen vermogen als bedoeld in art. 1:143 lid 1 BW heeft gedaan. Direct hierna (in de volgende alinea) overweegt het hof dat het “in het licht van het voorgaande”, dat wil zeggen het gebrek aan een verzoek van de vrouw op grond van art. 1:143 lid 1 BW, niet zal overgaan tot het benoemen van een deskundige, zoals door de vrouw is verzocht om haar vorderingsrecht ingevolge art. 19 (van de huwelijkse voorwaarden) te beoordelen. Deze overweging geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu deze betrekking heeft op het huwelijksvermogen. Voor zover het onderdeel anders betoogt, gaat het uit van een onjuiste lezing van de beschikking. Overigens valt niet in te zien welk belang de vrouw heeft bij de klacht dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting (dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven) door te overwegen dat zij geen verzoek op grond van art. 1:143 lid 1 BW heeft gedaan.
Deze klacht faalt derhalve.
Voor zover het onderdeel betoogt dat de stelling van de vrouw – dat zij niet in staat is geweest om bij gebreke van alle relevante informatie (die zich bij de man zou bevinden) tot een volledig verrekeningsvoorstel te komen – door het hof opgevat had moeten worden als een verzoek op grond van art. 1:143 lid 1, merk ik het volgende op. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de ratio van art. 1:143 lid 1 BW is dat het voor de uitvoering van overeengekomen huwelijkse voorwaarden essentieel is dat echtgenoten elkaar alle benodigde gegevens verschaffen om de verrekenvordering over en weer te kunnen vaststellen. Los van de vraag of art. 1:143 lid 1 BW van toepassing zou zijn op de vof-verrekening, blijkt uit de overweging van het hof dat het van oordeel is dat de balans 2014 (waarover de vrouw beschikte) genoeg informatie bevatte om te komen tot de stelling en/of onderbouwing van haar verrekeningsvordering. Voorts heeft het hof overwogen dat de vrouw overigens had moeten uitleggen welke stukken zij (dan) nog verder nodig had voor de vaststelling van haar kapitaaldeelname in de vof. Anders gezegd: het hof achtte kennelijk alle benodigde gegevens om de verrekenvordering te kunnen vaststellen aanwezig. Gezien het hiervoor onder 2.5 bij de bespreking van onderdeel a is opgenomen, geeft dit geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onvoldoende gemotiveerd. Evenmin was het hof ambtshalve gehouden op dit punt de rechtsgronden aan te vullen op grond van art. 25 Rv.
Dit leidt ertoe dat onderdeel b. eveneens faalt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G