ECLI:NL:PHR:2021:1165

ECLI:NL:PHR:2021:1165, Parket bij de Hoge Raad, 21-12-2021, 20/03396

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-12-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/03396
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:174
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Belaging van jonge vrouw en medewerkers advocatenkantoor. Zeven middelen die in het bijzonder teruggrijpen op vele incidenten bij de behandeling van de zaak, vooral in hoger beroep. Onder meer verzoek tot horen van jonge vrouw als getuige afgewezen kennelijk in verband met haar welzijn en gezondheid alsmede de aard van het delict waarvan herhaling dreigt bij toewijzing verzoek. De plicht om de rechten en belangen van een getuige te beschermen woog kennelijk en op goede grond mee. Telefoonterreur jegens (willekeurige) medewerkers van advocatenkantoor gedurende een werkdag levert mede in het licht van de beperkte vastgestelde implicaties niet zonder meer belaging op. Het beroep slaagt voor zover het de belaging van de medewerkers van het advocatenkantoor betreft en kan voor het overige worden verworpen. CAG strekt dus tot gedeeltelijke vernietiging en verwerping voor het overige.

Uitspraak

26. Het eerste middelfaalt.

27. Het tweede middel klaagt dat het hof ondanks een toezegging de zich in het dossier bevindende camerabeelden van het incident bij de [A] te tonen dit heeft “nagelaten”.

28. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 8 februari 2018 houdt in, voor zover hier relevant:

“De verdachte geeft aan dat hij graag wil dat bij de inhoudelijke behandeling de camerabeelden worden getoond die zich in het dossier bevinden en die zien op de gebeurtenis met betrekking tot de [A] in [plaats] . De voorzitter verklaart dat dit mogelijk is.”

29. En in het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 15 oktober 2020 houdt in, voor zover hier relevant:

“De verdachte verklaart als volgt:

Met betrekking tot feit 1 van parketnummer 18-830311-14:

Kunnen de beelden van die zaak hier getoond worden? Dan kan ik het een en ander uitleggen aan de hand van de beelden.

De oudste raadsheer vraagt de verdachte het volgende:

In eerste aanleg, bij de rechtbank, zijn de betreffende fragmenten ter zitting getoond en u heeft daar toen uw visie en toelichting op gegeven. Klopt dat?

De verdachte verklaart als volgt:

Ja, dat is zo. Ik heb daar toen mijn commentaar op gegeven. Ik weet niet of dat goed is weergegeven in het proces-verbaal, want dat heb ik niet gelezen.

Maar ja, dat is allemaal buiten het bewijs gelaten.

De voorzitter houdt verdachte de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 28 januari 2016 met betrekking tot het tonen van de beelden voor en merkt op dat in dat proces-verbaal minutieus het commentaar van de verdachte op de beelden is weergegeven.

De voorzitter deelt verdachte mee dat het hoger beroep voortbouwend is op de eerste aanleg

en dat het hof geen zaken gaat herhalen als dat niet nodig is.

De verdachte verklaart als volgt:

Mijn commentaar bij de beelden is correct weergegeven. [benadeelde] en [aangeefster 2] zijn als getuigen gehoord. Maar ik heb niet geslagen en kan ook niet geslagen hebben. U ziet mij op de beelden schuin staan. Dat betekent dat ik hard verwijderd word en hard wegloop, bij [aangeefster 2] en [benadeelde] vandaan. Dan kan ik toch niet slaan.

Ik vind het jammer dat u de beelden niet toont en de getuigen [aangeefster 2] en [benadeelde] niet oproept.

De voorzitter deelt verdachte het volgende mee:

Over die beelden kunnen we het straks nog hebben. Daar ga ik niet alleen over. Daar kan de advocaat-generaal iets van vinden en mijn collega’s ook.”

30. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, in:

“Ter zitting van het hof op 15 oktober 2020 heeft verdachte verzocht om de beelden van de bewakingscamera van de [A] (feit 1, parketnummer 18-830311-14) in de zittingszaal te tonen. De voorzitter en de oudste raadsheer hebben verdachte ter zitting van 15 oktober 2020 pagina 17 en 18 van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 28 januari 2016 voorgehouden. Daarin staat vermeld dat deze beelden ter zitting van de rechtbank zijn vertoond en daarin is in detail het aldaar gegeven commentaar van verdachte bij deze beelden beschreven. Alvorens het hof op het gedane verzoek tot het tonen van de beelden kon beslissen, heeft verdachte het gerechtsgebouw verlaten na een gedane wraking en is niet teruggekeerd. Dit terwijl de voorzitter verdachte heeft aangezegd dat er onmiddellijk een wrakingskamer bijeen zou worden geroepen, dat verdachte in het Paleis van Justitie aanwezig diende te blijven in afwachting van de behandeling van de wraking en dat - indien de beslissing van de wrakingskamer dat toe zou laten - vervolgens direct de inhoudelijke behandeling van de strafzaak door de meervoudige strafkamer zou worden voortgezet. Het hof is bij de beraadslaging in raadkamer tot het oordeel gekomen dat de noodzaak tot het ter zitting tonen van de beelden van de bewakingscamera van de [A] niet is gebleken. Het hof is voldoende geïnformeerd.”

31. Het middel noch de toelichting op het middel richt zich tegen een in het arrest opgenomen beslissing van het hof. Het middel richt zich tegen een feitelijke gedraging (nalaten) een kan om die reden buiten bespreking blijven. Voor zover de steller van het middel zou bedoelen dat van een handeling sprake is, wijs ik er op dat er verschil kan worden gemaakt tussen de mededeling dat er een mogelijkheid bestaat en de (daarna nog noodzakelijke) beslissing om die die mogelijkheid ook daadwerkelijk te mogen benutten. Dat verschil betekent ook dat het hof niet gehouden was bij de afwijzing van het verzoek betekenis toe te kennen aan een ‘toezegging’ en dat de beslissing tot afwijzing van het verzoek overigens ook niet onjuist of onbegrijpelijk is. Er was domweg geen toezegging, maar slechts een mededeling over een mogelijkheid.

32. Het tweede middelfaalt ook.

33. Het derde middel klaagt over schending van art. 6 EVRM en in het bijzonder het recht van verdachte om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak. Het hof had na de beslissing op het wrakingsverzoek de zaak niet buiten aanwezigheid van verdachte mogen behandelen, althans onderzoek moeten doen naar de afwezigheid van verdachte.

33. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 15 oktober 2020 houdt in, voor zover hier relevant:

“Ik wraak u. Ik wraak de hele combinatie.

Verdachte staat op.

De voorzitter deelt verdachte het volgende mee:

Ik verzoek u dringend om nog even te gaan zitten. Dan kunt u een onderbouwing geven van uw wrakingsverzoek,

De verdachte verklaart als volgt:

De gronden laat ik nog wel weten. Ik vertrek.

De voorzitter deelt verdachte het volgende mee:

Ik zeg u nu aan dat de wrakingskamer nu direct wordt ingelicht. Bij hen kunt u uw gronden toelichten. De wrakingskamer is beschikbaar. Ik zeg u aan dat de wrakingskamer hier zo komt en dat u daarom in het gerechtsgebouw aanwezig dient te blijven.

De mogelijkheid bestaat dat de wrakingskamer afwijzend beslist op het wrakingsverzoek en in dat geval zal het hof onmiddellijk de inhoudelijke behandeling van de zaak gaan hervatten. Dit zeg ik u nu aan.

Wilt u de gronden van de wraking nog opgeven om in het proces-verbaal van de zitting op te laten nemen?

De verdachte verklaart als volgt:

Ik wraak u omdat u geen getuigen oproept en mij een goede verdediging ontneemt.

De verdachte verlaat de zaal.

De voorzitter onderbreekt de zitting (tijdstip is 15:00 uur).

Om 16:00 uur wordt de zitting hervat.

De verdachte is niet aanwezig. De gerechtsbode deelt mee dat verdachte na de onderbreking van de zitting het gerechtsgebouw heeft verlaten en niet is teruggekeerd.

De voorzitter deelt het volgende mee:

De wrakingskamer heeft zojuist de wraking afgewezen. Het onderzoek ter terechtzitting

wordt op tegenspraak voortgezet.”

35. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat niet blijkt dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, nadat hij na zijn wrakingsverzoek de zaal heeft verlaten. De vraag is volgens de steller van het middel of de verdachte afwezig was “als gevolg van een bij hem bestaand misverstand – en dus niet op grond van een bewuste keuze (…).” In dat kader wordt nog gesteld dat verdachte aanwezig was buiten het gerechtsgebouw, bereikbaar was op een bij het hof bekend telefoonnummer en er noch door de strafkamer van het hof noch door de wrakingskamer aan hem informatie is gegeven over de voortzetting van de behandeling van de zaak.

36. Na het wrakingsverzoek heeft de voorzitter de verdachte vragen gesteld over de gronden voor wraking en mededelingen over de verdere gang van zaken gedaan. Daaronder was een mededeling dat ingeval het wrakingsverzoek zou worden afgewezen de behandeling van de strafzaak onmiddellijk zou worden hervat. Dat is de verdachte ook aangezegd. De inhoud van deze mededeling inzake onmiddellijke hervatting is duidelijk en dat wordt op zichzelf in de cassatieschriftuur niet weersproken. De mededeling zou echter volgens de steller van het middel in het geheel niet zijn gedaan. Bepalend is hier niet of de mededeling door de wrakingskamer is gedaan, maar of deze door voorzitter van de strafkamer is gedaan. De voorzitter van strafkamer van het hof heeft dit processuele feit vastgesteld door de vermelding van de mededeling in het onder randnummer 34 geciteerde proces-verbaal van de zitting in hoger beroep (art. 326 jo 327 jo 415 Sv). Dit proces-verbaal van de zitting heeft in cassatie te gelden als de kenbron bij uitstek van hetgeen is voorgevallen. De enkele stelling in cassatie dat de mededeling niet is gedaan kan geen doel treffen.

37. Voor zover de steller dan nog bedoelt dat ondanks de gedane mededeling sprake is van een misverstand aan de kant van de verdachte wordt het niet anders. Het misverstand is een slag in de lucht nu in het midden wordt gelaten om welke misverstand het precies gaat en waardoor het is veroorzaakt, laat staan dat het is veroorzaakt door of namens een (bevoegde) overheidsinstantie. Ook de stelling dat het hof nader onderzoek had dienen te doen berust louter op drijfzand.

38. . Het derde middelfaalt eveneens.

39. Het vierde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de belaging van [aangeefster 1] , meer in het bijzonder over de ‘stelselmatigheid’.

40. De bewezenverklaring en de bewijsconstructie zijn hiervoor al opgenomen bij de bespreking van het eerste middel.

41. Naast enkele uitgebreide citaten uit het bestreden arrest, de tekst van art. 285b Sr en een citaat uit een conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee houdt de toelichting op het middel uitsluitend in:

“Het oordeel van het hof dat sprake is van het stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster 1] acht rekwirant onbegrijpelijk c.q. onvoldoende gemotiveerd. De opsomming van [aangeefster 1] omtrent het zoeken van contact door rekwirant wordt door rekwirant betwist en uit de andere bewijsmiddelen blijkt onvoldoende van de stelselmatigheid van de gedragingen.”

42. Vooropgesteld moet worden dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

43. Het hof heeft blijkens de overwegingen geoordeeld dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de periode van 18 september 2011 tot en met 2 mei 2012 zeer frequent toenadering heeft gezocht tot aangeefster door haar te bellen, te mailen, te sms-en, brieven te sturen, op te wachten, te volgen en aan te spreken op straat. Hij heeft zich in die periode ook een groot aantal keren bevonden in en bij het flatgebouw waar aangeefster op dat moment woonde. Het hof kon oordelen dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte jegens aangeefster, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

44. Dat verdachte betwist dat hij contact met het slachtoffer heeft gezocht, komt in cassatie nogal uit de lucht vallen. Immers de voor het bewijs gebezigde verklaringen van verdachte (bewijsmiddelen 1 t/m 3) wijzen in een andere richting. Ik wees daar al eerder op. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Voor zover de steller verder nog meent dat de verklaringen van aangeefster niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, meen ik daarover zonder nadere toelichting kort te kunnen zijn. De selectie en waardering van de bewijsmiddelen is aan de feitenrechter en de toetsing daarvan is in de procedure in cassatie (uitzonderingen die hier zijn gesteld of gebleken) daargelaten niet aan de orde. De motivering van de bewezenverklaarde stelselmatigheid van de gedragingen van verdachte is niet onjuist, ontoereikend of onbegrijpelijk.

45. Het vierde middelis tevergeefs voorgesteld.

46. Het vijfde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de belaging van de medewerkers van een advocatenkantoor. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat de handelingen van de verdachte zich hebben afgespeeld in een (beperkt) aantal uren op een dag en dat het alleen telefonisch contact betrof.

47. Ten laste van de verdachte is onder 2 met parketnummer 18-192987-13 bewezenverklaard dat:

“hij op 22 juli 2013, te [plaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van medewerkers van het [F] , met het oogmerk die medewerkers te dwingen iets te doen en te dulden, immers heeft hij, verdachte, meermalen telefonisch contact opgenomen met die medewerkers van het [F] .”

48. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“10. De door verdachte op 15 oktober 2020 ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb het [F] op 22 juli 2013 een aantal keren gebeld.

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pagina 9 t/m 10) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangever [betrokkene 6] :

Ik ben werkzaam bij het [F] te [plaats] en doe namens het kantoor aangifte van belaging.

Al geruime tijd wordt mijn kantoor lastiggevallen door [verdachte] . Hij is de ex-partner van een cliënte van één van onze advocaten. [verdachte] is al meerdere malen op ons kantoor gekomen. Wij hebben hem toen keer op keer verzocht het pand te verlaten. De zaak van zijn ex-partner was in de visie van die ex-partner afgedaan. Wij hebben [verdachte] niets meer te zeggen en willen niet dat hij contact zoekt. Ik kan u zeggen dat [verdachte] al een straat- en contactverbod heeft gehad.

Op 16 en 17 januari 2013 is [verdachte] meerdere malen op kantoor geweest. Wij hebben uiteindelijk de politie gebeld. Wij hebben hem op 21 januari 2013 een brief gestuurd inhoudende het verzoek aan hem om niet meer te komen.

Daarna heeft [verdachte] nog meermalen contact gezocht. Op 15 juli heeft [verdachte] meermalen gebeld. Daarover heeft mijn collega [betrokkene 7] hem een mail gestuurd inhoudende het verzoek om niet meer te bellen.

Desondanks heeft [verdachte] op 22 juli 2013 enorm vaak mijn kantoor gebeld. Wij schatten dat hij ongeveer 100 keer heeft gebeld. Ik weet wel dat hij één van onze medewerkers, [betrokkene 8] , heeft gefeliciteerd dat zij het tachtigste telefoontje van de dag heeft aangenomen.

Andere medewerkers heeft hij bijvoorbeeld gezegd: “Vervelend hè, dat ik alweer bel?” en “Ik kan tot 17:00 uur bellen geloof ik vandaag, dan ga ik morgen wel weer verder”.

Onze medewerkers hebben meermalen gezegd niet te willen dat hij nog belt. Zij vinden het vervelend dat hij belt, met name ook omdat zij hierdoor niet aan hun reguliere werkzaamheden toekomen. Het verstoort de organisatie en geeft veel druk. Om die reden wil ik ook aangifte van stalking doen. Wij willen dat het stopt en dat [verdachte] ons niet meer lastig valt.

12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (pagina 13 t/m 14) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 8] :

Ik ben werkzaam als secretaresse bij het [F] , gevestigd aan de [d-straat 1] te [plaats] .

Op 22 juli 2013 was ik ook aan het werk. Die dag was ik onder andere werkzaam van 12:30 uur tot 14:30 uur aan de balie van ons kantoor. Daarbij hoort ook het beantwoorden van de telefoon.

De genoemde dag heb ik met zekerheid vijftig tot vijfenvijftig keer telefonisch gesproken met [verdachte] . Ik had die ochtend al begrepen van mijn collega dat [verdachte] al heel vaak had gebeld. We hadden met elkaar afgesproken dat als [verdachte] weer zou bellen dat we de telefoon maar gewoon op zouden leggen. Omdat [verdachte] zo vaak belde hebben we maar tot deze maatregel besloten. Het was ons inziens echt stalken via de telefoon. In de paar uurtjes die ik aan de balie heb gewerkt heb ik zoals gezegd ruim vijftig keer telefoon gehad,

Toen ik opnam hoorde ik dat [verdachte] zijn naam noemde. Elke keer heb ik meteen weer de hoorn opgelegd. [verdachte] belde ongeveer elke twee minuten.

Ik weet dat mijn collega in de ochtend nog met [verdachte] heeft gesproken en hem heeft gezegd niet weer te bellen. Dat heeft dus niet geholpen.

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (pagina 15 t/m 16) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 9] :

Ik ben als receptioniste/telefoniste werkzaam bij [F] aan de [d-straat 1] te [plaats] .

Op maandag 22 juli 2013 was ik ook aan het werk. Ik was als telefoniste werkzaam. Die dag werd ik vele tientallen malen gebeld door [verdachte] . Dit gebeurde zo vaak, soms met seconden of minuten ertussen, dat we overleg hebben gehad met de advocaten. Ik kreeg de opdracht om als [verdachte] weer zou bellen om te zeggen dat we het gesprek gingen beëindigen.

Daarna moest ik de verbinding verbreken. Dat heb ik die maandag tientallen malen gedaan. Het was namelijk zo dat [verdachte] maar bleef bellen. Onophoudelijk. Hij belde ook met een afgeschermd nummer. Op die manier kon ik dus niet zien of [verdachte] belde of een gewone cliënt. Daarom moest ik steeds de telefoon aannemen.

Door deze grote hoeveelheid telefoontjes kon ik niet aan mijn reguliere werkzaamheden toekomen. Ik vond het erg storend dat [verdachte] steeds belde. Ik kon nauwelijks andere telefoontjes aannemen. Hij belde zo vaak dat het mij leek alsof hij de herhaaltoets gebruikte.”

49. Voorts heeft het hof nog het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18-192987-13 onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank heeft in haar vonnis hierover het volgende overwogen:

“Ook in dit geval stelt de rechtbank voorop dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Daarbij is voorts van belang dat de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer zich niet alleen uitstrekt tot (de directe omgeving van) diens eigen woning, maar ook tot openbare ruimtes en de werkomgeving, mits het slachtoffer in die omgeving redelijkerwijs aanspraak kon maken op (een zekere mate van) privacy en de inbreuk voldoende indringend is. De rechtbank verwijst in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL8642).

In dit geval heeft verdachte enkel contact gezocht met de medewerkers van [F] , terwijl zij zich bevonden in hun werkomgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de gedragingen van verdachte voorafgaand en na 22 juli 2013 en anderzijds de gedragingen van verdachte op 22 juli 2013.

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode voorafgaande aan 22 juli 2013 enkele keren bij [F] is geweest. Tijdens die bezoeken is hem telkens verzocht het pand te verlaten en is ook enkele malen de politie gebeld en ter plaatse gekomen. Nadat verdachte op 15 juli 2013 meerdere maken met het advocatenkantoor had gebeld, is hem verzocht niet meer te bellen. Op 23 juli 2013 heeft verdachte ten minste eenmaal met het advocatenkantoor gebeld.

De rechtbank is van oordeel dat de frequentie van de gedragingen van verdachte in de periode voorafgaande en na 22 juli 2013 niet zodanig hoog is geweest en de aard daarvan niet zo indringend is geweest dat in die periode kan worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van het [F] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte op enig moment een zakelijke relatie heeft gehad met dit advocatenkantoor en de medewerkers hem te woord stonden in hun hoedanigheid van receptionist, telefonist of advocaat.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte twee medewerkers van het advocatenkantoor op 22 juli 2013 - ieder afzonderlijk - tientallen malen heeft gebeld.

Hoewel deze handelingen zich hebben beperkt tot een periode van niet meer dan ongeveer acht uren (de tijd dat het kantoor op de desbetreffende datum geopend was), kan naar het oordeel van de rechtbank - ook objectief bezien - toch worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers van het advocatenkantoor. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte in deze periode zo vaak met de beide telefonistes van het kantoor heeft gebeld dat zij bijna voortdurend bezig waren met het afhandelen van zijn telefoontjes, waardoor zij op een zeer indringende wijze werden gehinderd in hun dagelijkse werkzaamheden. Doordat verdachte belde vanaf een afgeschermd nummer konden zij niet zien dat hij degene was die belde, waardoor zij telkens genoodzaakt waren de telefoon op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt een dergelijke uitzonderlijke hoge frequentie van contactpogingen naar algemene ervaringsregels tot onaangenamen gevoelens van stress en irritatie en is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers daardoor zo indringend, dat zij zich daartegen - ook in hun werkomgeving - beschermd mochten achten. Gelet ook op de gebeurtenissen voorafgaand aan 22 juli 2013 en de omstandigheid dat verdachte ook op die dag zelf meerdere malen is verzocht niet meer te bellen, moet het voor verdachte zonder meer duidelijk zijn geweest dat de medewerkers van [F] niet met hem wensten te spreken. Dit geldt temeer nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de telefoongesprekken een medewerker heeft gefeliciteerd met het feit dat zij het 80ste telefoontje van die dag heeft aangenomen en dat hij heeft gezegd: “Vervelend hè, dat ik alweer bel?” en “Ik kan tot 17:00 uur bellen geloof ik vandaag, dan ga ik morgen wel weer verder.” Hier leidt de rechtbank uit af dat het doel van de verdachte was (de medewerkers van) het advocatenkantoor lastig te vallen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medewerkers dit ook zo hebben ervaren. Dat verdachte in zijn contacten met de medewerkers vriendelijk bleef en dat zij hem vanaf een bepaald moment niet meer te woord stonden, maar het contact met hem meteen verbraken, doet hier niets aan af.

Door zijn gedragingen heeft verdachte de medewerkers van het advocatenkantoor gedwongen contact met hem te hebben en hem aan te horen en hij heeft hen gedwongen te dulden dat hij contact met hen zocht.”

Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen van de rechtbank.

Het hof is - gelet op het voorgaande - van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich op 22 juli 2013 aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.”

50. De toelichting op het middel houdt naast de hierboven ook geciteerde bewezenverklaring en overweging uit het arrest en een citaat uit een conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee in:

“Gelet op wat de overweging en de bewijsmiddelen van het hof inhouden over de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waarin deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer meent rekwirant dat het oordeel van het hof dat sprake is van het stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Het gaat om slechts een (beperkt) aantal uren op één dag(deel) dat rekwirant (telefonisch) contact heeft gezocht met het advocatenkantoor, waardoor niet kan worden gesproken van stelselmatigheid van de gedragingen en zeer indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Men zou het gedrag van rekwirant hooguit als irritant kunnen beschrijven, maar niet kunnen kwalificeren als belaging. De uitspraak kan op dit punt dan ook niet in stand blijven.”

51. Art. 285b Sr houdt in:

“Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”

52. De feitelijke vaststellingen van het hof over de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte worden niet betwist. In de kern is de opgeworpen vraag hier of belaging in de door het hof in de overwegingen vastgestelde periode van acht uren kan plaatsvinden. Ik stel daarbij voorop dat de wet geen minimum aan de duur stelt en dat de vraag naar de duur moet worden beantwoord in relatie tot de aard, de intensiteit en de frequentie van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid. Zeer frequent en intens (indringend) gedrag kan de duur van de belaging als het ware compenseren zeker in een geval waarin het slachtoffer niet meer in de gelegenheid is gewone dingen te doen, maar het eigen gedrag volledig wordt beheerst door het gedrag van de belager. Het slachtoffer heeft dan in de periode dat het gedrag voortduurt geen of nauwelijks een andere keuze dan het eigen persoonlijk leven terzijde te stellen en het gedrag van de stalker te ondergaan.

53. Het hof heeft niet alleen het juiste criterium voor de stelselmatigheid van de gedragingen gebruikt, maar eveneens gemotiveerd waarom daarvan sprake is en dus niet volstaan met een opsomming van bewijsmiddelen. De omstandigheid dat gedragingen binnen een kort tijdsbestek plaatsvinden sluit niet uit er van belaging sprake is, maar de andere factoren moeten dan wel aanwezig en van voldoende gewicht zijn. Ik bespreek nu enkele gevallen uit de rechtspraak waarin de duur van de gedragingen zeer beperkt was.

54. In een arrest uit 2014 vonden de gedragingen van de verdachte in de periode van 20 juni 2009 tot en met 21 juni 2009 (dus verspreid over twee dagen) plaats en ze bestonden uit (-) het drie maal bezoeken van de woning van zijn ex-vrouw, (-) het driemaal trachten zijn ex-vrouw telefonisch te bereiken, (-) het haar in een gesprek telefonisch meedelen dat hij met haar wilde praten over hun dochter, (-) het haar dringend verzoeken om de aangifte die zij tegen hem had gedaan ter zake stalking in te trekken en (-) het deponeren in de brievenbus van haar woning van een foto, waarop een manspersoon met een masker stond afgebeeld, en met op de achterzijde van die foto de tekst "We'd better talk! Mevrouw uw valse aangifte kan u duizenden euro's kosten. U R. warned", stond vermeld. Het slachtoffer was geschrokken en vond het bedreigend. De Hoge Raad oordeelde: “In aanmerking genomen hetgeen de bewijsvoering inhoudt omtrent de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [naam ex-vrouw] is het oordeel van het Hof dat sprake is van 'stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer' als bedoeld in art. 285b Sr niet zonder meer begrijpelijk. De bewezenverklaring is in dat opzicht ontoereikend gemotiveerd.”

55. In een arrest uit 2021 ging het, voor zover hier van belang, om de volgende bewezenverklaarde gedragingen: het meermalen voedsel te laten komen bij benadeelde A (12 verschillende voedselbezorgdiensten binnen twee uur) en meermalen voedsel (drie pizzabezorgers op een dag) en taxi’s (in de volgende nacht) en een glaszetter te laten komen bij benadeelde B (alles bij B in een dag) en te bellen naar benadeelde C en meermalen voedsel (6 verschillende pizzabezorgers) en een taxi te laten komen bij benadeelde C (verspreid over twee dagen). Een en ander werd bij alle drie slachtoffers in meerdere of mindere mate voorafgegaan of vergezeld van schelden en dreigen. De Hoge Raad oordeelt dat de vaststellingen die het hof heeft gedaan met betrekking tot telkens de aard, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte niet toereikend zijn voor belaging.

56. Deze rechtspraak lijkt mij te illustreren dat verschillende aspecten van belang zijn. Enerzijds kunnen de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit (ook in onderling verband) van de gedragingen al onvoldoende zijn voor belaging, terwijl anderzijds de invloed die er vanuit gaat voor het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid te beperkt kan zijn. Beide aspecten spelen in de onderhavige zaak een rol. Is het gedrag te zien als een incidentele pesterij of een min of meer geïsoleerde, tot een werkdag beperkte, intimidatie die nog onvoldoende is voor belaging? Het hof noemt de intensiteit van het bellen als argument om belaging aan te nemen evenals de omstandigheid dat de verdachte niet meer welkom was bij het kantoor. Het tweede aspect betreft de invloed van het gedrag op het leven en de vrijheid van de slachtoffers. Voor belaging is niet vereist dat moet blijken van ernstige emotionele gevolgen, een grote verstoring van het dagelijks leven althans een zeer ingrijpende of diepgaande invloed op het persoonlijke leven en de vrijheid van het slachtoffer. Het hof merkt verstoring van het ‘gewone’ werk gedurende een dag hier als argument aan om belaging aan te nemen. Op zich zelf staat de omstandigheid dat (alleen) het werk wordt verstoord niet in de weg aan belaging.

57. Het komt mij voor dat er geen objectief en glashelder criterium is om te beoordelen of de beslissing van het hof om hier belaging aan te nemen onbegrijpelijk is. De delictsomschrijving van art. 285b Sr is betrekkelijk vaag en de wetsgeschiedenis weinig eenduidig. De besproken arresten van de Hoge Raad gebruiken de betrekkelijk vage wettelijke criteria en zijn casuïstisch. Zo bezien moet van geval tot geval worden beslist of de gedragingen zodanig stelselmatig zijn en een zodanige impact op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid hebben dat zit zwaarwegend genoeg is om die gedragingen als een misdrijf en wel in bijzonder als belaging aan te merken.

58. De frequentie van het telefonisch contact zoeken in de onderhavige zaak is groter dan die van de gedragingen die in de vermelde arresten van 2014 en 2021 aan de orde zijn. De gedragingen (het opbellen) duren hier immers vrijwel ononderbroken de hele werkdag door. De vrijwel ononderbroken herhaling is een argument dat het hof aan het oordeel dat er sprake is van belaging ten grondslag kon leggen. Daar staat echter wel het een en ander tegenover. Zonder goede reden opgebeld worden is vervelend, maar zolang het incidenteel gebeurt moet de strafwet in ieder geval niet in zicht komen. Het betreft hier weliswaar niet zonder meer een incidentele pesterij, maar de gedragingen laten zich wel het best omschrijven als tot een werkdag beperkte pesterij door herhaling van identieke, als gezegd vervelende, gedragingen. De impact van het gedrag is volgens het hof verstoring van en hinder in het dagelijks werk met als (direct) gevolg gevoelens van irritatie en stress. De hinder beperkt zich tot het dagelijks werk nu het hof niet heeft vastgesteld dat de hinder de privésituatie buiten het werk bereikt heeft en ook daarvoor gevolgen als irritatie en stress heeft gehad. Bovendien staat niet vast dat de verdachte zich in het kader van dit feit op een specifieke persoon richt. Hij hindert elke toevallig aanwezige en daarmee willekeurige medewerker van het kantoor. De gedragingen zijn niet zonder meer zodanig stelselmatig en met een zodanige impact op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid dat zit zwaarwegend genoeg is om die gedragingen als een misdrijf en wel in bijzonder als belaging aan te merken. De aankondiging van de verdachte dat hij de volgende dag weer zal bellen en een medewerker feliciteerde met het tachtigste telefoontje maakt dit niet anders. Al met al acht ik het oordeel van het hof dat hier sprake is van belaging niet zonder meer begrijpelijk. Niet elke irritante en stresserende ‘telefoonterreur’ levert al belaging op, ook niet als dit een werkdag duurt.

59. Het vijfde middelslaagt.

60. Het zesde middel klaagt over het afwijzen van het verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden. De beslissing van het hof is volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

61. Het zevende middel klaagt over het afwijzen van het verzoek tot verwijzing van de zaak ter behandeling door een ander hof. Ook die beslissing van het hof is volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

62. Voor de beoordeling van beide middelen is het navolgende van belang:

- Proces-verbaal van de rechtbank van 11 december 2014. De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam. De zaak wordt in verband met onderzoekswensen aangehouden voor onbepaalde tijd.

- Proces-verbaal van de rechtbank van 28 januari 2016. De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Amersfoort (p. 10 ev):

“Verdachte verklaart, zakelijk weergegeven, onder meer:

(…) Ik wraak u. Indien iemand stukken wil inbrengen of wil krijgen en dat wordt geweigerd, is dat gelet op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam een grond voor wraking. Ik beroep mij nu op die grond. Ik heb nu geen mogelijkheid de stukken in te brengen omdat ze bij mij thuis liggen. Ik wil die stukken inbrengen om een optimale verdediging te kunnen voeren. Ik heb dat ook al in een eerder stadium aangegeven. Ik ben het er niet mee eens als mijn wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Ik heb 45 zaken lopen bij de rechtbank Groningen . In een aantal zaken zijn de rechters gewraakt. De rechtbank kan niet zeggen dat in alle zaken misbruik wordt gemaakt van het wrakingsrecht. De beslissing van de wrakingskamer dat ik niet meer mocht wraken, had betrekking op andere zaken.

De voorzitter deelt - zakelijk weergegeven - mee:

Het wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen. Verdachte heeft vaker rechters van deze rechtbank gewraakt. Bij beslissing van 27 februari 2015 heeft de wrakingskamer bepaald dat een volgende wrakingsverzoek niet in behandeling zou worden genomen.

Daarbij zijn de parketnummers genoemd van de zaken die vandaag worden behandeld.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt op verzoek van verdachte korte tijd onderbroken, teneinde hem in de gelegenheid te stellen te overleggen met zijn raadsvrouw. Daarna wordt het onderzoek voortgezet.

De raadsvrouw van verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - dat er niet iets is dat zij in dit stadium naar voren wil brengen.

(…)

Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - onder meer:

Ik voer dit proces al vijf jaar. Mijn raadsvrouw loopt echter nog maar een paar maanden met me mee en zij weet niet alles. Ze kent niet alle ins and outs en ik heb helaas niet meer tijd gekregen om alles met haar te bespreken. Ook heeft zij bij de voorbereiding niet over een volledig dossier kunnen beschikken. Ze heeft pas vlak voor deze zitting het volledige dossier gekregen.”

- Op 11 februari 2016 heeft de rechtbank het vonnis gewezen, waarna de verdachte zelf hoger beroep heeft ingesteld.

- Proces-verbaal van het hof van 6 september 2016:

“Ik wil bijstand van een advocaat maar ik kan er geen vinden. Ik heb er heel wat benaderd en leg een lijst over waarop de namen staan van 65 advocaten.

Uw hof vindt in uw dossier ook nog een lijst van 60 advocaten. Al deze advocaten komen uit Noord-Nederland en uit de omgeving van mijn woonplaats.

Het contact loopt spaak. Vanwege de mij tenlastegelegde stalkingzaak van [F] speelt de deken in Noord-Nederland hier ook een rol in.

Andere advocaten zien het niet zitten omdat het dossier te dik is en er veel uren in gaan zitten. Daar krijgen ze van de raad voor de rechtsbijstand te weinig geld voor. Ik heb aanvragen gedaan bij de raad om mijn zaak als "meer-uren-zaak" te registreren maar die aanvragen zijn afgewezen. De raad vindt dat ik al genoeg toevoegingen heb gehad.

De deken in Noord-Nederland wilde mij niet een advocaat toewijzen. Ik heb daarom een artikel 13 procedure gestart bij het Hof van Discipline. De procedure is kort geleden gestart.

Er is sprake van een complexe zaak. Ik ben zelf mondig genoeg maar voor de nuances met betrekking tot wetgeving en andere juridische kwesties is bijstand van een advocaat van belang.

Ik ga niet zonder advocaat het proces in.

De voorzitter reageert:

U weet dat de advocaat in het proces de strategie bepaald.

De verdachte reageert:

Dat klopt.

Er zijn advocaten die zeggen dat ik prima zelf het proces kan voeren. Er is een advocaat die al 84 uren in mijn zaak heeft zitten maar niets vergoed heeft gekregen. Mijn vorige advocaat, mr De Vries, moest het zonder dossier doen. Ik weet dat een advocaat niet verplicht is, maar ik heb er wel een nodig.

De voorzitter houdt verdachte voor:

In beginsel is het vinden van een raadsman uw pakkie an.

De verdachte reageert:

Ik heb daarvoor ook mijn best gedaan.

De voorzitter houdt verdachte voor:

Er is nog een andere optie. Het hof kan ook een advocaat toevoegen. Die mogelijkheid bestaat wanneer er een vermoeden bestaat van een geestelijke stoornis bij de verdachte.

Ook benadert het hof weleens een advocaat met de vraag of hij een verdachte wil bijstaan.

De verdachte reageert:

Ik heb diverse tuchtklachten lopen tegen advocaten. De rechtbank heeft een trucje uitgehaald door een advocaat voor mij te benaderen. Maar deze advocaat had mij al 4 keer afgewezen. Ik kon daar geen vertrouwen in hebben. De betreffende advocaat heeft toen de opdracht weer teruggegeven aan de rechtbank.

Wanneer de raad voor de rechtsbijstand meer uren afgeeft, zijn er wel advocaten bereid om deze zaak te doen.

De voorzitter reageert:

De raad zal niet op voorhand haar fiat geven voor meer uren.

De verdachte reageert:

De raad wijst verzoeken tot het kenmerken van mijn zaak als bewerkelijke zaak af. Ik heb al 138 toevoegingen gevraagd maar alles wordt afgewezen. De raad zegt dat niet de zaak maar de cliënt, ik dus, bewerkelijk is.

Ik heb alles gedaan om een advocaat te krijgen.

De voorzitter houdt verdachte voor:

U kunt de artikel 13 procedure afwachten of een advocaat door het hof laten toevoegen om de reden die ik u zojuist gaf.

De verdachte reageert:

Dat laatste weiger ik. Ik ben terdege mondig genoeg.

De voorzitter houdt verdachte voor:

Het hof kan ook nog zelf op zoek gaan naar een advocaat.

De verdachte reageert:

De zaak loopt al 5 jaar.

De voorzitter reageert:

Het hof hecht wel aan voortvarendheid bij de afdoening van zaken.

De verdachte voert aan:

Kan er met mij overleg worden gevoerd over welke advocaten u dan hebt benaderd? Ik heb zelf namelijk praktisch iedere advocaat al benaderd. Ik wil in ieder geval niet dat u een advocaat toewijst vanwege een geestelijke stoornis. Ik verwacht dat de uitspraak van het hof van discipline ook wel 4 maanden op zich laat wachten. Als er goed over gecommuniceerd wordt dan vind ik het goed dat we de uitspraak van het hof van discipline afwachten en dat u een advocaat zoekt zonder deze toe te voegen. U noemt dat een tweesporenbeleid. Ik wil ook nog opmerken dat ik niet het volledige dossier heb ontvangen. Ook wil ik nog opmerken dat ik in eerste aanleg geen goede procesvertegenwoordiging heb gehad. Ik vraag u om als u een advocaat kan vinden mij dan de tijd geeft om met die advocaat het dossier goed te bespreken.

De voorzitter reageert:

U heeft in mijn opdracht het volledige dossier ontvangen. Mocht u denken dat dat dossier niet volledig is dan kan een advocaat de gelegenheid worden geboden om te controleren op de griffie of alle stukken overeenkomen met de stukken waarover het hof beschikt. Ik houd u voor dat we vandaag alleen gaan spreken over het vinden van een advocaat. Het dossier en de onderzoekswensen komen vandaag niet aan de orde. Dat zijn zaken waar dan uw advocaat bij moet worden betrokken. Verder houd ik u voor dat ik alleen met u communiceer in de zittingzaal en dat ik niet met u spreek over uw communicatie met gerechtshofmedewerkers.

De verdachte merkt nog op:

Dat begrijp ik. Ik denk dat ik zelf geen advocaat kan vinden.

Ik wil nog een lijst overleggen met daarop namen van de advocatenkantoren die ik heb benaderd.

De voorzitter reageert:

Alle door u overgelegde lijsten zullen aan het proces-verbaal van deze zitting worden gehecht.

Na een korte schorsing voor beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mee:

Het hof gaat de behandeling van de zaak aanhouden tot medio februari 2017 teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen de procedure bij het hof van discipline af te wachten zich van rechtsbijstand te doen voorzien. Het hof zal in die tussentijd contact opnemen met de deken en de raad voor de rechtsbijstand en van haar kant ook inspanningen plegen om een advocaat voor verdachte te vinden. Het hof zal alleen met u spreken in de zittingszaal en de advocaat zal in deze zaak de strategie voor u bepalen.

Hierop schorst het hof het onderzoek voor onbepaalde tijd.”

- Proces-verbaal van het hof van 19 december 2017:

“De voorzitter geeft mondeling een zakelijke weergave van het procesverloop in hoger beroep tot nu toe, aan de hand van het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof van 6 september 2016, de zoektocht van de verdachte naar een advocaat die hem kan bijstaan in deze strafzaak en de correspondentie die de verdachte heeft ingezonden naar het gerechtshof, onder meer houdende zijn onderzoekwensen.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik ben er nog niet in geslaagd een advocaat te vinden. Ik wil wel bijstand van een advocaat in deze strafzaak. De zaak blijkt complex te zijn doordat ik in feite geen aangifte kan doen. Ik heb het Hof van Discipline aangeschreven over mijn zoektocht naar een advocaat. Mijn klacht is gegrond verklaard door het Hof, hetgeen inhoudt dat de deken van de orde van advocaten mij een advocaat moet toewijzen. Dat is vervolgens ook gebeurd, maar er bleek sprake te zijn van een belangenverstrengeling van het kantoor van de desbetreffende advocaat waardoor die niet voor mij kon optreden. Ik heb de deken niet gevraagd om mij een andere advocaat toe te wijzen. Het Hof van Discipline heeft een tweede klacht van mij vervolgens ongegrond verklaard.

De voorzitter deelt mee dat het gerechtshof niet beschikt over de stukken met betrekking tot de klachten van de verdachte bij het Hof van Discipline.

De verdachte biedt aan de desbetreffende stukken in te brengen.

De voorzitter deelt mee dat, zoals al eerder met de verdachte is besproken, het gerechtshof een advocaat kan toevoegen aan de verdachte, maar dat de psychische situatie van de verdachte met zodanig is dat het gerechtshof een advocaat moet toevoegen aan de verdachte.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik wil in deze strafzaak graag een advocaat, voor de juridische finesses.

De voorzitter deelt mee, zakelijk weergegeven:

Dat is het gerechtshof duidelijk. De voortgang van deze strafzaak mag echter niet worden tegengehouden door uw al geruime tijd gaande zijnde zoektocht naar een advocaat. Andere betrokkenen hebben namelijk belang bij afdoening van de zaak. Het gerechtshof zal u nu nog een keer in de gelegenheid stellen een advocaat te zoeken. Wanneer het te lang duurt voordat deze zaak tot een einde komt, kan de balans er anders uit komen te zien. Het gerechtshof zal de zaak dan voortzetten ook als u dan geen advocaat hebt.

De verdachte vraagt hoe dat dan moet met de getuigen.

De voorzitter deelt mee dat die vraag te zijner tijd zal worden bekeken.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik heb diverse advocaten benaderd en gesproken. Die advocaten zeggen dat we het samen moeten doen. Kan een advocaat ook onderzoekwensen inbrengen?

De voorzitter legt uit aan de verdachte dat dit mogelijk is.

(…)

Het gerechtshof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting gedurende enige tijd om zich te beraden over de standpunten van de verdachte en de advocaat-generaal, waarna het onderzoek wordt hervat en de voorzitter de beslissing van het gerechtshof meedeelt, zakelijk weergegeven:

Zoals reeds eerder in deze zitting is verwoord, is de situatie van artikel 509 van het Wetboek van Strafvordering hier niet aan de orde. Het gerechtshof geeft de verdachte nu nog een allerlaatste termijn om een advocaat te zoeken.

Het gerechtshof zal het onderzoek ter terechtzitting aanhouden tot 8 februari 2018. Het gerechtshof vindt het belang van voortzetting van de zaak zwaarwegend. Het mag niet onverantwoord lang duren voordat de zaak kan worden afgedaan. In het geval dat de verdachte op 8 februari 2018 geen advocaat heeft zal het gerechtshof de zaak gaan behandelen.”

- Vervolgens heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden tot 8 februari 2018. Het proces-verbaal van die zitting houdt omtrent de rechtsbijstand en het volgende in:

“De voorzitter constateert dat verdachte geen rechtsbijstand heeft. De verdachte verklaart daarover - zakelijk weergegeven - :

Het is niet gelukt om een raadsman te vinden. U houdt mij voor dat mij op de terechtzitting van 19 december 2017 een allerlaatste termijn is gegeven om een advocaat te zoeken. Daarbij is overwogen dat als ik vandaag geen advocaat zou hebben, het hof de zaak desondanks zal gaan behandelen. Dat klopt. Ik ben het er niet mee eens, maar goed.

(…)

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - :

Ik wil graag dat de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank. Reden daarvoor is dat in eerste aanleg is er een wrakingsverzoek ten aanzien van de rechter-commissaris is ingediend en dat hij gedurende die wrakingsprocedure nog onderzoekshandelingen heeft verricht. Ik ben van mening dat deze fout hersteld moet worden door de rechtbank. U houdt mij voor dat in hoger beroep eventuele gebreken van de behandeling in eerste aanleg, kunnen worden beoordeeld en zo nodig hersteld. Ik ben van mening dat het hier om een punt gaat dat niet voor herstel door het hof in aanmerking komt.

Ik vind overigens ook dat het hier gaat om een kwestie waarover ik graag een raadsman had willen raadplegen. Ik blijf bij mijn standpunt dat ik bijstand van een raadsman wil. Ik wil daartoe ook graag stukken overleggen.

De verdachte legt een stuk aan het hof over met betrekking tot zijn wens om rechtsbijstand.

Deze pleitnota is aan het proces-verbaal gehecht.

De voorzitter deelt mede dat de kwestie van de rechtsbijstand reeds is besproken en afgehandeld. Na de behandeling van de onderzoekswensen zal het hof beraadslagen en beslissen op zowel het verzoek van verdachte om de zaak terug te wijzen als de onderzoekswensen.

(…)

De verdachte vraagt of het hof zich kan voorstellen dat verdachte het van groot belang acht om een advocaat te hebben.

De voorzitter deelt mede dat die discussie niet nogmaals gevoerd zal worden. De zaak zal voor inhoudelijke behandeling worden gepland.”

- Vervolgens heeft het hof de behandeling van de zaak wederom aangehouden. Het proces-verbaal van de eerstvolgende zitting (op 15 oktober 2020) houdt omtrent de rechtsbijstand in en het verzoek om de zaak te verwijzen naar een ander hof in:

“De voorzitter deelt verdachte het volgende mee:

Er is voor het laatst gisteren per mail contact met u geweest. Daar is door u op gereageerd. Dat heeft geleid tot de wrakingsprocedure voorafgaand aan deze zitting. Ik heb van de wrakingskamer vernomen dat het verzoek niet is toegewezen en dat we kunnen voortgaan met de zaak.

U heeft op 15 september 2020 een mail gestuurd met bijlagen. Daarin komt u met een aantal verzoeken. Primair wilt u dat de zaak terug gaat naar een rechtbank, subsidiair wilt u dat de zaak naar een ander hof gaat en als laatste wilt u dat deze zitting wordt omgezet in een regiezitting.

Verdachte verklaart als volgt:

Dat wil ik nog steeds.

De voorzitter deelt verdachte het volgende mee:

Op deze verzoeken heeft het hof al gereageerd richting uw toenmalige raadsman. Op een gegeven moment is het hof benaderd door mr. Huisman dat hij u bij zou staan. Mr. Huisman heeft een kopie van het dossier gekregen. Hij wist op dat moment nog niet of hij nog zou komen met een aanhoudingsverzoek, want hij moest de zaak nog met u bespreken. Daar heb ik op gereageerd met de mededeling dat het hof sowieso de zaak inhoudelijk gaat behandelen omdat er kostbare zittingstijd is gereserveerd. Het is dan mogelijk dat het hof bij het raadkameren - het hof beraadt zich dan ook op de gedane verzoeken - tot de conclusie komt dat het onderzoek niet volledig is geweest en dan met een tussenarrest komt. Andersom, als het hof zich voldoende acht voorgelicht en de verzoeken worden afgewezen, dan komt het hof met een eindarrest.

Verdachte verklaart als volgt:

Ik heb die mail gelezen. Dat de zittingstijd kostbaar is, mag mij niet worden tegengeworpen.

(…)

De verdachte verklaart als volgt:

Het is natuurlijk de vraag of bellen of één dag wel als stalking gezien kan worden. Ik zit hier nu zonder advocaat mijn woordje te doen, maar dat wil ik helemaal niet. Ik wil bijstand van een advocaat.

De voorzitter reageert als volgt:

U weet dat dit ook een voorgeschiedenis heeft. U bent voor het eerst bij het hof geweest op 6 september 2016. U zegt dat u geen advocaat heeft. U heeft een lijstje met advocaten die u heeft benaderd toegevoegd aan het dossier. Het contact tussen u en de advocaten loopt echter steeds spaak. U heeft 138 toevoegingen aangevraagd en diverse tuchtklachten tegen advocaten lopen. U heeft bij het hof gezegd dat u een advocaat wil. Het hof heeft daarvoor de zaak aangehouden om u in de gelegenheid te stellen een advocaat te regelen.

De verdachte verklaart als volgt:

Dat klopt allemaal. Een raadsheer van uw hof, mevrouw Van Holten, heeft zich er toen mee bemoeid en de deken aangeschreven. Toen is mr. Kappelhof mijn advocaat geworden. Dat is misgelopen.

De voorzitter reageert als volgt:

Op 19 december 2017 is er weer een zitting. U komt dan en heeft dan geen raadsman en u wil dan aanhouding voor het zoeken naar een advocaat. Het hof geeft u dan een allerlaatste termijn voor het zoeken van een advocaat. Op 8 februari 2018 is de volgende zitting. U komt dan wederom zonder advocaat. Toen is de zaak toch nog een keer aangehouden, maar daarbij is gezegd dat de zaak de volgende keer inhoudelijk behandeld gaat worden.

In de periode tot aan deze zitting heeft u achtereenvolgens diverse advocaten gehad. De laatste was mr. Huisman. Hij heeft een compleet dossier gekregen. Mr. Huisman heeft zich teruggetrokken als uw raadsman. Nu zijn we aan de inhoudelijke behandeling van de zaak toe en daar zijn we nu mee bezig. Het houdt een keer op.

De verdachte verklaart als volgt:

Op 8 februari 2018 was de vorige zitting. Ik ben constant aan het bellen geweest om een advocaat te krijgen en op 9 februari 2018 had ik een advocaat. Dat was de heer Visser. Hij zou voor mij het dossier opvragen en zodra hij het dossier had zou hij dat met mij bespreken. Hij kreeg echter maar een stukje van het dossier. Hij had daardoor geen zin meer in de zaak en stopte ermee. Zat ik weer zonder advocaat.

De volgende was mevrouw Nagelmaker. Op 4 juni 2019 stuurt zij een mail waarin zij het hof de oren wast. Mevrouw Nagelmaker krijgt dan excuus van het hof en ik niet. Ik las toen het raadkamerverslag en dat was een volle vuistslag in mijn gezicht. Ik werd totaal kapot geschreven.

De voorzitter reageert als volgt:

U heeft dat bij de stukken gevoegd. Ik heb dat gelezen. U noemt dat een raadkamerverslag. Ik noem het een notitie die één van de collega’s heeft geschreven aan andere collega’s. Dit betreft niet de raadsheren die hier vandaag voor u zitten. We gaan verder met de inhoudelijke behandeling.”

- Het hof heeft na de onderbreking voor een behandeling van het wrakingsverzoek het onderzoek ter terechtzitting weer voortgezet en het onderzoek uiteindelijk gesloten en heden uitspraak gedaan. In het arrest heeft het hof gereageerd op het verzoek om de zaak te verwijzen naar een ander hof. Het arrest houdt in, hieromtrent:

“Verzoek tot verwijzing naar een ander hof

Bij brief van 15 september 2020 heeft verdachte het hof verzocht om zijn strafzaak aan een ander gerechtshof over te dragen, bij voorkeur het gerechtshof Amsterdam. De door verdachte opgegeven reden hiervoor is dat de raadsheren van het gerechtshof Leeuwarden, locatie Leeuwarden, zeer vooringenomen zijn en hij geen schijn van kans heeft om zijn standpunt en visie te geven op de strafzaak.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Artikel 62b Wet op de rechterlijke organisatie luidt als volgt:

Het gerechtshof kan een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.

Naar het oordeel van het hof is er geen aanleiding de zaak te verwijzen naar een ander hof, nu er in onderhavige zaak geen sprake is van een betrokkenheid van het gerechtshof in de zin van laatstgenoemd artikel. Het verzoek tot verwijzing wordt daarom afgewezen.”

63. Ik stel voorop dat het recht om zichzelf te verdedigen en daarbij bijstand te hebben van een raadsman (naar keuze) is verankerd in art. 6 EVRM en nader is geregeld in de art. 38 e.v. Sv. Vast staat dat de verdachte in het kader van de onderhavige strafzaak bij herhaling is voorzien van rechtsbijstand. In de eerste aanleg ontving de verdachte tijdens de zitting van 11 december 2014 bijstand van mr. Smit en tijdens de zitting van 28 januari 2016 van mr. De Vries. De bijstand geschiedt voor de aanleg waarin deze heeft plaatsgehad (art. 42, eerste lid, Sv). In hoger beroep diende de verdachte zich opnieuw te voorzien van rechtsbijstand en mr. De Vries was daarvoor kennelijk niet meer beschikbaar. Bij de eerste zitting in hoger beroep op 6 september 2016 was de verdachte ondanks zijn kennelijk vele pogingen om dat wel te bewerkstelligen en kennelijk onder meer in verband daarmee aanhangig gemaakte procedures niet voorzien van rechtsbijstand. De behandeling van de zaak werd aangehouden en de verdachte was toen in de gelegenheid (gesteld) zich alsnog te voorzien van rechtsbijstand. Dat zelfde resultaat leverde de tweede zitting van 19 december 2017 op. Na de eerste zitting was de verdachte volgens eigen zeggen weliswaar voorzien van rechtsbijstand, maar dat liep spaak. Op 8 februari 2018 vond de derde zitting, een regiezitting plaats; de verdachte was niet voorzien van rechtsbijstand. De zaak is aangehouden voor de inhoudelijke behandeling. Hoewel de aanhouding niet geschiedde in verband met de ontbrekende rechtsbijstand, bestond er voor de verdachte opnieuw de mogelijkheid zich alsnog te voorzien van rechtsbijstand. Voorafgaande aan de vierde en laatste zitting van 15 oktober 2020 beschikte de verdachte volgens eigen zeggen over rechtsbijstand: verschillende advocaten (mrs. Visser, Nagelmaker, Huisman en bij een wrakingsprocedure mr. Blasweiler) stonden hem naar ik begrijp achtereenvolgens bij. Op deze laatste zitting is de zaak inhoudelijk behandeld, het onderzoek is gesloten en er is op dezelfde dag uitspraak gedaan. Ter terechtzitting was de verdachte niet voorzien van rechtsbijstand.

64. Uit de toelichting op het middel (schriftuur van cassatie onder 24) valt af te leiden dat de klacht zich richt tegen hetgeen is voorgevallen tijdens de zitting op 15 oktober 2020. De steller van het middel wijst niet met zoveel woorden op een verzoek van de verdachte om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting teneinde hem in staat te stellen zich alsnog te voorzien van rechtsbijstand of een naar aanleiding daarvan door het hof genomen beslissing. In het proces-verbaal van de zitting van 15 oktober 2020 heb ik een dergelijk verzoek niet aangetroffen en evenmin een beslissing naar aanleiding daarvan. Dat maakt het onmogelijk de motiveringsklacht te bespreken. Het middel mist feitelijke grondslag nu in het proces-verbaal van de zitting een beslissing op een aanhoudingsverzoek ontbreekt en er dus van moet worden uitgegaan dat een dergelijke beslissing niet is genomen. Het middel richt zich niet op het ontbreken van een beslissing, maar voor zover het middel dat wel zou doen geldt dat het hof niet gehouden was te beslissen nu uit het proces-verbaal van de zitting evenmin blijkt van een verzoek om aanhouding teneinde zich te voorzien van rechtsbijstand.

65. Ten overvloede (dan wel het middel zeer welwillend lezend als klacht dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting heeft voortgezet zonder dat de verdachte van rechtsbijstand was voorzien) wijs ik nog op het volgende in verband met het voor een eerlijke berechting belangrijke recht op rechtsbijstand. Uit de uitvoerig geciteerde processen-verbaal van de zittingen in hoger beroep leid ik af dat alvorens een regiezitting plaatsvond de verdachte tweemaal een ruime gelegenheid is geboden zich te voorzien van rechtsbijstand. Dat betekent dat het verkrijgen van rechtsbijstand is gefaciliteerd en dat is overigens naar ik begrijp ook nog eens gebeurd door bemoeienis van de voorzitter van het gerecht. In deze fase is er ook rechtsbijstand geweest, maar het contact met de advocaat liep spaak. Na de regiezitting en voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling heeft de verdachte opnieuw de gelegenheid gehad zich te voorzien van rechtsbijstand. Er blijkt in die fase ook bijstand te zijn geweest van (tenminste) vier advocaten.

66. In de onderhavige zaak heeft niet alleen de verdachte zich op zijn eigen, niet erg doelmatige wijze ingespannen om zich te voorzien van rechtsbijstand. Hij heeft daarvoor ook ruim de tijd gehad cq er is hem ruim de tijd geboden. Ook de gerechtelijke autoriteiten hebben zich in de fase van het hoger beroep en ook daaraan voorafgaand ingespannen om de verdachte te voorzien van rechtsbijstand. De deken van de Orde van advocaten is er bij betrokken. Verschillende advocaten hebben ook daadwerkelijk rechtsbijstand geboden, maar het contact met hen is verbroken.

67. In de toelichting op het middel wordt nog opgemerkt:

“Niettemin had het hof het verzoek van rekwirant om rechtsbijstand in overweging moeten nemen c.q. moeten honoreren. Immers, rekwirant had tot zeer kort voor de zitting een advocaat die beschikte over het dossier en met wie rekwirant de zitting had voorbereid. Echter, de betreffende advocaat heeft het hof tot verbijstering van rekwirant op 13 oktober 2020 medegedeeld dat hij rekwirant niet (langer) zou bijstaan en derhalve ook niet op de zitting van 15 oktober 2020.”

68. Van een verzoek is, zoals ik al constateerde, geen sprake geweest. De brief van 13 oktober 2020 is ter zitting van het hof niet als zodanig aan de orde geweest en daarmee staat in cassatie gelet op de papieren muur niet vast dat er een brief is verzonden en wat de inhoud daarvan is. Dit punt kan en moet dus verder in cassatie buiten beschouwing blijven.

69. De gedachte komt op dat de verdachte door conflicten met zijn raadslieden te veroorzaken, geen andere intentie heeft gehad dan een goede rechtsgang te belemmeren, maar ik onderdruk die gedachte. Er is te weinig bekend over de redenen van de verbreking van het contact. Gelet op alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang, kan in dit geval niet gezegd worden dat de verdachte geen reële mogelijkheid heeft gekregen om zich te voorzien van rechtsbijstand. Het hof heeft ook oog gehad en moet ook oog hebben voor de belangen van een doelmatige rechtspleging in het algemeen, dat wil zeggen dat zaken ook binnen een redelijke termijn moeten worden afgedaan, alsmede voor de belangen van andere betrokkenen, waaronder de benadeelde partij en de slachtoffers.

70. Het zesde middelfaalt.

71. Dan het zevende middel over de afwijzing van het verzoek te verwijzen naar een ander hof. Voor zover geklaagd wordt dat het hof de verkeerde maatstaf heeft gebruikt het volgende. Art. 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie (verder: RO) luidt als volgt:

“Het gerechtshof kan een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.”

72. In memorie van toelichting op art. 62b RO (geldend voor de hoven) wordt verwezen naar de toelichting op de pendant van de bepaling voor de eerste aanleg art. 46b RO (geldend voor de rechtbanken). Ik citeer:

“Deze formulering omvat niet alleen gevallen waarin een rechtbankmedewerker partij of betrokkene bij de zaak, maar maakt verwijzing ook mogelijk als bijvoorbeeld de rechtbank zelf partij is (bijvoorbeeld bij een geschil over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning) of als sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft.”

73. De verdachte wenst verwijzing naar een ander hof in verband met vooringenomenheid van de raadsheren en het ontbreken van een kans in de procedure. Een dergelijk verzoek tot verwijzing naar een ander hof hangt nogal in de lucht nu ingeval van vooringenomenheid voorzien is in de bijzondere procedure van wraking. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk nog onder ogen gezien of art. 62b RO enige grondslag bood. De maatstaf is in zo’n geval de betrokkenheid van het gerecht. Die maatstaf heeft het hof gebruikt en de gebruikte maatstaf is dus juist. Verder is uit de hierboven geciteerde memorie van toelichting glashelder dat art. 62b RO niet ziet op gevallen van vooringenomenheid. Het oordeel van het hof is niet onjuist, ontoereikend gemotiveerd of onbegrijpelijk.

74. Het zevende middelheeft geen kans van slagen.

75. Het vijfde middel slaagt en de overige middelen falen. De middelen 2, 3, 4 en 7 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

76. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend voor zover het betreft feit 2 in de zaak met parketnummer 18-192987-13 en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?