ECLI:NL:PHR:2021:10

ECLI:NL:PHR:2021:10, Parket bij de Hoge Raad, 12-01-2021, 19/02749

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 12-01-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/02749
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:325
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Medeplegen van een gewelddadige ontvoering in Amstelveen op 9 maart 2017. Klachten over (i) de verwerping van het alternatieve scenario, (ii) de motivering van het medeplegen poging tot doodslag, (iii) de motivering van het medeplegen zware mishandeling en (iv) de strafoplegging (verbazingscriterium). De conclusie strekt in zoverre tot verwerping van het beroep. Wel slaagt het middel dat klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn. In dat verband strekt de conclusie tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de strafoplegging aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.

Uitspraak

“Beoordeling van de bewijsvraag in het licht van de gevoerde verweren

1. De in hoger beroep gevoerde verweren
4. Schets door de verdachte van een alternatief scenario

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw betoogd dat (i) de verdachte op geen van de beide plaatsen delict ([plaats] en [plaats]) kan worden geplaatst en (ii) het dossier onvoldoende bewijsmiddelen inhoudt om het handelen van de verdachte als medeplegen te kwalificeren, zodat hij van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder (i) genoemde verweer heeft de raadsvrouw op het volgende gewezen.

De verdachte heeft verklaard hoe het kan dat a) een door hem gehuurde auto gebruikt is bij de ontvoering van [slachtoffer] in [plaats], namelijk doordat hij - als een soort katvanger - vaker auto’s huurde en uitleende, en b) zijn telefoon ten tijde van dat delict uitpeilde in [plaats] zonder dat hij daar zelf was, namelijk doordat hij zijn telefoon die middag per ongeluk in de auto had laten liggen. Het dossier bevat ook bewijsmiddelen die steun bieden aan de verklaring van de verdachte dat de bewuste auto door anderen werd gebruikt. Het is bovendien volstrekt onaannemelijk dat de verdachte twee auto’s zou hebben gehuurd op eigen naam en met achterlating van zijn eigen telefoonnummer, om deze auto’s vervolgens te gebruiken bij een op klaarlichte dag uitgevoerde ontvoering en een voorverkenning enkele dagen eerder.

De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij zijn telefoon in de middag en avond van 9 maart 2017 niet bij zich heeft gehad, kan niet worden weerlegd met een stemherkenning door een verbalisant en [betrokkene 3] . Immers, de spoedtap is pas aangesloten op 9 maart 2017 om 19:53 uur, zodat geen stemherkenning heeft plaatsgevonden met betrekking tot gesprekken die zijn gevoerd vóór dat tijdstip. En aan de verklaring van [betrokkene 3] kan geen waarde worden gehecht, omdat hij als medeverdachte mogelijk zichzelf wil ontlasten. Daar komt bij dat uit een door een ander op 9 maart 2017 om 19:55 uur met de telefoon van de verdachte gevoerd gesprek kan worden afgeleid dat de verdachte op 9 maart 2017 niet de gehele dag samen is geweest met zijn telefoon.

Er zijn daarnaast contra-indicaties voor de aanwezigheid van de verdachte op de plaatsen delict, nu bewijsmateriaal ontbreekt dat verwacht mag worden bij aanwezigheid van de verdachte op een van die plaatsen, zoals DNA-materiaal, camerabeelden, een overeenkomend signalement, getuigenverklaringen, schotresten of glasscherven. Daarbij komt nog dat de verdachte nooit zou toestaan dat zijn broer bijna zou worden doodgeschoten.

Vast staat dat de telefoon van de verdachte op 9 maart 2017 een zendmast in de [h-straat] te [plaats] heeft aangestraald. Deze locatie ligt (echter) ongeveer tussen de plaats delict aan de [d-straat] te [plaats] en de woning van de ex-vriendin van de verdachte aan de [a-straat 1] te [plaats] in, hetgeen een straal is van ongeveer drie kilometer. Zelfs als de verdachte zijn telefoon toen bij zich heeft gehad, bewijzen de zendmastgegevens dus niet de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict; hij kan even goed in de woning van zijn ex-vriendin zijn geweest. Tot slot moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte zijn telefoon die dag al vóór 20:00 uur heeft teruggekregen, nu het complex met daarin de woning aan de [a-straat 1] vanaf 20:10 uur onder observatie van opsporingsambtenaren is geweest en enkel om 23:26 uur is gezien dat de verdachte het portiek van dit complex met twee andere mannen verliet, waarna de verdachte om 23:41 uur dit portiek weer binnen is gegaan. Daarmee heeft de verdachte vanaf 20:10 uur een alibi.

Het verweer onder (ii) bouwt in belangrijke mate voort op stellingen die aan het onder (i) genoemde verweer ten grondslag zijn gelegd. Van medeplegen van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving is volgens de raadsvrouw geen sprake, nu de verdachte niet op een van de plaatsen delict kan worden geplaatst, hij niet kan worden herkend als een van de mannen die drie dagen voordien bij de woning van [betrokkene 7] in de [d-straat] te [plaats] zijn geweest, de getapte gesprekken met [betrokkene 3] niet kunnen worden geïnterpreteerd als het aansturen of begeleiden van een ontvoering en de auto’s op naam van de verdachte gebruikt werden door anderen. Wat betreft de aanwezigheid van de verdachte in de [d-straat] drie dagen voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving, heeft de raadsvrouw subsidiair aangevoerd dat zelfs als de verdachte daar toen wel in het gezelschap van [betrokkene 3] is gefotografeerd nadat zij uit een door hem gehuurde auto waren gestapt, dit niet vreemd is en ook niets zegt over zijn betrokkenheid bij de ontvoering; de eigenaar van de woning, [betrokkene 7], kent [betrokkene 3] immers uit de drugswereld en de verdachte heeft erkend zich soms met drugsgerelateerde feiten bezig te houden.

Wat betreft de aantekeningen in het schrift en de agenda van de verdachte heeft de raadsvrouw gewezen op de verklaring daarover van de verdachte. Verder heeft zij betoogd dat de inhoud van de getapte gesprekken tussen de telefoon van [betrokkene 3] en die van de verdachte net zo goed passen bij een drugsdeal als bij een ontvoering. De verklaring van [betrokkene 4] dat hij van [betrokkene 3] die avond hoorde dat hij met een ontvoering bezig was, is onvoldoende betrouwbaar om tot het bewijs te gebruiken.

[…]

De verdachte heeft zich in zijn (eerste) verhoren door de politie op 10 en 11 maart en 31 mei 2017 op zijn zwijgrecht beroepen. Op 21 maart 2018 heeft de verdachte bij de politie een inhoudelijke verklaring afgelegd, die hij op hoofdlijnen ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft herhaald. Deze verklaring komt op het volgende neer.

De verdachte was gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] niet in het bezit van de Peugeot waarmee deze werd ontvoerd en evenmin van zijn eigen telefoon. De verdachte huurde vaker auto’s om deze vervolgens uit te lenen; hij fungeerde als een soort katvanger. Dit was ook het geval met de Peugeot met kenteken [kenteken 2] . Deze werd op 9 maart 2017 door een ander gebruikt. Wel heeft de verdachte zich die dag door die ander met de Peugeot rond 15:20 uur laten afzetten bij station Leiden Centraal, waarbij de verdachte per ongeluk zijn telefoon in die auto heeft laten liggen. Reden om naar Leiden te gaan, was gelegen in het feit dat zijn aan de [a-straat 1] te [plaats] woonachtige ex- vriendin hem had verzocht te helpen met de kinderen, omdat zij zich niet lekker voelde. De verdachte heeft tot in de avond wat rondgehangen in de buurt van Leiden CS en is toen naar zijn ex gegaan. Omdat deze bezoek had, is hij “uit respect” niet eerder naar haar woning gegaan. Bij die woning heeft hij later op de avond zijn telefoon teruggekregen. Dat een ander kennelijk die dag van zijn in de auto achtergelaten telefoon gebruik heeft gemaakt ondanks dat deze met een code ontgrendeld moest worden, kwam omdat hij zijn telefoon vaak door anderen liet gebruiken en iedereen zijn code kende.

De hiervoor vermelde aantekeningen in zijn schrift heeft de verdachte op verzoek van een medeverdachte gemaakt, die hem ook vroeg om het peilbaken uit te lezen. Dit hield verband met het controleren van de gangen van een beoogde drugshandelspartner om te checken of deze geen undercoveragent was. Dat het kenteken van de auto van [slachtoffer] in zijn agenda stond, komt door het volgende. Verdachtes broer [betrokkene 1] maakte regelmatig gebruik van de auto van [slachtoffer] . Toen zijn broer op vakantie was, heeft de verdachte tijdelijk gebruik gemaakt van die auto. Omdat de verdachte gebruik maakt van de parkeer-app Parkmobile, heeft hij het kentekennummer van die auto genoteerd, zodat hij op deze manier het juiste kenteken in de app kon invoeren.”

10. Het hof heeft deze verweren verworpen. Toegespitst op het alternatieve scenario heeft het hof daartoe het volgende overwogen:

5. Beoordeling van het geopperde alternatieve scenario en de gevoerde verweren

De verklaring van de verdachte komt, zowel wat de onwaarschijnlijke inhoud betreft als wat betreft het moment waarop deze is afgelegd, over als een poging om - rekening houdend met de inmiddels verkregen onderzoekresultaten - uit alle macht een alternatief scenario te verzinnen. Overtuigen doet die verklaring dan ook niet, mede gelet op het volgende.

Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario is op de cruciale onderdelen daarvan (het uitlenen van de Peugeot op 9 maart 2017, het daarin vergeten van zijn telefoon en later terugkrijgen daarvan, de gang van zaken rond het uitlezen van het peilbaken en noteren van gegevens) niet dan wel onvoldoende onderbouwd en ontbeert toereikende (objectieve) aanknopingspunten aan de hand waarvan het geverifieerd zou kunnen worden. De verdachte heeft geen concrete gegevens willen verstrekken over de persoon aan wie hij de auto zou hebben uitgeleend op 9 maart 2017, wie zijn telefoon zou hebben gebruikt, van wie hij zijn telefoon zou hebben teruggekregen, voor wie hij het peilbaken onder de auto van [slachtoffer] heeft uitgelezen en de aantekeningen in het schrift zou hebben gemaakt. Daar komt bij dat de verdachte de pogingen van het hof en de advocaat-generaal om zijn verklaring te toetsen door daaromtrent nadere vragen te stellen voor een belangrijk deel heeft gefrustreerd door zich op zijn zwijgrecht te beroepen, ook bij vragen waarvan de beantwoording slechts zou zien op het eigen handelen van de verdachte, zodat daarbij niet het excuus gold van vrees voor represailles van degene die de verdachte met zijn antwoorden zou kunnen belasten.

Inhoudelijk strookt het door de verdachte geschetste scenario op verschillende cruciale punten niet met de bevindingen van het opsporingsonderzoek of is om andere redenen onwaarschijnlijk. Dat geldt met name voor de verklaringen van de verdachte over het gebruik van zijn telefoon. Dat de verdachte op 9 maart 2017 (vóór 20:00 uur) niet de gebruiker was van zijn telefoon strijdt met de verklaring van [betrokkene 3] over het door hem op die datum om 19:53 uur gevoerde gesprek, welke verklaring inhoudt dat hij ‘99% zeker is dat hij met de verdachte heeft gesproken’. Het hof stelt gezien de intensiteit van het contact en de inhoud van de gesprekken de resterende 1% als een louter theoretische mogelijkheid ter zijde. Dat de verdachte op 9 maart 2017 om 19:53 uur de gebruiker van zijn telefoon was, blijkt ook uit het proces-verbaal van bevindingen ‘vaststellen gebruiker [telefoonnummer 1]’ van 4 mei 2017, waarin staat dat de verbalisant de stem van de gebruiker van dit nummer tussen 9 maart 2017 vanaf 19:53 uur en 10 maart 2017 tot 01:00 uur heeft vergeleken. Met uitzondering van één gesprek om 19:55 uur, heeft de verbalisant op basis van alle beluisterde gesprekken - inclusief een gesprek van 23:38 uur met [betrokkene 5], de vriendin van de verdachte, over welk gesprek de verdachte heeft verklaard dat hij dat heeft gevoerd - geconcludeerd dat sprake is van één en dezelfde gebruiker. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisant en betrekt daarbij uitdrukkelijk de verklaring van [betrokkene 3] die op dit punt de bevindingen ondersteunt. De lezing van de verdachte zou overigens inhouden dat de onbekend gebleven gebruiker van diens telefoon om 18:38 uur toevallig dezelfde interesse had in een nieuwsbericht over de ontvoering van [slachtoffer] als de verdachte zelf later die avond om 21:45 uur en 23:27 uur, hetgeen het hof - mede in het licht van het voorgaande - ook uiterst onwaarschijnlijk acht.

Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij zijn telefoon terugkreeg op enig moment nadat hij al in de woning van zijn ex was. Deze heeft verklaard dat de verdachte, hoewel zij zich het tijdstip niet precies kan herinneren, rond 22:00 uur die avond bij haar thuis is gekomen.

Dit laatste, in verband met de overige bevindingen ten aanzien van de telefoon, leidt ook tot de conclusie dat van het alibi waarover de raadsvrouw spreekt, geen sprake is. Veeleer is aannemelijk dat de verdachte na afloop van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (en dus ruim na 20:00 uur) de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] is binnengegaan zonder te zijn gezien door de opsporingsambtenaren die het complex observeerden waarin die woning is gelegen. Daar komt bij dat het hof, gelet op de ligging van de [a-straat] te [plaats] ten opzichte van de [h-straat] in [plaats] en op de telecomgegevens in het dossier (tussen 9 maart 2017 om 21:23 uur en 10 maart 2017 om 01:10 uur worden enkel paallocaties geregistreerd in [plaats] , nabij de [a-straat 1] , terwijl op 9 maart 2017 tussen 17:49 uur en 20:30 uur een zendmast aan de [h-straat] te [plaats] werd aangestraald), het niet aannemelijk acht dat vanuit de woning aan de [a-straat] de zendmast aan de [h-straat] is aangestraald.

Verder is de inhoud van de verklaring van de verdachte onder meer onwaarschijnlijk wat betreft (a) het door zijn ex-vriendin wegens haar onwel bevinden gevraagd zijn hulp te bieden, daaraan gehoor geven, maar vervolgens uren dralen rond Leiden CS, (b) het noteren en bij zich houden van gegevens over de gangen van [slachtoffer] , als dat noteren zou zijn geschied op verzoek van een ander die over die gegevens wilde beschikken, (c) de stelling dat iedereen de ontgrendelingscode van de telefoon van de verdachte kende.

Het hof schuift de verklaring van de verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde. Dat betekent ten eerste dat de verdachte niet erin is geslaagd een aannemelijke de redengevendheid van het hem belastende bewijs ontzenuwende verklaring te geven en dat het hof mitsdien bewezen acht dat hij nauw bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] betrokken is geweest. Ten tweede betekent dit dat de door de raadsvrouw gevoerde verweren falen voor zover deze zijn gegrond op die door het hof ongeloofwaardig geoordeelde verklaring van de verdachte. De door de raadsvrouw in haar onder (i) bedoelde verweer als contra-indicaties voor de betrokkenheid van de verdachte opgevoerde omstandigheden, zoals het gebruik door de verdachte van zijn eigen telefoon en naar hem traceerbare auto’s, het ontbreken van overige te verwachten aanwijzingen voor of sporen van de verdachte op de plaatsen delict, alsmede het feit dat de broer van de verdachte in de auto zat met [slachtoffer] op het moment van de ontvoering, brengen het hof niet tot een ander oordeel.”

11. De klacht is kennelijk mede gestoeld op de gedachte dat sprake zou zijn van een zogenoemd ‘Meer en Vaart-gat’ in de bewijsvoering. Daarbij gaat het om een betoog waarin een beroep wordt gedaan op niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn, maar die – indien juist – wel onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring. Wanneer de rechter toch tot een bewezenverklaring komt, dient hij dat betoog uitdrukkelijk en gemotiveerd te weerleggen. Deze motiveringsplicht berust op de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv. Voorts is hier van belang hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314, m.nt. Buruma heeft overwogen:

“2.5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.

Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.”

12. Opmerking verdient dat de invoering van de motiveringsplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv geen wijziging heeft gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmaterieel is voorbehouden aan de feitenrechter en dat ten aanzien van de mate van motivering onder meer betekenis toekomt aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.

13. Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de auto waarmee [slachtoffer] (verder: het slachtoffer) op 9 maart is ontvoerd (de Peugeot met het kenteken [kenteken 2] ) door de verdachte op 7 maart is gehuurd en dat de telefoon van de verdachte op 9 maart om 16:56 uur – de ontvoering vond plaats omstreeks 17:00 uur – een zendmast aan de Sportlaan in [plaats] heeft aangestraald in de directe omgeving van de plek waar het slachtoffer is meegenomen. De telefoon van de verdachte heeft zich vervolgens naar [plaats] verplaatst en heeft vanaf 17:49 uur tot 20:30 uur gebruikgemaakt van een zendmast aan de [h-straat] in [plaats], die in de directe omgeving staat van de [g-straat] en de [d-straat] aldaar; dit is de plek waar het slachtoffer is vastgehouden. Hierna heeft de telefoon van de verdachte tussen 9 maart om 21:23 uur en 10 maart om 01:10 uur, het tijdstip waarop de verdachte is aangehouden in de woning van zijn ex-vriendin aan de [a-straat 1] in [plaats] , enkel nog zendmasten aangestraald in de nabijheid van dat adres. Met de telefoon van de verdachte zijn op 9 maart om 18:38 uur, 21:45 uur en 23:27 uur op verschillende nieuwsites berichten bekeken over een ontvoering in [plaats]. Ook heeft de telefoon van de verdachte op 9 maart veelvuldig contact gehad met mededader [betrokkene 3] , zowel voorafgaand als ten tijde van en kort na de ontvoering van het slachtoffer. Tijdens die gesprekken communiceerde de verdachte en [betrokkene 3] met elkaar in ‘versluierende bewoordingen’ die kunnen passen bij de ontvoering van het slachtoffer, aldus het hof. Zo heeft mededader [betrokkene 3] vlak voor het tijdstip dat het slachtoffer is vrijgelaten gevraagd of ‘het klaar is’ en heeft de verdachte geantwoord dat ‘het is gelukt’.

14. Voorts is door het hof vastgesteld dat de verdachte in het bezit was van een agenda, een schrift en een autosleutel behorende bij een eveneens door de verdachte – op 5 maart – gehuurde witte Peugeot met het kenteken [kenteken 3]. In de agenda waren onder meer het kenteken van de auto van het slachtoffer en het imei-nummer genoteerd van het peilbaken dat is aangetroffen onder de auto van het slachtoffer. In het schrift stonden onder meer het woonadres van het slachtoffer en het adres van de school van zijn kinderen. Tijdens de ontvoering is het slachtoffer door de daders met de informatie geconfronteerd die in het schrift van de verdachte waren opgetekend. Door een getuige is op 6 maart gezien dat drie mannen uit de Peugeot met kenteken [kenteken 3] stapten en vervolgens liepen naar het portiek van de [d-straat 1-5], dit is het adres van de woning waar het slachtoffer werd vastgehouden. Door de getuige zijn van deze mannen foto’s gemaakt. Een opsporingsambtenaar heeft op die foto’s de verdachte en mededader [betrokkene 4] herkend. In de witte Peugeot zijn later goederen aangetroffen die aan de ontvoering van het slachtoffer gerelateerd kunnen worden, zoals het navigatiesysteem met het adres van de school van de zoon van het slachtoffer en ook de gordijnstof die gelijkenis vertoonde met de gordijnen die in de woning hingen waar het slachtoffer werd vastgehouden.

15. Het eerst in hoger beroep naar voren gebrachte alternatieve scenario houdt in dat de verdachte wel vaker als katvanger is gebruikt voor het huren van auto’s en hij niet aanwezig kan zijn geweest op beide plaatsen delict ([plaats] en [plaats]), aangezien op de dag van de ontvoering de door hem gehuurde Peugeot (met kenteken [kenteken 2], A-G) bij iemand anders in gebruik was en hij zich om 15:20 uur met deze auto heeft laten afzetten bij station Leiden Centraal waarbij hij zijn telefoon in die auto heeft laten liggen en er iemand anders is geweest die daarna gebruikt heeft gemaakt van deze telefoon.

16. Naar het oordeel van het hof is het alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. Ten eerste is dit scenario met name op cruciale onderdelen – het uitlenen van de Peugeot op 9 maart, zijn telefoon vergeten en later terugkrijgen, de gang van zaken rond het uitlezen van het peilbaken en het noteren van de bedoelde gegevens – onvoldoende onderbouwd. En ten tweede ontbreken toereikende (objectieve) aanknopingspunten aan de hand waarvan het geopperde alternatieve scenario geverifieerd zou kunnen worden.

17. Daartoe heeft het hof allereerst overwogen dat de verdachte geen concrete gegevens heeft willen verstrekken over de persoon aan wie dan wel hij zijn auto zou hebben uitgeleend op die 9de maart, wie zijn telefoon die dag heeft gebruikt en van wie hij zijn telefoon zou hebben teruggekregen, voor wie hij het peilbaken onder de auto van het slachtoffer heeft uitgelezen en voor wie hij de aantekeningen in zijn schrift heeft gemaakt. Pogingen van het hof en de advocaat-generaal om de verklaring van de verdachte op waarheid te toetsen zijn door de verdachte gefrustreerd doordat hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, hetgeen ook het geval was wanneer beantwoording alleen zou zien op het handelen van de verdachte en het excuus voor vrees voor represailles niet aan de orde was.

18. Voorts heeft het hof ten aanzien van het betoog dat de verdachte op 9 maart vóór 20:00 uur niet de gebruiker was van zijn telefoon het volgende vastgesteld en overwogen. Mededader [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij er ‘99% procent zeker van is’ dat hij om 19:53 uur telefonisch met de verdachte heeft gesproken. Gelet op de intensiteit en de inhoud van het contact tussen de verdachte en deze mededader, doet het hof – niet onbegrijpelijk – de resterende 1% af als een ‘louter theoretische mogelijkheid’ die terzijde kan worden geschoven. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen ‘vaststellen gebruiker [telefoonnummer 1]’ dat de verdachte de gebruiker is van dit nummer. Een verbalisant heeft in dat verband een stemonderzoek gedaan met betrekking tot de periode van 9 maart vanaf 19:53 uur tot 10 maart met eindtijd 01:00 uur. Volgens de bevindingen van deze verbalisant is, met een voorbehoud voor één gesprek om 19:55 uur, waarover aanstonds meer, sprake van één en dezelfde gebruiker van dit nummer. Onder deze uitgeluisterde gesprekken bevindt zich een gesprek met de ex-vriendin van de verdachte. Daarover heeft de verdachte nota bene zelf verklaard dat hij dit gesprek heeft gevoerd. Dan nog iets over dat ene gesprek om 19:55 uur. De stelling van de verdediging dat daaruit volgt dat de verdachte niet de gehele dag samen is geweest met zijn telefoon gaat niet op. Uit de inhoud van bewijsmiddel 9 blijkt namelijk dat de gebruiker van dit gesprek fluistert en lastig is te verstaan en dat de verbalisant daarom niet met zekerheid aan de stem heeft kunnen vaststellen dat het hier dezelfde gebruiker betreft. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisant en weegt uitdrukkelijk mee dat de verklaring van mededader [betrokkene 3] de bevindingen van de verbalisant ondersteunt. Voorts overweegt het hof – hetgeen evenmin onbegrijpelijk is – dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat een onbekende gebruiker van de telefoon om 18:38 uur toevallig dezelfde interesse zou hebben gehad voor een nieuwsbericht over de ontvoering van het slachtoffer, als de verdachte later die avond zelf heeft gehad op de tijdstippen van 21:45 uur en 23:27 uur.

19. Daarbij komt dat het hof het namens de verdachte aangevoerde alibi dat hij in ieder geval vanaf 20:10 uur in de woning van zijn ex-vriendin aanwezig is geweest evenmin aannemelijk acht. De ex-vriendin heeft immers verklaard dat (hoewel zij het tijdstip niet precies meer kon herinneren) de verdachte omstreeks 22:00 uur die avond bij haar is thuisgekomen. Aannemelijk is volgens het hof dat de verdachte na de ontvoering van het slachtoffer (ruim na 20:00 uur) de woning van zijn ex-vriendin aan de [a-straat 1] is binnengegaan zonder dat de verbalisanten dit bij het observeren van het complex hebben waargenomen. Gelet op zowel de ligging van de [a-straat] in [plaats] ten opzichte van de [h-straat] in [plaats], dit is nabij de woning waar het slachtoffer werd vastgehouden, en de telecomgegevens waaruit blijkt dat tussen 9 maart om 21:23 uur en 10 maart om 01:10 uur louter paallocaties zijn geregistreerd in [plaats] , dat wil zeggen in de buurt van de [a-straat 1] , als op de omstandigheid dat op 9 maart tussen 17:49 uur en 20:30 uur enkel een zendmast aan de [h-straat] te [plaats] werd aangestraald, is het volgens het hof bovendien niet aannemelijk dat vanuit de woning van de ex-vriendin de zendmast aan de [h-straat] is aangestraald.

20. Op grond van al deze aan de bewijsmiddelen ontleende vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte er niet in is geslaagd een ‘aannemelijke de redengevendheid van het hem belastende bewijs ontzenuwende verklaring te geven’ en acht het hof bewezen dat de verdachte nauw bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer betrokken is geweest. Dat oordeel is gelet op de zeer uitgebreide en hechte bewijsmotivering van het hof hieromtrent, en tegen de achtergrond van hetgeen ik in de randnummers 11 en 12 heb vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

21. Aan voormeld oordeel doet volgens het hof niet af hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht met betrekking tot a. het gebruik door de verdachte van zijn eigen telefoon en van naar hem traceerbare auto’s, b. het ontbreken van overige te verwachten aanwijzingen voor of sporen van de verdachte op de plaatsen delict en c. het feit dat de broer van de verdachte samen met het slachtoffer in de auto zat op het moment van de ontvoering. Ook dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, waarbij nog zij aangetekend dat de in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv voorgeschreven motiveringsplicht niet zover gaat dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

22. Voor de volledigheid nog dit. De steller van het middel citeert uit de pleitnota in hoger beroep dat “pas op 9 maart 2017 om 19.53 uur een spoedtap op het telefoonnummer van cliënt [is] aangesloten”. Dat is niet juist. Uit bewijsmiddel 12 blijkt dat die spoedtap op 9 maart 2017 omstreeks 18:20 uur is geplaatst.

23. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt gesteld dat het hof de verklaring van de verdachte ‘of om andere redenen onwaarschijnlijk’ heeft aangemerkt zonder dat daarvoor enige basis in de bewijsmiddelen is terug te vinden, merk ik afsluitend op dat een al te onwaarschijnlijke lezing van een verdachte geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.

24. Het middel faalt.

Het tweede middel

25. Het tweede middel keert zich met een motiveringsklacht tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde medeplegen van poging tot doodslag.

26. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2019 gehechte pleitnota is aldaar, voor zover hier van belang, aangevoerd (met weglating van voetnoten):

4. Feit 2: medeplegen poging gekwalificeerde doodslag door schieten op autoruit in [plaats]

Geen bewijs voor kennis bij cliënt van aanwezigheid laat staan gebruik wapen.

Hiervoor heb ik reeds aangegeven waarom mijns inziens vast staat dat cliënt niet in [plaats] op PD (ik begrijp: plaats delict, EH) was.

En al was hij wel in [plaats], dan nog kan hij gezien voorgaande niet de schutter zijn geweest.

De vraag is dan, of hij anderszins door enige handeling van zijn kant toch een nauwe en bewuste samenwerking met de daders had, waarbij zijn rol min of meer gelijk te stellen was met die van de daders.

En cliënt ook de opzet had op deze gelijk te stellen bijdrage aan de poging tot doodslag.

Dit is in de visie van de verdediging niet het geval.

Allereerst omdat niet kan worden vastgesteld dat dit schieten onderdeel was van een vooraf bedacht plan waaraan cliënt een bijdrage heeft geleverd.

Er staat hierover immers niets in het schriftje van cliënt maar ook anderszins is hiervoor geen ondersteuning in de onderzoeksresultaten te vinden.

Zelfs kan niet worden vastgesteld dat cliënt überhaupt kennis droeg van de aanwezigheid van een wapen op PD in [plaats].

Bovendien lijkt het schieten met dit wapen ook helemaal niet de bedoeling geweest te zijn.

De schutter heeft namelijk allerlei alternatieven geprobeerd om slo [ik begrijp telkens: slachtoffer, EH] uit zijn auto te krijgen.

Zo is aan het portier getrokken, is slo gesommeerd uit de auto te komen en is geprobeerd de ruit in te slaan.

Eerst hierna besluit de schutter, ogenschijnlijk op eigen initiatief, om door de ruit te schieten.

Hierbij niet alleen slo bijna doodschietend, maar hiermee ook de pal hiernaast zittende broer van cliënt.

Niet alleen is er geen bewijs, maar het is ook volstrekt onaannemelijk, dat dit een plan was waarvan cliënt kennis droeg en ook de opzet op had om hieraan een bijdrage te leveren, laat staan op een vergelijkbaar niveau als de daders.

Oftewel, de rechtbank heeft echt ten onrechte cliënt veroordeeld voor medeplegen van poging doodslag.

Standpunt sluit ook aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Dit standpunt sluit ook aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft namelijk op 14 oktober 2003 als volgt geoordeeld:

‘Het Hof heeft niet vastgesteld dat de doodslag op [slachtoffer 2] was voorzien in een gemeenschappelijk vooropgezet plan . Uit de bewijsmiddelen kan evenmin worden afgeleid dat die doodslag is begaan in bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. Dat tussen de verdachte en de drie andere mannen, toen onverwacht [slachtoffer 2] verscheen, wilsovereenstemming tot stand is gekomen, al was het maar stilzwijgend, ten aanzien van het doden van [slachtoffer 2], houden deze immers niet in.

Oftewel, die (poging) doodslag moet onderdeel uitmaken van een gemeenschappelijk vooropgezet plan, aldus de HR.

Echter handelt de rechtbank blijkens haar vonnis in strijd met deze jurisprudentie, door gemakshalve het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, automatisch te zien als het medeplegen van een (poging) doodslag, als deze later blijkt te hebben plaatsgevonden.

Dat het schieten en daarmee de mogelijke doodslag, überhaupt een mogelijkheid was in het gemeenschappelijke vooropgezette plan, dat blijkt helemaal nergens uit. De rechtbank neemt dat gemakshalve wel aan.

Ook wijs ik in dit verband naar de uitspraak van Rechtbank Gelderland van 9 november 2016, waarin de rechtbank een verdachte vrijsprak van het medeplegen van poging doodslag omdat de enkele aanwezigheid en het niet-distantiëren onvoldoende was om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking.

Ook was niet gebleken dat verdachte op enig ander moment een substantiële bijdrage had geleverd aan het schieten met het wapen.

In het geval van cliënt is dat niet anders. Want zelfs al plaatst uw Hof hem wel op PD in [plaats]; feit is dat cliënt iig [ik begrijp: in ieder geval, EH] niet de schutter was en ook niet als een van de andere 2 daders enige bemoeienis heeft gehad met de keus van de schutter om uiteindelijk door de ruit te schieten.

De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en daarom dus geen sprake is van medeplegen.

Reden waarom ik uw hof verzoek cliënt vrij te spreken van feit 2 op de tenlastelegging.”

27. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Beoordeling van de bewijsvraag in het licht van de gevoerde verweren

1. De in hoger beroep gevoerde verweren
7. Medeplegen poging doodslag
8. Conclusie

[…]

Ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde poging tot doodslag heeft de raadsvrouw betoogd dat, ook als de verdachte op de plaats delict zou zijn geweest, medeplegen niet bewezen kan worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het schieten met het vuurwapen onderdeel was van een vooraf bedacht plan. Het schieten lijkt zelfs helemaal niet de bedoeling te zijn geweest, nu eerst is geprobeerd het slachtoffer uit zijn auto te krijgen door hem daartoe te sommeren en vervolgens is geprobeerd de autoruit in te slaan. Pas toen dat niet lukte besloot de schutter, ogenschijnlijk op eigen initiatief, door de autoruit te schieten, daarmee niet alleen het slachtoffer bijna doodschietend, maar ook de naast hem zittende broer van de verdachte.

[…]

Het hof stelt voorop dat het schieten door de autoruit waarbij de kogel rakelings langs [slachtoffer] is gegaan moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Naar het oordeel van het hof heeft de schutter de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [slachtoffer] door dat schot zou komen te overlijden, doordat de van zeer korte afstand afgevuurde kogel [slachtoffer] , mede gelet op de schotbaan, bij de minste beweging of bij een (geringe) verandering van baan of bij afketsen had kunnen raken op plekken waar zich vitale delen van het lichaam bevinden. Uit het gedrag van de schutter volgt dat deze die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gemaskerde man is geweest die het pistool heeft afgevuurd, is het hof van oordeel dat hij ook ten aanzien van dit feit als medepleger moet worden aangemerkt. Het hof baseert dat oordeel op de volgende overwegingen.

Vast staat dat de verdachte heeft deelgenomen aan de voorbereiding en uitvoering van een plan dat inhield dat [slachtoffer] op klaarlichte dag in de openbare ruimte zou worden ontvoerd om hem vervolgens vast te houden in een woning en hem daar met gebruik van grof geweld en dreiging met verder geweld tegen hem en zijn familieleden te bewegen geld te betalen. Kortom, een zeer gewelddadige vorm van een wederrechtelijke vrijheidsberoving waarbij de betrokkenen niet de verwachting konden koesteren dat [slachtoffer] vrijwillig in [plaats] zou meegaan. Dat bij de ontvoering te [plaats] ook met geweld gedreigd zou moeten worden en mogelijk geweld zou moeten worden toegepast, kan daarom niet anders dan onderdeel van het plan zijn geweest. Dat het daarbij zou gaan om dreiging met vuurwapengeweld en, meer specifiek, om de toepassing van het onderhavige vuurwapengeweld beschouwt het hof tegen de achtergrond van hetgeen omtrent de aard en strekking van het plan voor het overige is komen vast te staan niet als zo uitzonderlijk of zo afwijkend, dat dit geacht moet worden uitsluitend een spontane ingeving te zijn geweest van de schutter die aan zijn mededaders niet kan worden toegerekend.

Sterker nog, gelet op de voorziene plaats en wijze van uitvoering van de ontvoering - overdag op een openbaar parkeerterrein - die een snelle overmeestering van het slachtoffer des te belangrijker maakte, en (dreiging met) geweld dat dit kon bewerkstelligen dan zeer voor de hand ligt, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte erop heeft gerekend dat bij de - mede door hem georganiseerde ontvoering van [slachtoffer] - sprake zou zijn van vuurwapenbezit en dat hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit wapen zou worden gebruikt zoals dat is gebeurd. Daar komt bij dat aanwijzingen ontbreken dat bij de uitvoering van de ontvoering te [plaats] wezenlijk zou zijn afgeweken van het vooraf door de daders gemaakte plan. In dat verband is ook van betekenis dat geen van de daders zich heeft gedistantieerd nadat van het vuurwapen gebruik was gemaakt. Elk van hen is zijn rol blijven vervullen en voortgegaan met de uitvoering van het ontvoeringsplan.

Het enkele gegeven dat de broer van de verdachte ook in de auto bleek te zitten brengt het hof niet tot een ander oordeel.

In het licht van al het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, het medeplegen van poging doodslag en het medeplegen zware mishandeling. […]”

28. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof de bewezenverklaring van feit 2 ontoereikend heeft gemotiveerd, nu uit het oordeel van het hof niet volgt dat het vuurwapengeweld, zoals tenlastegelegd onder 2, was voorzien van een gemeenschappelijk vooropgezet plan en ook uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de poging tot doodslag is begaan in een bewuste en nauwe samenwerking tussen de schutter en de verdachte. In deze toelichting ontwaar ik – kort gezegd – zowel een klacht die op het voor medeplegen vereiste opzet op het gronddelict (doodslag) ziet, als een klacht die haar pijlen richt op de onderlinge samenwerking tussen de verdachte en de schutter.

29. Volgens vaste rechtspraak is voor de kwalificatie van medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict moet van voldoende gewicht zijn. In geval van medeplegen kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor de uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door een medeverdachte zijn toegepast. Niet vereist voor het aannemen van medeplegen is dat de verdachte bijvoorbeeld zelf het geweld tegen het slachtoffer heeft uitgeoefend. Wie binnen het samenwerkingsverband precies welke feitelijke handeling heeft verricht, is niet van wezenlijke betekenis. De variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen is betrekkelijk groot, en dat maakt dat zich niet in algemene zin laat beantwoorden de vraag wanneer sprake is van ‘medeplegen’. Bij de beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval kunnen van belang zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

30. Voorts geldt voor medeplegen het vereiste van dubbel opzet. Zo moet er in de eerste plaats opzet zijn op de onderlinge samenwerking. Een nauwe en bewuste samenwerking veronderstelt immers bewustzijn van samenwerking. Dat hoeft niet altijd te betekenen dat er vooraf expliciet afspraken of plannen zijn gemaakt, dan wel tijdens de uitvoering ervan (kort) overleg is geweest. Onder omstandigheden kan de samenwerking voor een deel ook stilzwijgend plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat men ter plekke van elkaar begrijpt wat de verdere bedoeling is of door het maken van een instemmende hoofdknik. Medeplegen impliceert de bewuste samenwerking van een ieder van de medeplegers met het oog op het verrichten van een strafbare gedraging. Dat betekent dat voor medeplegen niet alleen bewustheid wordt verlangd in het verband van de samenwerking, maar het opzet in de tweede plaats ook gericht moet zijn op het begaan van de feiten zoals tenlastegelegd. Het gaat hier kortom om het opzet op het grondfeit, waaronder ook voorwaardelijk opzet is begrepen.

31. Met betrekking tot de figuur van medeplegen als deelnemingsvorm bestaat het optimum uit een opzet bij elk van de medeplegers dat keurig synchroon loopt en volledig aan elkaar congruent is. Bewijsrechtelijk is er dan geen probleem. De praktijk laat echter niet zelden een aanmerkelijk diffuser beeld zien, waarbij het opzet van de medeplegers nogal eens uiteen pleegt te lopen of lijkt te lopen.

32. Dat uiteenlopen heeft dan meestal betrekking op het grondfeit, in die zin dat, om met de woorden van De Hullu te spreken, “het uiteindelijk gepleegde feit niet geheel correspondeert met het feit zoals dat de deelnemer voor ogen stond”. Tot op zekere hoogte hoeft het voor het aannemen van medeplegen geen belemmering te zijn wanneer in de fase van de uitvoering het feit een wat ander verloop krijgt – het gaat daarbij veelal om geweld als kwalificerende omstandigheid – dan wat de medepleger zich had voorgesteld. Het voorwaardelijk opzet namelijk blijkt deze verschillen met betrekking tot het grondfeit nogal eens te kunnen ondervangen. Is de afwijking in de hier bedoelde zin te groot, dan ontbreekt een bewuste samenwerking op hetzelfde grondfeit. Verdedigd is ook een benadering die uitgaat van redelijke toerekening bij de strafrechtelijke aansprakelijkstelling van medeplegers (of ruimer: deelnemers) bij de gang van zaken zoals deze zich feitelijk heeft voorgedaan. Zo heeft Knigge in lijn daarmee een vragenschema opgesteld, waarvan de tweede vraag toegesneden op het medeplegen luidt: is er accessoriteit, of is het strafbare feit wezenlijk anders dan het feit waarop de medepleger opzet had, in welke laatste geval er geen grond voor toerekening is. De Hullu vraagt zich mijns inziens terecht af of het beslissingsschema voor de aansprakelijkheid van de deelnemer er inderdaad beter en helderder van zou worden wanneer het opzetvereiste op (de feitelijke gang van zaken rond) het grondfeit zou worden vervangen door de maatstaf van de redelijke toerekening. Wat de onderhavige zaak betreft, speelt deze kwestie overigens geen rol, denk ik.

33. Het hoeft zeker niet altijd te gaan om slechts één grondfeit en ook niet om alleen de situatie dat het opzet van de pleger en de medepleger met betrekking tot dat ene grondfeit uiteenloopt. In de fase van de (gezamenlijke) uitvoering kan het immers ook zó lopen dat er als het ware een tweede feit bijkomt dat met het geplande feit samenhangt. Als voorbeeld daarvan kan het onderhavige geval dienen. Aan te merken als door een ieder van de daders beoogd grondfeit is in ieder geval de wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282, tweede lid, Sr; feit 1). Of dat ook geldt voor het medeplegen van zware mishandeling (art. 302, eerste lid, Sr; feit 3) is voor dit moment van minder belang; daarop ga ik nader in bij mijn bespreking van het derde middel. Waar het mij in het onderhavige verband om gaat, is het medeplegen van de poging tot doodslag (art. 287 Sr j° art. 45 Sr; feit 2), tegen de bewezenverklaring waarvan dit tweede middel opkomt. Kan, nu niet is vast komen te staan dat de verdachte de schutter is geweest, gezegd worden dat het opzet van de verdachte (op zijn minst in de hoedanigheid van medepleger) zich eventueel in voorwaardelijke vorm ook uitstrekte over de poging tot doodslag? Was dus het schieten met een pistool door de portierruit van de afgesloten auto waarin het slachtoffer zich bevond door de verdachte als medepleger (als hij niet de schutter was) ingecalculeerd zodat deze delictsgedraging als het ware zat ingebakken in het opzet van de verdachte? Deze mogelijkheid is heel wel denkbaar indien de daders van de ontvoering op deze manier kracht wilden bijzetten aan een snelle uitvoering van hun plan om het slachtoffer te ontvoeren en er van tevoren rekening mee hadden gehouden dat het slachtoffer zich wel eens tegen deze aanval zou kunnen verzetten. Dat zij geweld niet schuwden, blijkt immers ook uit het derde feit, het afsnijden of afknippen van de linkerpink van het slachtoffer.

34. De hierboven opgeworpen rechtsvragen kunnen worden geïllustreerd aan de hand van de navolgende arresten, waarvan een aantal zich afspeelt in het criminele circuit (druggerelateerde rip-incidenten bijvoorbeeld) en waarin door een van de daders een vuurwapen wordt gebruikt.

35. Eerst noem ik de arresten waarin het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd bleek.

(i) In HR 25 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3310 was de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van moord. Door het hof was vastgesteld dat de verdachte en zijn mededader samen het plan hadden opgevat om het slachtoffer een lesje te leren. De verdachte wist dat dit met fors geweld gepaard kon gaan en dat hij hieraan ook zou kunnen deelnemen. Het slachtoffer werd naar een afgelegen plek gelokt. Kort nadat het slachtoffer op die plek aankwam, werd hij door de mededader neergeschoten. De verdachte verklaarde dat hij niet wist dat de mededader een vuurwapen bij zich droeg. De verdachte wist echter wel dat de mededader een vuurwapen in huis had; hij had er hem wel eens mee zien schieten. Het hof had óók vastgesteld dat op het moment waarop de mededader het vuurwapen trok, de verdachte zich niet van de situatie had gedistantieerd, terwijl hij dit wel had kunnen doen. In plaats daarvan was hij naar het slachtoffer toegelopen en had hij hem een draagtas uit de handen getrokken. De Hoge Raad verwierp het middel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Mijn voormalige ambtgenoot Jörg was tot dezelfde slotsom gekomen. Ik citeer uit zijn conclusie:

“Veel andere zaken worden erdoor gekenmerkt dat de verdachte van tevoren wist dat er een wapen in het spel zou zijn. Dan is strafbaar medeplegen in aanleg aanwezig. Indien dit niet het geval is komt het erop aan of de verdachte - hoewel daartoe in de gelegenheid - een poging onderneemt om de gezamenlijke onderneming die door het onverwacht tevoorschijn brengen van een wapen door zijn medeverdachte een andere wending gaat nemen, te beëindigen of tenminste zichzelf duidelijk aan die andere wending te onttrekken. Zo hij dit niet doet, maar volhardt in de verdere uitvoering van wat hij met zijn mededader wèl heeft afgesproken, neemt hij de kwade afloop mijns inziens op de koop toe.”

(ii) In HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:289 ging het om een ripdeal. Uit de bewijsmiddelen bleek, aldus samengevat door mijn ambtgenoot Vegter, dat de verdachte samen met de mededader een drugshandel dreef, de verdachte tot een ripdeal had besloten aangezien hij voor zijn gevoel te lang moest wachten op betaling, de verdachte vervolgens de mededader van zijn plan op de hoogte had gesteld en hem had benaderd omdat hij wist dat de mededader een pistool had, zij samen met de auto naar de woning van het slachtoffer waren gereden, de verdachte voor de voordeur zag dat de mededader een pistool had meegenomen, de mededader slachtoffer 1 doodschoot toen dit slachtoffer de voordeur opendeed, de mededader vervolgens in de woning slachtoffer 2 doodschoot, de verdachte op aangeven van de mededader de voordeur dicht deed, zij daaropvolgend samen de woning doorzochten op cocaïne en zij ten slotte gezamenlijk de woning verlieten. De Hoge Raad deed de middelen af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

(iii) In HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3099, NJ 2014/502 was sprake van het ‘leeghalen’ van een hennepkwekerij. De verdachte en zijn mededaders waren daarvoor bij elkaar gekomen en hadden overleg gevoerd over hoe men te werk zou gaan, er werden taken verdeeld en er was gesproken over wat moest gebeuren als er mensen zouden worden aangetroffen op het terrein. Rekening was gehouden met de mogelijkheid dat ter plaatse iemand aanwezig kon zijn, zodat tie-rips, bivakmutsen, handschoenen en een flesje bedwelmende vloeistof werden meegenomen in een sporttas. De verdachte wist dat als daar personen werden aangetroffen, dezen zouden worden vastgebonden. De verdachte en zijn mededaders reden vervolgens met twee auto's naar de locatie en verdeelden zich na aankomst groepsgewijs over het terrein. Voorafgaand aan het vertrek had de verdachte gezien dat één van de anderen een vuurwapen bij zich had. Hij wist ook dat degenen die een vuurwapen bij zich hadden, in de andere auto gingen zitten. Op het terrein werd door een mededader op het slachtoffer geschoten; hij werd in zijn buik geraakt. De verdachte werd veroordeeld ter zake van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van geweld of bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Het middel klaagde dat de bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd, in het bijzonder wat betrof het opzet op het medeplegen van het na de poging tot diefstal toegepaste geweld. De Hoge Raad verwierp het middel en overwoog daartoe: “Blijkens de gebezigde bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan de poging tot diefstal van de hennep wist van het mogelijk gebruik van geweld, onder meer doordat hij wist dat personen die werden aangetroffen, zouden worden vastgebonden en doordat de verdachte had gezien dat één van zijn mededaders een vuurwapen bij zich had waarvan hij dacht dat dit ter afschrikking zou worden gebruikt. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het wapen bij de poging tot diefstal van de hennep zou worden gebruikt”.

(iv) De zaak in HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3072 betrof eveneens een ripdeal waarbij door de mededader gebruik was gemaakt van een vuurwapen. Bewezenverklaard was onder meer ‘medeplegen van doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken’ en ‘medeplegen van voorbereiding van afpersing of diefstal met geweld in vereniging’. Drie middelen klaagden onderscheidenlijk over a) het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat de mededader een wapen zou meenemen naar de ontmoeting met het slachtoffer, b) het oordeel van het hof dat de kans dat bij een ripdeal met een daartoe meegenomen wapen kan worden geschoten op het slachtoffer en deze daarbij dodelijk kan worden getroffen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen is en c) het oordeel van het hof dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededader. De Hoge Raad verklaarde in navolging van de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Vellinga het beroep in cassatie ‘gezien art. 80a RO niet-ontvankelijk’.

(v) In HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:380 had het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte evenals zijn drie mededaders een geladen vuurwapen bij zich had. Met twee daarvan was geschoten. Gelet op het feit dat de daders rekening hielden met de aanwezigheid van bewapende beveiligers en het feit dat de daders zelf voorzien waren van geladen vuurwapens, kan het niet anders, aldus het hof, dan dat die daders (onder wie de verdachte) er rekening mee hebben gehouden dat tijdens of na de overval zodanig verzet zou worden gepleegd dat door één of meer van de overvallers (terug)geschoten zou worden in de richting van anderen die een bedreiging zouden vormen voor de veiligheid van de overvallers of de vlucht van die overvallers zouden beletten. Het vuurgevecht (dat met de politie was ontstaan) om de vlucht van de overvallers mogelijk te maken, waarbij er door de overvallers gericht geschoten werd op anderen, was volgens het hof gelet op de genoemde omstandigheden te beschouwen als een zo waarschijnlijke mogelijkheid dat de verdachte en zijn mededaders zich die mogelijkheid (voor en tijdens die overval) gerealiseerd moeten hebben, waardoor die mogelijkheid besloten lag in de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders voorafgaand en tijdens de gepleegde overval. Derhalve kan ook worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders op het moment dat op de agenten werd geschoten. Een van de middelen kwam tegen dit laatste oordeel op. De Hoge Raad deed het middel af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.

(vi) In HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1681 was de verdachte veroordeeld wegens poging tot een gewelddadige diefstal met braak in vereniging, de dood ten gevolge hebbend. De verdachte en de mededader hadden het plan opgevat om hennep te rippen bij het slachtoffer. Zij hadden de voordeur van de woning geforceerd en waren vervolgens de woning binnengedrongen. Er volgde een gewelddadige confrontatie met het slachtoffer. Op enig moment werd met een vuurwapen een kogel op het slachtoffer afgevuurd, aan de verwondingen waarvan hij kwam te overlijden. Door het hof was onder meer vastgesteld dat de verdachte en zijn mededader voorafgaand aan de voorgenomen hennep-rip regelmatig met elkaar optrokken “in het kader van (hennep-gerelateerde) criminele activiteiten en de gewoonte hadden zich hierbij van een (doorgelaten) vuurwapen te voorzien”. Ook nam het hof in overweging dat het “bij betrapping op heterdaad bij dit soort criminaliteit op voorhand voorzienbaar is dat het tot een confrontatie kan komen en dat die confrontatie in vuurwapengeweld kan ontaarden”. Het middel klaagde over de bewezenverklaring van (opzet op) het medeplegen, in het bijzonder het medeplegen van vuurwapengeweld. De Hoge Raad zag geen probleem en deed ook in deze zaak het middel af met de ‘art. 81 motivering’.

(vii) Een zaak die tot op zekere hoogte vergelijkbaar is met die in de hierboven besproken arresten van 4 november 2014 en 20 maart 2018, deed zich voor in HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1001. In deze Caribische zaak ging het om een gewapende overval door vijf mannen op een woning in Bonaire in 2016. Ieder van hen had een geladen vuurwapen bij zich en zij wisten van elkaar wie welk vuurwapen droeg. Naar zij later verklaarden hadden zij de vuurwapens meegenomen met het doel de bewoners af te schrikken en zodoende gemakkelijker de buit te kunnen bemachtigen. De daders werden door de politie op heterdaad betrapt en zijn toen met de buit rennend uit de woning gevlucht. Tijdens die vlucht werd een van de mededaders buiten de woning achtervolgd door een politieagent, het latere slachtoffer. Een andere mededader, die ook uit de woning was gevlucht, zag dit en schoot op korte afstand op het slachtoffer, naar eigen zeggen “om ervoor te zorgen dat zijn neef niet zou worden neergeschoten door de hem achtervolgende politieman”. Het slachtoffer overleed aan de gevolgen daarvan. In het licht van de bewijsvoering van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de wapens bij de diefstal met geweld zouden worden gebruikt, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd.

36. Onvoldoende gemotiveerd was de bewezenverklaring van het opzet van de verdachte op het gebruik van geweld in de volgende arresten. In zijn arrest van 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6365 (leeghalen hennepkwekerij met geweld) oordeelde de Hoge Raad: “Blijkens hetgeen het Hof heeft overwogen heeft het Hof opzet van de verdachte op het gebruik van geweld kennelijk in de vorm van voorwaardelijk opzet bewezen geacht. Gelet op 's Hofs bewijsvoering behoeft dat oordeel evenwel nadere motivering. Dat het een feit van algemene bekendheid is dat hennepkwekerijen aanzienlijke financiële belangen vertegenwoordigen en dat het leeghalen ("rippen") van een hennepkwekerij steeds vaker gepaard gaat met het gebruik van geweld, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat bij de verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet. Ook de overweging van het Hof dat de verdachte "er zich in de gegeven omstandigheden ten minste rekenschap van moet hebben gegeven dat bij betrapping de kans op het gebruik van zwaar geweld reëel was", biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat hij het gebruik van geweld op de koop toe heeft genomen.” In HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2220, NJ 2011/470 had de verdachte met twee anderen een woninginbraak gepleegd waarbij zij door buurtbewoners werden overlopen. Tijdens hun vlucht had één van de daders een buurtbewoner bij de keel gegrepen en deze een duw gegeven en een andere dader had twee andere buurtbewoners bedreigd met een mes. De Hoge Raad oordeelde dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende waren om te kunnen aannemen dat de verdachte zich bewust was geweest van de aanmerkelijke kans dat door een ander geweld zou worden gebruikt. Eveneens onvoldoende gemotiveerd was de bewezenverklaring van het opzet van de verdachte op het gebruik van een doorgeladen vuurwapen door de schutter in HR 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:281, NJ 2020/174, m.nt. Vellinga. Ook hier was de verdachte door het hof veroordeeld voor een poging tot doodslag tijdens een mislukte ripdeal, dan wel oplichting in het kader van een criminele transactie. Samen met de mededader (in de geanonimiseerde publicatie van het arrest betrokkene 1 genoemd) had de verdachte het plan bedacht om hennep te kopen met vals geld. Nadat de voorbereidingen met betrekking tot de stapeltjes echte bankbiljetten en valse bankbiljetten waren getroffen, reden zij naar het bewuste adres. De mededader had een vuurwapen meegenomen. De verdachte ging als eerste de woning binnen, waar zich op dat moment vijf mannen bevonden. Kort hierop voegde ook de mededader zich bij het gezelschap in de woning. Even later kreeg één van de verkopers in de gaten dat het niet klopte. Er ontstond ruzie. De bewuste verkoper pakte een wapen uit de kast, laadde dit wapen door en richtte het op de mededader. De verdachte en de mededader vluchtten met de tassen met daarin de hennep de woning uit, waarop de mededader een schot hoorde. De mededader schoot al vluchtende meermalen in de richting van de schietende achtervolger. De verdachte legde de tassen met hennep in zijn auto en verschool zich samen met de mededader daarachter. Vervolgens schoot de mededader andermaal, met zijn armen gestrekt over het dak van de auto, in de richting van de achterruit van de auto in het naastgelegen parkeervak waarachter de achtervolger zich verborg. De mededader had over dit moment verklaard dat “hij ging richten”. Hierop rende de verkoper weg, waarna de verdachte en de mededader in hun auto stapten en wegvluchtten. De verdachte gooide even later het gebruikte vuurwapen uit de auto. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en overwoog daartoe:

“Het Hof heeft weliswaar vastgesteld dat de verdachte en betrokkene 1 het plan hadden opgevat een partij hennep weg te nemen zonder te betalen en dit plan gezamenlijk hebben uitgevoerd, maar uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen - die, kort gezegd, op dit punt inhouden dat betrokkene 1 met de verdachte de afspraak heeft gemaakt om vals geld te geven en de partij hennep mee te nemen, dat de verdachte wist dat het door betrokkene 1 geprepareerde bundeltje grotendeels nepgeld betrof en dat zij zich verder “helemaal niet” hebben voorbereid op de afspraak - blijkt niet dat in enigerlei vorm een afspraak is gemaakt over het gebruik van een wapen, dan wel dat de verdachte wist dat betrokkene 1 voor de uitvoering van het plan een wapen had geleend of zich bewust was van de mogelijkheid van het gebruik van een wapen door betrokkene 1 bij die uitvoering dan wel dat de verdachte, nadat betrokkene 1 begon met schieten, op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de poging tot doodslag. Anders dan kennelijk door het Hof is geoordeeld, kan het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot doodslag niet uitsluitend worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader.”

37. Uit de bovengenoemde rechtspraak kan enerzijds worden opgemaakt dat het voor de bewezenverklaring van opzet op het toegepaste geweld niet voldoende is dat de verdachte zich heeft begeven in een situatie die naar ervaringsregels binnen het criminele circuit vaak zou kunnen leiden tot het gebruik van een vuurwapen. Anderzijds laat deze rechtspraak zien dat als de deelnemer er van tevoren mee bekend is dat een of meer van de anderen een (vuur)wapen bij zich draagt, of als zulks deel uitmaakt van de modus operandi, al snel medeplegen kan worden aangenomen. In mijn recentelijk genomen conclusie vóór HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1001 (de hiervoor besproken gewapende woningoverval in Bonaire) heb ik in dit verband het volgende geconstateerd:

“Of kan worden gezegd dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gebruik van vuurwapengeweld in een geval als het onderhavige bewust heeft aanvaard, hangt in het bijzonder mede ervan af of de mogelijkheid van het gebruik van een vuurwapen in het gezamenlijk plan tot het begaan van een gewapende overval al dan niet besloten lag. Moet worden gezegd dat het gebruik van vuurwapengeweld als mogelijkheid – bijvoorbeeld ‘in geval van nood’ – in het gezamenlijk plan besloten lag, dan zal het bewijs van opzet op dat geweld van de medeplegers van diefstal met geweld in de regel niet problematisch zijn. Daarnaast kan van betekenis zijn of de verdachte nadat de medeverdachte tot het gebruik van vuurwapengeweld was overgegaan nog verder heeft bijgedragen aan dat geweld.”

38. Daarbij aanknopend meen ik ook hier te kunnen vaststellen dat als het toegepaste geweld niet expliciet of direct in het originele plan besloten ligt een belangrijk aspect voor het (desniettemin) strafrechtelijk aansprakelijk stellen op de voet van medeplegen is of de samenwerking na overschrijding van het oorspronkelijke plan wordt voorgezet. Een voorbeeld daarvan is HR 25 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3310, welk arrest hierboven in randnummer 35 is besproken. Exemplarisch is ook HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1396, NJ 2004/103. In die zaak was door het hof vastgesteld dat de verdachte en zijn drie mededaders het plan hadden opgevat om slachtoffer 1 van het leven te beroven. Zij waren op de late avond naar het snookercentrum gegaan waar het slachtoffer op dat moment was. Daar hadden zij gewacht tot het slachtoffer naar buiten kwam. Een van de mededaders had een geladen vuurwapen bij zich en de andere drie een mes. De verdachte en een mededader hadden aan beide kanten een zodanige positie ingenomen dat het slachtoffer niet kon vluchten. Toen slachtoffer 1 naar buiten kwam bleek hij in het gezelschap te zijn van een andere man (slachtoffer 2). Slachtoffer 1 stapte op de fiets en nam slachtoffer 2 achterop. Door de mededader is vervolgens eerst op slachtoffer 1 geschoten en daarna op slachtoffer 2. Slachtoffer 2 trachtte nog te vluchten, maar werd door een van de mededaders meermalen met een mes gestoken. De beide slachtoffers overleden ten gevolge van dit een en ander. De verdachte werd niet alleen veroordeeld voor ‘medeplegen van moord’ (slachtoffer 1), maar ook voor ‘medeplegen van doodslag’ (slachtoffer 2). Had de verdachte echter ook opzet op de levensberoving van slachtoffer 2? De Hoge Raad overwoog: “s Hofs klaarblijkelijke oordeel dat verdachtes opzet in elk geval in voorwaardelijke zin ook gericht was op de dood van [slachtoffer 2], is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de betrokkenen, die allen gewapend waren, genoemde [slachtoffer 1] bij een voor het publiek toegankelijk snookercentrum hebben opgewacht en dat de verdachte, toen [slachtoffer 1] in gezelschap van een ander, [slachtoffer 2], naar buiten kwam zijn rol is blijven vervullen, ook toen [slachtoffer 2] probeerde te vluchten en toen, nadat zulks was mislukt, deze door een van verdachtes mededaders meermalen met een mes werd gestoken”.

39. Het wordt na deze verkenning van de rechtspraak tijd om terug te keren naar de onderhavige zaak. In cassatie wordt niet bestreden het oordeel van het hof dat het schieten door de autoruit gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag, noch dat de schutter de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer door dat schot zou komen te overlijden. Derhalve kan daarvan in cassatie worden uitgegaan. Het hof heeft vervolgens overwogen dat “hoewel niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gemaskerde man is geweest die het pistool heeft afgevuurd”, hij “ook ten aanzien van dit feit als medepleger moet worden aangemerkt”. Ik breng in herinnering dat het voor medeplegen minder van belang is wie welke feitelijke handeling (hier het schieten) voor zijn of haar rekening heeft gnomen; het gaat erom of de bijdrage aan het delict van de (mede)verdachte van voldoende gewicht is geweest.

40. Niet kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte en de mededaders vooraf afspraken met elkaar hebben gemaakt over het gebruik van een vuurwapen. Wél heeft het hof in zijn bewijsoverwegingen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen het volgende vastgesteld en overwogen. De verdachte heeft deelgenomen aan de voorbereiding en uitvoering van het plan om het slachtoffer op klaarlichte dag vanuit een openbare ruimte te ontvoeren, hem vervolgens vast te houden in een woning en daar met gebruik van grof geweld en dreiging met verder geweld tegen hem en zijn familieleden te bewegen geld te betalen. Gelet op deze “zeer gewelddadige vorm van een wederrechtelijke vrijheidsberoving” konden de betrokkenen niet de verwachting koesteren dat het slachtoffer vrijwillig in [plaats] zou meegaan. Dat bij de ontvoering ook met geweld gedreigd zou moeten worden en mogelijk geweld zou moeten worden toegepast, kan daarom “niet anders” dan onderdeel van het plan zijn geweest. Tegen de achtergrond van hetgeen omtrent de aard en strekking van het plan voor het overige is komen vast te staan, is de dreiging met vuurwapengeweld dan wel het gebruik van een vuurwapen niet “zo uitzonderlijk of zo afwijkend” dat dit een spontane ingeving moet zijn geweest van de schutter die aan de mededaders niet kan worden toegerekend. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de ontvoering overdag op een openbaar parkeerterrein heeft plaatsgevonden waardoor een snelle overmeestering des te belangrijker was en dat met het oog daarop (dreiging) met geweld zeer voor de hand lag, waarbij het naar het oordeel van het hof het dan ook niet anders kon zijn dan dat de verdachte erop heeft gerekend dat bij de – mede door hem georganiseerde – ontvoering van het slachtoffer sprake zou zijn van vuurwapenbezit en dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit vuurwapen zou worden gebruikt op een wijze waarvan in het onderhavige geval sprake is geweest.

41. Bezien we de gebezigde bewijsmiddelen nader, dan blijkt daaruit in de eerste plaats dat de schutter het wapen al in zijn hand had toen hij samen met de anderen bij de auto kwam staan. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij zag dat “ze” een pistool op hem richtten, dat “ze” probeerden het raam kapot te slaan en dat, toen dat niet lukte, degene die het pistool op hem had gericht – op dat eerdere moment was het vuurwapen dus al op het slachtoffer gericht – drie/vier keer tegen het raam sloeg, maar tevergeefs, en dat deze dader toen een beweging naar achter maakte met de bovenkant van het pistool, en hij naar achter stapte en schoot (bewijsmiddel 1). Getuige [betrokkene 1] (broer van de verdachte) heeft over datzelfde moment verklaard dat er drie personen in het zwart gekleed en met bivakmutsen over hun hoofd op hen kwamen aflopen en dat een persoon aan zijn kant van de auto ging staan en twee personen aan de kant van het slachtoffer. Hij zag dat één van de mannen een pistool bij zich had, dat deze man aan de kant van het slachtoffer stond met het pistool en dat twee mannen het slachtoffer uit de auto trokken onder bedreiging van het pistool (bewijsmiddel 3). Ook een andere getuige had gezien dat het slachtoffer uit de auto werd getrokken en voorts dat het slachtoffer aan zijn hoofd bloedde en in de houdgreep werd vastgehouden (bewijsmiddel 5).

42. De overwegingen van het hof “dat aanwijzingen ontbreken dat bij de uitvoering van de ontvoering wezenlijk zou zijn afgeweken van het vooraf door de daders gemaakte plan” en dat in dat verband ook van betekenis is dat geen van de daders zich heeft gedistantieerd nadat van het vuurwapen gebruik was gemaakt en dat elk van hen zijn rol is blijven vervullen en is voortgegaan met de uitvoering van het uitvoeringsplan, acht ik allerminst onbegrijpelijk. Hoewel, als gezegd, niet is kunnen worden vastgesteld dat de verdachte de schutter was en evenmin dat hij van tevoren ervan op de hoogte was dat bij de ontvoering in [plaats] een vuurwapen zou worden gebruikt, kan op grond van de bewijsmiddelen wel worden vastgesteld dat de verdachte zowel in de voorbereiding als bij de uitvoering van de ontvoering van het slachtoffer op zijn minst een zeer actieve en bepalende rol heeft vervuld. Zou de verdachte onwetend zijn geweest van de aanwezigheid van een vuurwapen en/of het gebruik daarvan, dan heeft hier zeker te gelden wat de toenmalige A-G Jörg in zijn conclusie schreef: in een dergelijk geval komt het er vooral op aan of de verdachte een poging heeft ondernomen om de gezamenlijke onderneming die door het onverwacht tevoorschijn brengen van een wapen door zijn medeverdachte een andere wending gaat nemen, te beëindigen of tenminste zichzelf duidelijk aan die andere wending te onttrekken. Dit heeft de verdachte op allereerst al de parkeerplaats in [plaats] niet gedaan. Integendeel. Hij was na het schieten er rechtstreeks bij betrokken dat het slachtoffer onder bedreiging van het pistool uit de auto werd getrokken en in de andere auto werd geduwd. Noch het slachtoffer als aangever, noch [betrokkene 1] als getuige heeft verklaard dat het pistool pas bij de auto plotseling door een van de mannen werd getrokken. Uit hun beider verklaring kan worden afgeleid dat de man met het vuurwapen heel gericht aan de passagierskant van de auto is gaan staan, de kant waar het slachtoffer op dat moment gezeten was. Van een spontane actie met het vuurwapen geven al deze gedragingen op het parkeerterrein in [plaats] naar hun uiterlijke verschijningsvorm geen blijk.

43. In de tweede plaats heeft de verdachte, samen met de mededaders, aan de ontvoering een mogelijk nog ernstiger vervolg gegeven. Blijkens het eerste bewijsmiddel is het slachtoffer na het vuurwapengeweld meegenomen naar de andere locatie, de woning in [plaats]. Daar werd hij vastgebonden en daar werd door NN1 gedreigd dat er iets met de zoon van het slachtoffer zou gebeuren als het slachtoffer niet binnen een uur een miljoen had geregeld; NN1, die tevens de schutter in [plaats] was, wist van zijn voorverkenningen dat die zoon op de [c-straat 1] op school zat. Ook kreeg het slachtoffer klappen met de hand en met het vuurwapen, waarna een gedeelte van de linker pink werd afgesneden of -geknipt.

44. Het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte erop heeft gerekend dat sprake was van vuurwapenbezit en dat de verdachte de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat dit vuurwapen zou worden gebruikt zoals is gebeurd, en de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van poging tot doodslag, is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof, ook bezien in het licht van hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting heeft aangevoerd, niet gehouden. De slotsom in dit verband is dan ook dat de bewezenverklaring van feit 2 naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed.

45. Het middel faalt.

Het derde middel

46. Het derde middel keert zich met een motiveringsklacht tegen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde medeplegen van zware mishandeling.

47. Blijkens de meergenoemde pleitnota is, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):

“Feit 3: medeplegen toebrengen zwaar lichamelijk letsel in [plaats] door afknippen pink

Vrijspraak: onvoldoende bewijs medeplegen

[…]

Echter gelijk hiervoor betoogd, dient wel vast te staan, dat het afknippen van de pink onderdeel was van een gemeenschappelijk vooropgezet plan. Zeker nu cliënt niet op PD is geweest. Want in de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit.

Is dat niet het geval, dan dient in het vonnis voldoende aandacht te worden besteed aan de vraag waarom de bijdrage van de verdachte dan toch van voldoende gewicht is geweest.

De rechtbank motiveert deze aanname in het vonnis aldus, dat er geen discussie was tussen de daders voorafgaand aan het knippen van de pink.

Maar aangezien cliënt niet ter plaatse was, is dat niet relevant.

Vast moet staan, dat met cliënt is afgesproken, dat die pink zou worden afgeknipt. En dat is niet het geval.

Datzelfde geldt voor het feit dat de daders die wel op PD waren zeil hadden meegenomen.

Vast moet staan, dat dit onderdeel was van een plan dat met cliënt is besproken en diens goedkeuring droeg. Ook dat staat helemaal niet vast.

Er zijn wel verpakkingen van afdekfolie aangetroffen in de witte Peugeot. Maar op deze verpakkingen zijn vingerafdrukken van medeverdachte [betrokkene 3] en medeverdachte [betrokkene 8] aangetroffen (ZD8 p. 141 en 142). Niet van cliënt. Tevens is er in de woning aan de [d-straat 6] een stuk zwart zeil gevonden, waarop de vingerafdrukken van [betrokkene 7] en niet cliënt zijn aangetroffen (ZD8 p. 296 t/m 298).

Welke rol cliënt heeft gehad bij het afknippen van de pink wordt uit het dossier ook geenszins duidelijk. Wel blijkt uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] dat cliënt niet in staat wordt geacht een dergelijke mishandeling te plegen (PD8 p. 24).”

48. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Beoordeling van de bewijsvraag in het licht van de gevoerde verweren

1. De in hoger beroep gevoerde verweren
6. Oordeel van het hof ten aanzien van het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de zware mishandeling van [slachtoffer]
8. Conclusie

[…]

Ten aanzien van de onder 3 tenlastegelegde zware mishandeling heeft de raadsvrouw eveneens betoogd dat medeplegen niet bewezen kan worden. Haar betoog is hoofdzakelijk erop gestoeld dat de verdachte niet in de woning aanwezig is geweest toen het zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer is toegebracht.

[…]

Het hof herhaalt dat op grond van het voorgaande bewezen kan worden dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (bij het regelen van de benodigde vervoermiddelen; het in kaart brengen van de gangen van [slachtoffer] en bij het checken van de woning waarin hij zou worden vastgehouden) en bij de feitelijke uitvoering daarvan (het in [plaats] ontvoeren van [slachtoffer] , het vasthouden van [slachtoffer] in de woning in [plaats] en het onderhouden van contact met [betrokkene 3] om te weten of het met de wederrechtelijke vrijheidsberoving beoogde resultaat was bereikt). Ten aanzien van de aanwezigheid van de verdachte in deze woning in [plaats] overweegt het hof dat de telefoon van de verdachte urenlang nabij de plaats waar [slachtoffer] werd vastgehouden uitstraalt. Het hof acht het uiterst onaannemelijk dat de bezitter van die telefoon - dus de verdachte - aldaar zo lang aanwezig zou zijn geweest, zonder die woning te hebben betreden. Aldus staat ook vast dat de verdachte tijdens de vrijheidsberoving in de woning in [plaats] is geweest.

Dat de verdachte als medepleger van de wederrechtelijke vrijheidsberoving moet worden aangemerkt, staat daarmee als een paal boven water.

Het door de raadsvrouw gevoerde verweer ten aanzien van de zware mishandeling mist feitelijke grondslag nu dat is gestoeld op een door het hof verworpen lezing van de feitelijke gang van zaken waarin de verdachte zich niet in de woning aan de [d-straat] heeft bevonden toen [slachtoffer] daar werd vastgehouden en zijn vinger werd afgeknipt of gesneden. Ten aanzien van het medeplegen van de zware mishandeling overweegt het hof nog als volgt.

Het hof is van oordeel dat de verdachte, van wie hiervoor is vastgesteld dat hij ten tijde van de vrijheidsberoving van [slachtoffer] in de woning in [plaats] is geweest, ook als medepleger van zware mishandeling kan worden aangemerkt. Daarbij heeft het hof gelet op de prominente rol van de verdachte bij de voorbereiding van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en op de klaarblijkelijk in dat kader getroffen maatregelen die kunnen worden geacht in verband te staan met het toegebrachte zwaar lichamelijk letsel. In dat verband wijst het hof in het bijzonder op het afdekken met zeil van de vloer van de kamer waarin het slachtoffer is vastgehouden en het beschikbaar hebben van een knip- of snijinstrument waarmee een deel van de pink van het slachtoffer kon worden verwijderd. Vastgesteld kan worden dat deze handelwijze door elk van de in de woning aanwezige daders was voorzien en aanvaard, ook omdat aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken. Dat vindt bevestiging in het feit dat blijkens de aangifte geen discussie of overleg heeft plaatsgevonden tussen de daders voordat de pink van [slachtoffer] werd afgeknipt en dat niet blijkt dat een van hen zich, na deze buitengewoon gruwelijke handeling, heeft willen distantiëren van de verdere uitvoering van het kennelijk vooraf gemaakte plan. Ook kan nog worden gewezen op de aard van het delict in het kader waarvan de zware mishandeling plaatsvond. Het doel was immers [slachtoffer] te bewegen tot het betalen van een extreem groot geldbedrag, waarbij te verwachten en ingecalculeerd was dat de druk op hem tot grote hoogte zou moeten worden opgevoerd.

[…]

In het licht van al het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, het medeplegen van poging doodslag en het medeplegen zware mishandeling. […]”

49. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de overwegingen van het hof “in dit kader uiterst summier zijn”, nu het enkel geoordeeld heeft dat de verdachte als medepleger van de mishandeling kan worden aangemerkt en de handelwijze door elk van de in de woning aanwezige daders was voorzien en aanvaard, ook omdat aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken. Daarbij wordt gewezen op de voorafgaande beschouwing van de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis en opgemerkt dat de kwalificatie medeplegen slechts dan is gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

50. In de randnummers 29 en 30 heb ik reeds vooropgesteld dat voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat de – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht moet zijn, dat beantwoording van de vraag wanneer sprake is van medeplegen een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval vergt en dat daarbij een aantal indicatoren van belang zijn, zoals de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

51. De opvatting van de steller van het middel dat de overweging van het hof “uiterst summier” is en niet voldoet “aan de relevante (standaard) arresten”, deel ik niet. Door het hof is uitvoerig gemotiveerd uiteengezet waarom de verdachte als medepleger van de tenlastegelegde zware mishandeling kan worden aangemerkt. Zo heeft het hof in de eerste plaats en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de verdachte een prominente rol heeft gehad bij zowel – dit is voorafgaand aan het feit – de voorbereiding van de vrijheidsberoving van het slachtoffer (het regelen van de benodigde vervoermiddelen, het in kaart brengen van de gangen die het slachtoffer maakte en het checken van de woning waarin het slachtoffer zou worden vastgehouden), alsook – dit is tijdens het begaan van het feit – bij de feitelijke uitvoering daarvan (het in [plaats] ontvoeren van het slachtoffer, het vasthouden van het slachtoffer in de woning in [plaats] en het onderhouden van contact met medeverdachte [betrokkene 3] in verband met de vraag of het uiteindelijke beoogde resultaat was bereikt). Daarnaast heeft het hof gewezen op de maatregelen die klaarblijkelijk vooraf zijn getroffen en in verband kunnen worden gebracht met het toegebrachte zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer; zo was de vloer van de kamer waarin het slachtoffer is vastgehouden met zeil afgedekt en was er een knip- of snijinstrument beschikbaar waarmee een deel van de pink van het slachtoffer kon worden verwijderd. Dat het hof tot de vaststelling is gekomen dat het verwijderen van een deel van de pink door elk van de in de woning aanwezige daders was voorzien en aanvaard, vindt zeker niet alleen haar grondslag in de omstandigheid dat aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, maar blijkens de desbetreffende bewijsoverweging van het hof ook in het feit dat de vloer van de kamer was afgedekt met zeil en in de vaststelling van het hof dat blijkens de aangifte het afknippen van de pink zonder discussie of overleg tussen de daders heeft plaatsgevonden en evenmin is gebleken dat één van de daders zich daarna heeft teruggetrokken van de verdere uitvoering van het kennelijk vooraf gemaakte plan. En verder – maar dit is in het grotere geheel wat minder zwaarwegend – heeft het hof nog gewezen op de aard van het delict in het kader waarvan de zware mishandeling heeft plaatsgevonden: het slachtoffer bewegen tot het betalen van een miljoen euro, een extreem groot geld bedrag, zodat volgens het hof het te verwachten was, en dit kon worden ingecalculeerd, dat de druk hierbij tot op grote hoogte zou moeten worden opgevoerd.

52. Dit, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigend, oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof was, ook gelet op hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting heeft aangevoerd, niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring van feit 3 is naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

53. Het middel faalt.

Het vierde middel

54. Het vierde middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.

55. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat de straf die door het hof aan de verdachte is opgelegd “– simpel gezegd – opvallend veel hoger [is] dan de eis van de advocaat-generaal en de straf van de rechtbank”.

56. Blijkens het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2018 is de verdachte door deze rechtbank ter zake van dezelfde feiten als hierboven in randnummer 1 genoemd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van het voorarrest. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal bij het hof gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar zal worden opgelegd. Als gezegd heeft het hof de verdachte veroordeeld tot (onder meer) een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar, met aftrek van het voorarrest.

57. Het hof heeft de opgelegde gevangenisstraf als volgt gemotiveerd:

“Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor ten laste gelegde onder 1 subsidiair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit, maar subsidiair verzocht bij een veroordeling een gevangenisstraf korter dan drie jaren op te leggen. Aan de medeverdachte [betrokkene 3] is in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd. De verdediging stelt dat aan de verdachte een lagere straf dient te worden opgelegd dan aan [betrokkene 3] , nu zijn rol vele malen kleiner is dan die van [betrokkene 3] . Daar komt bij dat de verdachte vader is van twee jonge kinderen en hij graag betrokken wil blijven bij de gedeelde zorg voor zijn kinderen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 9 maart 2017 is [slachtoffer] op klaarlichte dag voor een sportschool in [plaats] met grof geweld ontvoerd. Hij is levensgevaarlijk beschoten in zijn auto en vervolgens onder bedreiging van een pistool uit zijn auto getrokken. Hij is geslagen en geblinddoekt meegenomen in een andere auto en daarna urenlang vastgehouden in een woning, waar hij op ernstige wijze is geïntimideerd en daarna op gruwelijke wijze is mishandeld: hij is tot op zijn onderbroek ontkleed, moest op een zeil gaan liggen met zijn handen gebonden, waarna een deel van zijn pink is afgeknipt of afgesneden. Dit alles als instrumenteel gedrag om hem ertoe te bewegen een zeer groot geldbedrag aan de daders ter beschikking te stellen. De verdachte was niet alleen gedurende de gehele ontvoering aanwezig, maar heeft ook een grote rol gespeeld in de voorbereiding daarvan. En hoewel het hof niet precies kan vaststellen welke feitelijke handelingen de verdachte heeft verricht, is hij samen met zijn mededaders ten volle verantwoordelijk voor dit alles wat [slachtoffer] is aangedaan. Het hof ziet evenals de rechtbank de poging tot doodslag en de zware mishandeling van [slachtoffer] als onderdelen van het plan van deze ontvoering.

Hiermee hebben de verdachte en zijn mededaders ernstig inbreuk gemaakt op het fundamentele recht van het slachtoffer om in vrijheid te gaan en staan waar hij wil en hebben zij zijn leven in de waagschaal gesteld en hem voor de rest van zijn leven fysiek verminkt. Bij elke blik op zijn linkerhand zal het slachtoffer herinnerd worden aan hetgeen hem op 9 maart 2017 door de verdachte en zijn mededaders is aangedaan.

De verdachte heeft er ook in hoger beroep blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . De ontvoering heeft grote onrust en angst teweeg gebracht bij het slachtoffer en zijn naasten. Omdat de ontvoering overdag heeft plaatsgevonden op het parkeerterrein van een sportschool waar veel mensen aanwezig waren, kan het niet anders dan dat dit geweld ook bij de omstanders gevoelens van grote onveiligheid teweeg heeft gebracht. De verdachte heeft deze gevolgen kennelijk voor lief genomen met het motief van financieel gewin. De precieze achtergrond van de ontvoering is tot op heden niet duidelijk geworden. De daders lijken zich in het drugsmilieu op te houden en meenden kennelijk dat het slachtoffer hun een groot geldbedrag moest geven. Hoe dan ook gaat het om een zeer zware vorm van professioneel crimineel gedrag.

Voorts is vast komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 mei 2019 eerder onherroepelijk is veroordeeld. Hij liep zelfs in een proeftijd in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling van een hem eerder opgelegde meerjarige gevangenisstraf. Dit heeft hem er niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen. Dat de verdachte wel zijn afspraken met de reclassering is nagekomen die hem hielp zijn leven op een vruchtbare manier inhoud te geven en intussen betrokken blijkt bij de onderhavige feiten, vindt het hof uiterst zorgelijk. Kennelijk weet de verdachte er een soort dubbelleven op na te houden. Enerzijds laaft de verdachte zich aan de zorg van de overheid, terwijl hij anderzijds er niet voor terugdeinst voort te gaan op het eerder ingeslagen pad van zware criminaliteit. Het hof houdt hier ten nadele van de verdachte rekening mee. Het gaat hier ook niet om een incidentele impulsieve terugval in crimineel gedrag, maar om planmatig handelen dat blijk geeft van een weloverwogen keuze van de verdachte voor een levenswandel in de zware criminaliteit.

Gelet op het voorgaande komt alleen de oplegging van een langdurige gevangenisstraf in aanmerking, terwijl niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden van de verdachte waar ten voordele van hem rekening mee gehouden dient te worden. Het hof is - alles afwegend - van oordeel dat de in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde noch de door de advocaat-generaal gevorderde straf zelfs niet bij benadering recht doet aan de aard en ernst van de door het hof bewezen geachte misdrijven. Het hof acht een gevangenisstraf van negen jaren passend en geboden.”

58. Allereerst verdient opmerking dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan de feitenrechter voorbehouden en dit oordeel behoeft daaromtrent in beginsel geen motivering. Indien echter de strafoplegging zonder uitleg in de uitspraak, dus op zichzelf beschouwd, onbegrijpelijk is of verbazing wekt (het zogenoemde verbazingscriterium) en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie worden ingegrepen. Onder dit verbazingscriterium valt onder meer de situatie dat zonder opgave van de redenen door de rechter een straf is opgelegd die in die mate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging die tot die afwijking heeft geleid, onbegrijpelijk zou zijn, of wanneer in hoger beroep voor dezelfde feiten een veel zwaardere staf is opgelegd dan in eerste aanleg. Nadere motivering is in die gevallen vereist.

59. In de onderhavige zaak heeft het hof uitgebreid gemotiveerd waarom het aanleiding ziet om de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar op te leggen. Het heeft voor een deel dezelfde factoren betrokken als de rechtbank bij haar strafoplegging. Daarnaast, c.q. met meer nadruk dan de rechtbank, heeft het hof ten nadele van de verdachte meegewogen dat (i) de verdachte niet alleen gedurende de gehele ontvoering aanwezig is geweest maar ook een grote rol heeft gespeeld in de voorbereiding van de ontvoering, (ii) het slachtoffer urenlang is vastgehouden en geïntimideerd, (iii) het slachtoffer voor de rest van zijn leven is verminkt en hij er bij elke blik op zijn linkerhand aan herinnerd zal worden wat hem door de verdachte en zijn mededaders is aangedaan, (iv) de verdachte in een proeftijd liep in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling van een eerder aan hem opgelegde langdurige gevangenisstraf en hij er in dat verband een soort dubbelleven op nahield en (v) het hier niet om een incidentele terugval bij de verdachte gaat, maar om planmatig handelen dat blijkt geeft van een weloverwogen keuze van hem voor een ‘levenswandel in de zware criminaliteit’. Daarbij komt dat het hof uitdrukkelijk het verschil met de door rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde straf onder ogen heeft gezien, en deze afwijking hieruit verklaart dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar zelfs niet bij benadering recht doet aan de aard en ernst van de door de door het hof bewezenverklaarde misdrijven.

60. Dit oordeel van het hof is, ook gezien hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

61. Het middel faalt.

Het vijfde middel

62. Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

63. Namens de verdachte is op 7 juni 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 april 2020 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De inzendtermijn is hiermee met afgerond vier maanden overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, is niet meer mogelijk. De termijnoverschrijding dient dan ook te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaren in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

64. Het middel slaagt.

Slotsom

65. De eerste vier middelen falen. Het eerste, het derde en het vierde middel kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.

66. Ambtshalve merk ik op dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.

67. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

68. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?