PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02866
Zitting 5 oktober 2021
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
“op 26 juni 2019 te Schiedam, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaar [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam en [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte [verdachte] op verdenking van overtreding van een opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht zoals bevolen door de officier van justitie, door - die [verbalisant 1] met een sleutel, in het gezicht te slaan en- meerdere malen met kracht te rukken en te trekken in een andere richting dan waarin voornoemde opsporingsambtenaren hem trachtten te brengen en - een slaande beweging in de richting van die [verbalisant 2] te maken en - om zich heen te slaan en te trappen, terwijl dit misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een wond onder het oog, bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.”
5. Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“StrafmotiveringHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, ten gevolge waarvan één van de betrokken opsporingsambtenaren letsel onder het oog heeft opgelopen. Door zo te handelen heeft de verdachte de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak en één van hen bovendien aangetast in diens lichamelijke integriteit. Daarmee heeft hij blijk gegeven van gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.”
6. Het door het hof genoemde uittreksel Justitiële Documentatie van 5 augustus 2020 bevindt zich onder de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Dit uittreksel houdt, voor zover hier van belang, in dat de verdachte bij arrest van 9 juli 2020 door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor het “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” (op 22 februari 2019) en het “opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, meermalen gepleegd” (in de periode van 29 november 2018 tot en met 28 december 2018), en dat die veroordeling op 24 juli 2020 onherroepelijk is geworden.
7. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het de rechter in beginsel vrijstaat om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd strafbaar feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In diverse uitspraken heeft de Hoge Raad in aansluiting daarop overwogen:
“2.4.2. Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.”
8. Het hof heeft met de overweging dat het “in het nadeel van de verdachte” heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte blijkens het bedoelde uittreksel Justitiële Documentatie “eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten” en dat dit “hem er kennelijk niet van [heeft] weerhouden het onderhavige feit te plegen”, tot uitdrukking gebracht dat het bij de strafoplegging in deze zaak in het bijzonder gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte zich thans opnieuw heeft schuldig gemaakt aan zo een strafbaar feit ondanks een eerdere, volgens het hof onherroepelijke, veroordeling. Deze veroordeling is echter pas op 24 juli 2020 onherroepelijk geworden en was dus nog niet onherroepelijk ten tijde van het begaan van het onderhavige feit, dat gezien ’s hofs bewezenverklaring op 26 juni 2019 is begaan. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.
9. Het middel slaagt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak te dien aanzien opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden