ECLI:NL:PHR:2021:1175

ECLI:NL:PHR:2021:1175, Parket bij de Hoge Raad, 14-12-2021, 20/03791

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 14-12-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/03791
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2022:152
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen van invoer en vervoer van zeer grote hoeveelheid cocaïne. Falende klacht over bewezenverklaring medeplegen. Slagende klacht over bewezenverklaring van vervoer van 'zeer grote hoeveelheid' cocaïne nu 1,5 kilograam daadwerkelijk is vervoerd, maar overige deel van 3800 kilogram voorafgaand aan vervoer is onderschept. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

Nummer20/03791

Zitting 14 december 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

Inleiding

Het eerste middel

3. Het middel bevat twee klachten over de bewezenverklaring. De eerste klacht houdt in dat de bewezenverklaring van het medeplegen van het invoeren en vervoeren van cocaïne ontoereikend is gemotiveerd in het licht van zowel de bewijsmiddelen als het door de verdediging aangevoerde. De tweede klacht houdt in dat de bewezenverklaring van het vervoeren van ‘een zeer grote hoeveelheid’ cocaïne ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit het verhandelde ter terechtzitting, de uitspraak van het hof en de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de container pas naar Nederland heeft vervoerd nadat de Belgische autoriteiten de 3800 kilogram cocaïne in de container hadden vervangen door “een kleine hoeveelheid van 500 gram”.

4. Voordat ik de klachten bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het hof weer.

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 september 2017 tot en met 18 september 2017 te Breda en elders in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen,

- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 onder 4 van de Opiumwet) en

- opzettelijk heeft vervoerd,

een zeer grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

6. Het hof heeft deze bewezenverklaring gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

“1. een proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd LERCF16008-22, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beide brigadier bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 19 september 2017, als bijlage op pagina’s 178-184, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte [verdachte] op 19 september 2017:

Op pagina 180:

‘’Vraag verbalisanten: Wat kun je zeggen over het feit waarvan je verdacht wordt, het importeren van 3.800 kilogram cocaïne?

Antwoord verdachte: De hoeveelheid verbaast me. Ik wist wel dat er iets in zit, maar zoveel had ik niet gedacht.

Vraag verbalisanten: Wist je dat er drugs in de container zat?

Antwoord verdachte: Ja, want anders hoef ik niet in zo’n loodsje te lossen.

Vraag verbalisanten: Wil je vertellen hoe alles is gelopen met dit transport?

Antwoord verdachte: Anderhalve week geleden werd ik benaderd door dezelfde persoon die mij getipt had om [A] te benaderen als klant. Die man kwam toen naar me toe en vroeg me hoe het ging. Toen vroeg hij of ik een keer ergens kon stoppen binnenkort, Ik vroeg toen wat hij bedoelde en toen gaf hij me een telefoon. Ik hoorde toen dat hij zei dat het we het er maar beter niet ‘zo’ over konden hebben, maar dat de communicatie beter via die telefoon kon gaan, die hij me gaf.

Vraag verbalisanten: Op welke wijze moest je communiceren met die man?

Antwoord verdachte: Teksten.

Vraag verbalisanten: Bedoel je dan sms’en?

Antwoord verdachte: Volgens mij is het een soort geprepareerde telefoon en kun je er niet eens mee bellen. Je gebruikt een soort chatprogramma.

Vraag verbalisanten: En wat vond je daarvan?

Antwoord verdachte: Ik vond het wel raar, maar hij had me die goeie klanten getipt had en dat loopt super. Ik had natuurlijk wel door dat dit niet echt normaal was.

Vraag verbalisanten: Gingen er wel bellen bij je rinkelen?

Antwoord verdachte: Ja, dat wel.

Vraag verbalisanten: Wat werd jou in het vooruitzicht gesteld?

Antwoord verdachte: Er werd gezegd dat er iets leuks tegenover zou staan, maar er zijn geen bedragen genoemd.

Op pagina 181:

Vraag verbalisanten: Wat is zijn naam?

Antwoord verdachte: We hebben nooit namen gebruikt, het enige wat ik weet dat hij in die telefoon stond als ‘ [betrokkene 1] ’.

Op pagina 182:

Vraag verbalisanten: Heb je buiten ‘ [betrokkene 1] ’ nog met anderen contact gehad via die telefoon? Antwoord verdachte: Nee, ik kreeg alle opdrachten van ‘ [betrokkene 1] ’. Wie daar achter zaten weet ik niet.

Vraag verbalisanten: Wat gebeurde er daarna?

Antwoord verdachte: Toen is het een paar dagen stil geweest. Ik denk dat het op woensdag is geweest is dat ik weer een tekstberichtje kreeg op mijn gekregen telefoon. Of ik wilde komen naar een locatie in Etten-Leur, langs de A58. Ik heb toen zelf voorgesteld om naar de Shell benzinepomp te gaan, langs de A58 in Etten-Leur. Ik kreeg een berichtje dat een persoon die in een Citroën Cactus reed bij mij in zou stappen. Ik ben toen met mijn privéauto naar de Shell gegaan. Ik heb geparkeerd en zag even later een Citroën Cactus schuin voor mij parkeren. Ik zag niemand uitstappen, dus ben naar de Citroën gelopen. Ik zag dat er een man in de Citroën zat. Ik vroeg hem wat de bedoeling was, of hij bij in stapte. De man zei toen dat ik maar even achter hem aan moest rijden. Toen reed de man voor mij uit haar de Woonboulevard in Breda en daar parkeerde hij de auto en stapte bij mij in.

Vraag verbalisanten: Hoe ging het verder, toen de man bij je ingestapt was?

Antwoord verdachte: De man zei waar ik heen moest rijden, hij zei dat ik de A16 op moest richting Antwerpen. Eenmaal op de A16 zei hij waar ik eraf moest, dit was op de afslag Hazeldonk, bij de grensovergang. Als je net België in bent zit er aan het einde van het douaneterrein een Dönertentje. Daar moest ik langsrijden en toen vroeg hij ‘’Ken je dit?” Hij wees toen op dat Dönertentje. Ik zei dat ik dat kende. Toen moest ik terugrijden richting Breda. Toen moest ik er bij afslag Prinsenbeek af en toen stuurde hij me naar de loods aan de [a-straat 1] .

Vraag verbalisanten: Wat zei de man over die loods?

Antwoord verdachte: Ik moest een rondje om de loods rijden. We hebben nog even rondgereden om de goede aanrijroute te bekijken. Ik hoorde dat de man zei dat als ik deze twee locaties wist, ik genoeg wist. Hij vertelde dat ik het transport bij de loods op de [a-straat 1] moest afleveren en als iets onverwachts zou gebeuren ik tot nader order bij het Dönertentje moest wachten op instructies. Daarna heb ik de man weer teruggebracht naar zijn auto en ging ieder zijn eigen weg. Vraag verbalisanten: En toen?

Antwoord verdachte: Ik kreeg vrijdagmorgen via dat telefoontje een berichtje met de opdracht om 6 pallets met bananen van [A] op de Keileweg in Rotterdam naar de loods aan de [a-straat] in Breda te brengen. Ik heb dit met een lege koelcontainer gedaan. Ik heb dit toen gedaan.

Vraag verbalisanten: Wie waren er in Breda bij?

Antwoord verdachte: Daar was die jongen van de Citroen Cactus aanwezig.

Vraag verbalisanten: Wie waren daar verder nog?

Antwoord verdachte: Niemand, Ik zag ook alleen de Cactus staan, geen andere auto’s. Dat weet ik zeker.

Op pagina 183:

Vraag verbalisanten: En vervolgens?

Antwoord verdachte: Gistermorgen vroeg kreeg ik een berichtje op het telefoontje, dat een container met 18 op het eind als eerste uitgehaald moest worden. Ik had de papieren al ruim van tevoren van [A] gekregen, zoals altijd. Hij zorgt ook dat ik via de mail de pincode en alle benodigde gegevens krijg. Ik ben naar Antwerpen gegaan en heb me aangemeld op Kaai 212. Ik vroeg toen om de container met eindnummer 18 en toen werd mij gezegd dat deze geblokkeerd was. Toen heb ik gevraagd of één van de andere vier containers die vervoerd moesten worden van dezelfde klant, dan wel op ‘Vrij’ stonden, maar dat was niet het geval. Via het telefoontje kreeg ik van [betrokkene 1] door dat ik maar moest blijven wachten en dat het nooit lang kon duren. Ik had nog een container voor een andere klant in België, dus die ik heb ik nog gelost en weer leeg ingeleverd in Antwerpen. Ik ben daarna weer teruggegaan naar Kaai 212. Toen waren ze wel vrijgegeven. Ik heb toen container 18 gevraagd op eigen initiatief. Daar kreeg ik nog voor op m’n ballen van [betrokkene 1] via het telefoontje. Hij stuurde ‘wachten, nog niet erop zetten’. Ik heb toen even gewacht op antwoord. Ik mocht toen elke andere pakken behalve 18. Ik heb toen een andere meegenomen en die ben ik gaan lossen op de Keileweg. Toen ik dat gedaan had zag ik een berichtje op de telefoon dat ik met spoed container 18 op moest halen. Ik ben toen zo snel mogelijk naar Antwerpen gereden. Om 18:50 uur was ik daar en heb ik de container op de vrachtwagen gezet. [betrokkene 1] vroeg via het telefoontje om een foto van de zegel. Die heb ik gemaakt en gestuurd naar [betrokkene 1] . Zijn reactie hierop was dat ik kon gaan rijden.

Vraag verbalisanten: Kreeg je toen weer instructies via het telefoontje?

Antwoord verdachte: Ja, ik moest voor bij dat Dönertentje op Hazeldonk zetten en daar wat gaan eten. Dat heb ik ook gedaan toen. Het viel me trouwens op dat ik in Antwerpen toen ik de terminal afreed werd gevolgd. Ik heb via het telefoontje doorgegeven dat ik het idee had dat ik gevolgd werd.

Vraag verbalisanten: Goed, je stopte bij het Dönertentje en hebt daar gegeten. En toen?

Antwoord verdachte: Die man van de Cactus was ook binnen in het Dönertentje. Dat was me al verteld en ik had instructie dat ik moest doen alsof ik hem niet kende, dus dit deed ik ook. Toen ik klaar was met eten ben ik in mijn cabine gaan zitten en heb daar wat papierwerk gedaan. Toen kreeg ik een berichtje op het telefoontje dat ik naar de locatie kon gaan rijden.

Toen ik op de [a-straat] aankwam, stond de roldeur van de loods al open en ben ik direct achteruit naar binnen gereden. In de loods was een man met een stofjas aan. Ik had die man nog nooit gezien. De radio stond heel relaxed aan met Marokkaanse muziek en die man deed de roldeur dicht.

Vraag verbalisanten: Wat zei die man?

Op pagina 183-184:

Antwoord verdachte: Die was heel rustig en sloom. Als hij om 5 Euro zou vragen om eten te kopen had ik het ook geloofd. Zeker omdat ik het idee had dat ik iets spannends aan het doen was vond ik dat een beetje een rare gewaarwording, het was gewoon zo’n type opaatje uit de wijk. Hij gaf me keurig een hand en vroeg of hij koffie voor me kon zetten. Ik had het idee dat die man wel wist dat er een vrachtwagen kwam, maar dat hij totaal geen idee had dat er drugs in de vrachtwagen zat. Hij wist ook niet hoeveel er uit moest. Ik heb toen via het telefoontje gevraagd hoeveel eruit moest. Toen werd er gestuurd dat er zes uitgehaald moesten worden en dat die andere die er al stonden terug erin moesten. Ook werd er gestuurd dat er zo nog iemand kwam om alles te verifiëren. Toen was er opeens een hoop herrie en viel de politie binnen.

2. een proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd LERCF16008-50, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beide brigadier bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 21 september 2017, als bijlage op pagina’s 185-187, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte [verdachte] op 21 september 2017:

Op pagina 186:

‘’Antwoord verdachte: Ik wil op dit moment graag gebruik maken van mijn zwijgrecht.

Vraag verbalisanten: De inhoud van je vorige verklaring, klopt die wel? Of zijn er zaken waar je op terug wil komen, of die anders zijn?

Antwoord verdachte: Mijn vorige verklaring klopt voor 100%.

Vraag verbalisanten: Zwijg je omdat jouw rol toch anders is? Of om andere redenen?

Antwoord verdachte: Mijn rol blijft hetzelfde, ik zwijg om andere redenen.”

3. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd LERCF16008-38, opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 20 september 2017, als bijlage op pagina’s 1-2, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:

‘’Op 15 september 2017 werd door de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen, via Europol, onderstaande informatie gedeeld:

‘’Op 15 september 2017 worden een aantal containers gecontroleerd door de douane te Antwerpen. Deze containers zijn toegekomen in de Antwerpse haven vanuit Colombia. Volgende containers werden onder meer gescand [001] .

Deze containers zijn allen bestemd voor de firma [A] BV

Op scanbeelden van container met nummer [001] zijn duidelijk rechthoekige pakketten zichtbaar in de dozen met bananen in minstens twee palletten.

Tijdens de vaststellingen blijkt dat er 5 gecontamineerde paletten worden aangetroffen met hierin 3.397 pakketten cocaïne voor een totaalgewicht van 3.800,4 kilogram.

4. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd LERCF16008-134, opgemaakt door [verbalisant 4] , brigadier bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 7 november 2017, als bijlage op pagina’s 62-68, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:

Op pagina 62:

“Op 16 september 2017 werd in de haven van Antwerpen een container gecontroleerd. In deze container bleek een grote hoeveelheid (3.800 kilogram) cocaïne aanwezig te zijn. De cocaïne werd in beslag genomen en uit de container verwijderd. Een kleine hoeveelheid van 500 gram werd teruggeplaatst in de container. De container werd op 18 september 2017 vrijgegeven en uit informatie van de Belgische politie bleek dat er een transporteur zich had gemeld voor het ophalen van één van de containers. Deze transporteur was daar met een trekker voorzien van kenteken [kenteken 1] .”

5. een proces-verbaal observeren, met als bijlage een activiteitenjournaal, genummerd 170918.N51.26Lockhart, opgemaakt door [verbalisant 5] , inspecteur bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 25 september 2017, als bijlage op pagina’s 3-7A, voor zover inhoudende – zakelijke weergegeven – als relaas van verbalisanten:

Op pagina 5:

‘’Activiteiten-journaal 18 september 2017

Tijdstip 19:14, waarnemer N93, waarnemingen: ik zag dat een vrachtwagencombinatie, bestaande uit een rode trekker met oplegger voorzien van een witte container het terrein verliet.

Tijdstip 19:15, waarnemer N11, waarnemingen: ik zag dat op de achterzijde van de witte container het nummer [001] stond. Ik zag dat de oplegger voorzien was van het kenteken [kenteken 2] .

Tijdstip 19:47, waarnemer N153, waarnemingen: Ik zag dat de trekker van de vrachtwagencombinatie voorzien was van het kenteken [kenteken 1] .”

6. een proces-verbaal doorzoeking, met bijlagen, genummerd LERCF16008-18, opgemaakt door [verbalisant 6] , inspecteur bij de Landelijke Eenheid, gesloten en ondertekend op 21 september 2017, als bijlage op pagina’s 17-29, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:

Op pagina 17:

‘’Op 18 september 2017 werd door mij voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in het bedrijfspand, [a-straat 1] te Breda. In het bedrijfspand werd een trekker met oplegger aangetroffen. De trekker was voorzien van het kenteken [kenteken 1] . De oplegger was voorzien van het kenteken [kenteken 2] . De aangetroffen oplegger bleek te zijn gevuld met pallets waarop dozen met bananen waren gestapeld. In het bedrijfspand werden ook zes pallets met bananen in dozen aangetroffen, die daar kennelijk al eerder waren geplaatst. Deze pallets pasten namelijk niet in de oplegger waaruit slechts drie pallets waren verwijderd.

Op pagina 18:

Voorwerpnummer ZI018.01.02.001

LERCF16008-412360

Blok +/- 500 gram”

7. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd LERCF16008-74, opgemaakt door [verbalisant 7] , hoofdagent bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 26 september 2017, als bijlage op pagina 33, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:

‘’Op 20 september 2017 was ik belast met het controleren van de inhoud van de trailer voorzien van het kenteken [kenteken 2] . De lading van de trailer werd uit de trailer gehaald en gecontroleerd. Ik zag dat uit een bananendoos een rechthoekig blok gehaald werd dat voorzien was van het logo @.com. Dit blok was qua vorm en logo gelijkend op de blokken die op zaterdag 16 september 2017 in de haven van Antwerpen uit dezelfde trailer gehaald waren. Dit blok is door mij in beslag genomen en voorzien van het beslagnummer 09BFG5.04.001.”

8. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd LERCF16008-227, opgemaakt door [verbalisant 8] , inspecteur bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 2 februari 2018, als bijlage op pagina’s 214-217, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:

Op pagina 215:

‘’Hierbij wordt opgemerkt dat in het proces-verbaal LERCF16008-74 (lees het bewijsmiddel onder 7.) vermeldt staat dat dit blok onder nummer 09BFG5.04.001 in beslag is genomen. Dit moet echter het nummer OP54TF.01.002.001. In de rest van het onderzoek is dit goed onder het nummer OP54TF.01.002.001 geregistreerd.”

9. een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, genummerd LERCF16008- 207 en PL2600-201677643-2, opgemaakt door [verbalisant 9] , inspecteur bij de Landelijke Eenheid, en [verbalisant 10] , medewerker bij de Landelijke Eenheid, als bijlage op pagina’s 34-37, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

‘’Op 6 december 2017 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid vermoedelijke verdovende middelen. Deze partij was inbeslaggenomen tijdens een onderzoek aan de [a-straat 1] te Breda.

De partij verdovende middelen bestond uit:

SIN: AAII4458NL

Relatie met SIN: AALE4870NL

Object: Verdovende middelen (cocaïne)

Registratienummer: ZI019.01.02.001

Bijzonderheden: Geperst wit blok in transparante tape

SIN: AAII4459NL

Relatie met SIN: AALE4871NL

Object: Verdovende middelen (cocaïne)

Registratienummer: OP54TF.01.002.001

Bijzonderheden: Geperst wit blok in lichtbruine tape, opschrift @.com

Betreft onderzoek aan SIN: AAII4458NL

Netto hoeveelheid: 512 gram

Uit deze hoeveelheid werd een monster genomen, voorzien van het SIN: AALE4870NL. Dit monster met een hoeveelheid van 4,5 gram netto zal naar het NFI verzonden worden.

De bemonsteringen, bestemd voor het NFI te Den Haag, zullen met een aanvraag tot onderzoek naar de aard en samenstelling van de stof verzonden worden.

Betreft onderzoek aan SIN: AAII4459NL

Netto hoeveelheid: 1.000 gram

Uit deze hoeveelheid werd een monster genomen, voorzien van het SIN: AALE4871NL. Dit monster met een hoeveelheid van 2,8 gram netto zal naar het NFI verzonden worden.

De bemonsteringen, bestemd voor het NFI te Den Haag, zullen met een aanvraag tot onderzoek naar de aard en samenstelling van de stof verzonden worden.”

10. een rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu in Bilthoven van 15 januari 2018, genummerd LERCF16008-226, opgemaakt door de beëdigd deskundige [betrokkene 2] , wetenschappelijk medewerker/GZB, als bijlage op pagina’s 212-213, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

‘’Betreft: Identificatie van drugs en precursoren

Politieregistratienummer PL2600-201677643-2

Onderzoeksmateriaal

Ontvangen van NFI

Datum ontvangst 20 december 2017

Resultaten en conclusie:

De hierna te noemen andere geschriften in de zin van artikel 344, eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, zijnde de door de Belgische autoriteiten in verband met het onderzoek opgestelde processtukken:

Kenmerk Conclusie

AALE4871NL Bevat cocaïne

AALE4870NL Bevat cocaïne”

11. een aanvankelijk proces-verbaal, genummerd nr. 17/D/001292, opgemaakt door [betrokkene 3] , fiscaal deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën te Antwerpen, [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , beiden financieel assistent bij de Federale Overheidsdienst Financiën te Antwerpen, [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , beiden administratief assistent bij de Federale Overheidsdienst Financiën te Antwerpen, en J. Limon, financieel medewerker bij de Federale Overheidsdienst Financiën te Antwerpen, opgemaakt en ondertekent op 18 september 2017, paginanummering 1- 6, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

‘’Op basis van risicoanalyse worden door ons op 14/09/2017 18 containers, waaronder de container [001] , geselecteerd voor scanning en eventueel aanvullende fysieke controle. Op 15/09/2017 worden deze 18 containers gescand. Na analyse wordt één van deze containers, met name [001] , verdacht gezet. Op het scanbeeld van deze container zijn duidelijk pakken met vermoedelijk cocaïne zichtbaar. Op 16/09/2017, omstreeks 09u30 wordt de inhoud van container [001] door ons fysiek gecontroleerd. Hierbij worden in 5 paletten met bananen in totaal 3.397 pakken cocaïne voor een gewicht van 3.800,400 kg aangetroffen. Op 16/09/2017, omstreeks 11 u45, gaan wij op onze burelen over tot inventarisatie en weging van de pakken met cocaïne. Wij tellen:

- 1485 pakken met het logo “@com” voor een gewicht van 1678,300 kg.

- 1343 pakken met het logo “Corona” voor een gewicht van 1507,200 kg.

- 400 pakken met het logo “Yamaha” voor een gewicht van 431,500 kg.

- 169 pakken met het logo “Toyota” voor een gewicht van 183,400 kg.

In totaal tellen wij dus 3397 pakken cocaïne voor een totaalgewicht van 3800,400 kg.”

12. een 1ste navolgend proces-verbaal, genummerd nr. 17/D/OO1292, opgemaakt door [betrokkene 8] , fiscaal deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën te Antwerpen, en [betrokkene 9] , financieel deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën te Antwerpen, opgemaakt en ondertekent op 10 oktober 2017, paginanummering 1-4, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

‘’STAALNAME EN NEERLEGGING

De hierna te noemen bijlagen van het doorgenummerde eindproces-verbaal met betrekking tot onderzoeksnaam 26LOCKHART, bestaande de 1e aanvulling op het zaaksdossier, genummerd LERCF16008-242, en de 2e aanvulling op het zaaksdossier, genummerd LERCF16008-250, respectievelijke paginanummering 212-219 en 220-230, zijnde in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van de Dienst Landelijke Recherche van de Landelijke Eenheid van de politie, opgemaakt door [verbalisant 8] , inspecteur bij de Dienst Landelijke Recherche, gesloten en getekend op respectievelijk 5 juni 2018 en 9 juli 2018:
Het hierna te noemen bewijsmiddel dat is opgenomen in een map met stukken betrekking hebbende op de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis met betrekking tot verdachte:

Op onze burelen wegen wij de volledige partij van 3.397 getapete pakken. Tijdens het tellen stellen wij vast dat er 4 soorten verpakkingen zijn:

1) Gekleurde getapete pakken met een sticker met opschrift “@.COM”;

2) Gekleurde getapete pakken met een sticker met opschrift “CORONA”;

3) Gekleurde getapete pakken met een sticker met opschrift logo van “YAMAHA”;

4) Gekleurde getapete pakken met een sticker met opschrift logo van “CORONA”.

Pakken met sticker @.COM.

Er werden van de pakken cocaïne 39 stalen afgenomen als representatieve monsters. De 39 stalen worden gemerkt als “1”.

Pakken met sticker CORONA.

Er werden van de pakket cocaïne 37 stalen afgenomen als representatieve monsters.

De 37 stalen worden gemerkt als “2”.

Pakken met sticker YAMAHA.

Er werden van de pakken 20 stalen afgenomen als representatieve monsters.

De stalen worden gemerkt als “3”.

Pakken met sticker TOYOTA.

Er werden van de pakken 13 stalen afgenomen als representatieve monsters.

De stalen worden gemerkt als “4”.

De 109 representatieve monsters werden neergelegd op de griffie van de Rechtbank te Antwerpen.”

13. een navolgend proces-verbaal, met bijlagen, genummerd 511852/2018, opgemaakt door [verbalisant 11] , rechercheur, Officier van Gerechtelijke Politie te Antwerpen, opgemaakt en ondertekent op 9 mei 2018, voorzien van een linksonderin als ‘Blz 1/1’ genummerd voorblad en verder bestaande uit het proces-verbaal met rechtsbovenin PV nr. 511852/2018 en twee ontvangstbewijzen, voor zover inhoudende – zakelijke weergegeven – als relaas van verbalisant:

“Op 26.04.2018 gaan wij over tot het afhalen van de representatieve stalen cocaïne die neergelegd werden ter griffie gehecht aan de Rechtbank te Antwerpen, zijnde:

• 39 plastic potjes, elk inhoudende enkele grammen cocaïne gemerkt met het cijfer "1";

• 37 plastic potjes, elk inhoudende enkele grammen cocaïne gemerkt met het cijfer "2"

• 20 plastic potjes, elk inhoudende enkele grammen cocaïne gemerkt met het cijfer "3"

• 13 plastic potjes, elk inhoudende enkele grammen cocaïne gemerkt met het cijfer "4"

Op 07.05.2018 werden te Antwerpen tegen ontvangstbewijs per referentienummer, 3 representatieve stalen cocaïne overhandigd aan de Nederlandse onderzoekers, vereenzelvigd door [verbalisant 12] , gehecht aan de Dienst Landelijke Recherche, Team 13 te Zoetermeer.”

14. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd LERCF16008-236, opgemaakt door [verbalisant 12] , inspecteur bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 15 mei 2018, als bijlage op pagina’s 218-219, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:

“Op 7 mei 2018 werd van de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen een twaalftal ‘stalen’ overgenomen. De betrokken ‘stalen’ betreffen potjes waarin een witte poederachtige substantie aanwezig is. Deze poederachtige substantie was door de Belgische autoriteiten veiliggesteld bij het onderzoek van een inbeslaggenomen partij ‘cocaïne’. De ‘cocaïne’ was op 16 september 2017 aangetroffen in een container voorzien van het nummer [001] .0

Op 16 september 2017 werd middels een indicatieve test vastgesteld dat het om cocaïne zou gaan. Om de betrokken ‘stalen’ in Nederland te onderzoeken werd middels een Europees Onderzoekbevel aan de Belgische autoriteiten verzocht de betrokken ‘stalen’ aan het onderzoeksteam in Nederlànd over te dragen.

De bevindingen met betrekking tot het veiligstellen van de betrokken ‘stalen’ werden in België geregistreerd onder nummer AN.60.DA. 1292/2017.

De betrokken ‘stalen’ zijn vervolgens door mij in beslag genomen en onder de navolgende nummers geregistreerd.

EU045.01.01.001 Afkomstig van pakket ‘(@).com’

EU045.01.01.002 Afkomstig uit pakket ‘(@).com’

EU045.01.01.003 Afkomstig uit pakket ‘(@).com’

EU045.01.02.001 Afkomstig uit pakket ‘Corona’

EU045.01.02.002 Afkomstig uit pakket ‘Corona’

EU045.01,02.003 Afkomstig uit pakket ‘Corona’

EU045.01.03.001 Afkomstig uit pakket ‘Yamaha’

EU045.01.03.002 Afkomstig uit pakket ‘Yamaha’

EU045.01.03.003 Afkomstig uit pakket ‘Yamaha’

EU045.01.04.001 Afkomstig uit pakket ‘Toyota’

EU045.01.04.002 Afkomstig uit pakket ‘Toyota’

EU045.01.04.003 Afkomstig uit pakket ‘Yamaha’

15. een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, genummerd LERCF16008-244 en PL2600-2016077643-4, opgemaakt door [verbalisant 13] , brigadier bij de Landelijke Eenheid, en [verbalisant 14] , hoofdagent bij de Landelijke Eenheid, gesloten en getekend op 30 mei 2018, als bijlage op pagina’s 220-222, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:

‘’Op 30 mei 2018 werd door de Forensisch Opsporing een onderzoek ingesteld. Het onderzoek vond plaats aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen.

De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:

SIN: AALUI835NL

Registratienummer: EU045.01.01.001

Bijzonderheden: 1 plastic koker met witte substantie

SIN: AALUI865NL

Registratienummer: EU045.01.02.002

Bijzonderheden: 1 plastic koker met witte substantie

SIN: AALUI837NL

Registratienummer: EU045.01.03.003

Bijzonderheden: 1 plastic koker met witte substantie

SIN: AALUI838NL

Registratienummer: EU045.01.04.001

Bijzonderheden: 1 plastic koker met witte substantie

Betreft onderzoek aan SIN: AALU1835NL

Netto hoeveelheid: 0,60 gram

Het geheel van 0,60 gram zal als monster verzonden worden naar het NFI. De bemonsteringen, bestemd voor het NFI te Den Haag zullen met een aanvraag tot een onderzoek naar de aard en samenstelling van de stof, verzonden worden.

Betreft onderzoek aan SIN: AALU1836NL

Netto hoeveelheid: 0,74 gram

Het geheel van 0,74 gram zal als monster verzonden worden naar het NFI. De bemonsteringen, bestemd voor het NFI te Den Haag zullen met een aanvraag tot een onderzoek naar de aard en samenstelling van de stof, verzonden worden.

Betreft onderzoek aam SIN: AALU1837NL

Netto hoeveelheid: 0,74 gram

Het geheel van 0,74 gram zal als monster verzonden worden naar het NFI. De bemonsteringen, bestemd voor het NFI te Den Haag zullen met een aanvraag tot een onderzoek naar de aard en samenstelling van de stof, verzonden worden.

Betreft onderzoek aan SIN: AALU1837NL

Netto hoeveelheid: 0,74 gram

Het geheel van 0,64 gram zal als monster verzonden worden naar het NFI. De bemonsteringen, bestemd voor het NFI te Den Haag zullen met een aanvraag tot een onderzoek naar de aard en samenstelling van de stof, verzonden worden.”

16. een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut in Den Haag van 4 juni 2018, genummerd LERCF16008-247, opgemaakt door de beëdigd deskundige ing. P.H. Walinga, als bijlage op pagina’s 223-224, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

‘’Betreft: Identificatie van drugs en precursoren

Politieregistratienummer PL2600-2016077643-4

Resultaten en conclusie:

Kenmerk Conclusie

AALU1835NL Bevat cocaïne

AALU1836NL Bevat cocaïne

AALU1837NL Bevat cocaïne

AALU1838NL Bevat cocaïne”

17. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling op grond van artikel 59a Sv en op vordering bewaring op grond van artikel 63 Sv, voor zover inhoudende – zakelijke weergegeven – als verklaring van verdachte [verdachte], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle op 22 september 2017:

‘’Ik blijf bij de verklaring die ik bij de politie heb afgelegd. Ik heb daar alles verteld wat ik wist.”

7. Het hof heeft in zijn uitspraak de volgende bewijsoverweging opgenomen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Op vrijdag 15 september 2017 is een viertal containers met bananen vanuit Colombia de haven van Antwerpen binnengekomen. Deze containers waren bestemd voor [A] B.V. en zijn gecontroleerd door de douane in Antwerpen. Verdachte werkte op dat moment als (zelfstandig) vrachtwagenchauffeur voor zijn opdrachtgever [A] B.V. Bij de controle door de Belgische douane is vastgesteld dat in vijf pallets bananendozen van de container met nummer [001] in totaal 3.397 pakketten met cocaïne zaten met een totaalgewicht van 3.800,4 kilogram. De Belgische autoriteiten hebben deze cocaïne uit de container gehaald en daarbij is uiteindelijk, na afstemming met de Nederlandse opsporingsautoriteiten, een hoeveelheid van 500 gram cocaïne teruggeplaatst. Op maandag 18 september 2017 is de container vrijgegeven. Daarop heeft [verdachte] onder meer deze container met zijn vrachtwagen met oplegger opgehaald uit de haven van Antwerpen. [verdachte] is diezelfde avond met de container naar een loods aan de [a-straat 1] in Breda gereden en was net bezig met het lossen van de pallets met bananendozen op het moment dat de politie de loods binnen viel. Verdachte en de eigenaar van de loods, medeverdachte [betrokkene 10] , zijn daarop aangehouden. Bij nader onderzoek is gebleken dat in de container naast de teruggeplaatste 500 gram cocaïne, tevens nog een blok met ongeveer één kilogram cocaïne aanwezig was.

Het hof dient in deze zaak de volgende vragen te beantwoorden:

1) heeft verdachte opzet gehad op – kort gezegd – de invoer van drugs; en, zo ja,

2) op welke hoeveelheid drugs was zijn opzet dan gericht? Op de uit Colombia afkomstige 3.800 kilogram cocaïne of op de door de politie in de loods uiteindelijk aangetroffen hoeveelheid?; en

3) kan verdachte ten aanzien van het bewezen te verklaren strafbare feit worden aangemerkt als (mede)pleger of medeplichtige.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Ad 1: Voor wat betreft opzet

Voor het kunnen aannemen van opzet op de invoer van drugs is noodzakelijk dat komt vast te staan dat bij verdachte de wetenschap, althans in elk geval een vermoeden, bestond dat zich in de betreffende container, die door hem vanuit de haven van Antwerpen naar Breda is vervoerd, drugs bevonden.

Het hof stelt in dit verband vast dat verdachte in zijn eerste inhoudelijke verklaring bij de politie op 19 september 2017 in aanwezigheid van zijn toenmalige raadsvrouw uitgebreid heeft verklaard over de gang van zaken op 18 september 2017 en de periode daarvoor. Hij heeft daarbij ook verklaard over wat hij wist over de inhoud van de container. Nadat door de politie eerst wat vragen zijn gesteld over zijn persoonlijke omstandigheden verklaart verdachte daarover als volgt (V = vraag, A = antwoord):

“V: Wat kun je zeggen over het feit waarvan je verdacht wordt, het importeren van 3.800 kilo cocaïne?

A: De hoeveelheid verbaast me. Ik wist wel dat er iets in zit, maar zoveel had ik niet gedacht.

V: Wist je dat er drugs in de container zat?

A: Ja, want anders hoef ik niet in zo’n loodsje te lossen.

V: Wat bedoel je precies met ‘zo’n loodsje’?

A: Normaal los ik op de Keileweg [...] in Rotterdam, naar [A] .”

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat met ‘zo’n loodsje’ wordt bedoeld de loods aan de [a-straat 1] in Breda.

Het hof stelt vast dat verdachte op pagina 6 onderaan van hetzelfde verhoor nogmaals verklaart over de inhoud van de container. Het gaat daarbij om de volgende passage die ter terechtzitting in hoger beroep aan de verdachte is voorgehouden:

“A: Toen ik op de [a-straat] aankwam, stond de roldeur van de loods al open en ben ik direct achteruit naar binnen gereden. In de loods was een man met een stofjas aan. (...)

V: Wat zei die man?

A: Die was heel rustig en sloom. Als hij om vijf Euro zou vragen om eten te kopen had ik het ook geloofd. Zeker omdat ik het idee had dat ik iets spannends aan het doen was vond ik dat een beetje een rare gewaarwording, het was gewoon zo’n type opaatje uit de wijk. Hij gaf me keurig een hand en vroeg of hij koffie voor me kon zetten. Ik had het idee dat die man wel wist dat er een vrachtwagen kwam, maar dat hij totaal geen idee had dat er drugs in de vrachtwagen zat.”

Door en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte van tevoren niet heeft geweten dat de container die hij in de haven van Antwerpen moest ophalen drugs zou bevatten. Dat zich in de zes pallets met bananendozen die hij moest lossen in de loods in Breda drugs bevonden, is hem pas bekend geworden, nadat hij door de politie was aangehouden en hij daarmee werd geconfronteerd. De aan hem voorgehouden passages uit zijn politieverklaring, zijn verkeerd in het proces-verbaal van verhoor opgenomen en wekken daardoor ten onrechte de indruk dat verdachte voorafgaand aan het vervoer van de container wist dat er drugs in zaten. Een en ander is in elk geval op zo’n manier in het proces-verbaal weergegeven dat dit achteraf verkeerd geïnterpreteerd kan worden. Verdachte en zijn raadsman hebben ter toelichting nog opgemerkt dat aan verdachte na zijn aanhouding is meegedeeld waarvoor hij was aangehouden en dat hij in de nacht voor zijn verhoor in zijn cel is gaan nadenken over die verdenking. Verdachte heeft bij zijn verhoor duidelijk bedoeld aan te geven dat hij achteraf bezien inmiddels wel beter weet, maar dat het niet zo is geweest dat hij vooraf wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in de container. Met name indien de betreffende passages in de context van de volledige verklaring worden gelezen kan er geen misverstand over bestaan dat verdachte pas achteraf op de hoogte is geraakt van de inhoud van de container, aldus de raadsman.

Het hof volgt de verdediging niet in haar uitleg en waardering van de door verdachte gedane, hiervoor vermelde, uitspraken tijdens zijn eerste verhoor op 19 september 2017. Het hof is van oordeel dat het gaat om een verklaring waarin verdachte op verschillende momenten op niet mis te verstane wijze aangeeft dat hij wist dat hij drugs vervoerde en moest afleveren bij een loods in Breda. Zijn verklaring is taalkundig bezien niet voor tweeërlei uitleg vatbaar, zodat alleen al om die reden geen sprake kan zijn van misinterpretatie, ook niet indien de betreffende passages worden gelezen in de context van de rest van zijn eerste inhoudelijke verklaring.

Feiten of omstandigheden die reden zouden kunnen zijn te twijfelen aan de wijze waarop de verklaringen van verdachte bij de politie tot stand zijn gekomen en daarmee aan de betrouwbaarheid van de inhoud van die verklaringen zijn naar het oordeel van het hof evenmin aannemelijk geworden.

Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat verdachte zijn eerste verklaring – die door hem na doorlezing ervan is ondertekend – heeft bevestigd in zijn tweede verklaring bij de politie, afgelegd op 21 september 2017. Hij heeft toen, opnieuw in aanwezigheid van zijn toenmalige raadsman, verklaard dat zijn vorige verklaring inhoudelijk voor honderd procent klopt, dat zijn rol hetzelfde blijft en dat hij om andere redenen op advies van zijn raadsman wenst te zwijgen. Opvallend in dit verband is dat de verdachte ook bij gelegenheid van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris op 22 september 2017, waar verdachte inmiddels werd bijgestaan door zijn huidige raadsman, niet is teruggekomen op zijn eerdere verklaring. Ook toen heeft verdachte verklaard dat hij bleef bij zijn verklaring zoals hij die bij de politie heeft afgelegd en dat hij alles had verteld wat hij wist.

Het hof stelt vast dat verdachte pas bij gelegenheid van de behandeling in eerste aanleg is teruggekomen op zijn eerdere verklaringen en is van oordeel dat verdachte daar geen plausibele reden voor opgeeft. Het hof hecht daarom geen geloof aan de andersluidende verklaringen die verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank en in hoger beroep op dit punt heeft afgelegd en zal verdachte houden aan zijn eerste verklaring bij de politie en die tot bewijs bezigen.

Het voorgaande betekent dat het hof ervan uitgaat dat verdachte van te voren wist dat hij drugs zou gaan invoeren in Nederland en dat het niet om bananen ging maar om een hoeveelheid drugs die hij moest afleveren bij de loods aan de [a-straat] te Breda. Daarmee acht het hof (vol) opzet op het binnen het grondgebied van Nederland brengen en vervoeren van drugs zoals primair ten laste gelegd bewezen.

Ad 2 en 3: Op welke hoeveelheid drugs was verdachtes opzet gericht en kan verdachte worden aangemerkt als (mede)pleger of als medeplichtige?

Door de raadsman is aangevoerd, kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat voor zover kan worden gesproken van invoer, slechts sprake kan zijn van de daadwerkelijk vanuit de haven in Antwerpen in Nederland ingevoerde en in de loods aangetroffen hoeveelheid, namelijk de door de Belgische douane teruggeplaatste hoeveelheid van 500 gram. Indien het hof de invoer van drugs bewezen acht, kan verdachte hoogstens als medeplichtige aan die invoer worden aangemerkt doordat hij heeft gezorgd voor het vervoer van de cocaïne.

Het hof is van oordeel dat op grond van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de verlengde invoer en het vervoeren van ongeveer 3.800 kilogram cocaïne. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Onder verlengde invoer valt volgens artikel 1, vierde lid van de Opiumwet elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling met betrekking tot de verdovende middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn. Volgens (vaste) jurisprudentie vallen ook handelingen die een verdachte heeft verricht vóór de daadwerkelijke invoer van zodanige verdovende middelen reeds onder het begrip “op verder vervoer gerichte handeling”.

In dit verband stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte is ongeveer anderhalve week voor zijn aanhouding in een wegrestaurant benaderd door een hem overigens onbekende persoon. Verdachte had deze man slechts éénmaal eerder gezien en deze persoon had verdachte eerder getipt over verdachtes (toenmalige) opdrachtgever [A] B.V. Tijdens de tweede ontmoeting heeft deze persoon verdachte gevraagd of hij “een keer ergens kon stoppen binnenkort”. Daar zou voor verdachte ‘iets leuks’ tegenover staan. Verdachte heeft daarmee ingestemd en ontving toen van deze persoon een (geprepareerde) telefoon en de instructie dat ze “het er maar beter niet ‘zo’ over konden hebben” en dat de communicatie via die telefoon zou verlopen. Verdachte heeft verklaard dat hij met die telefoon niet kon bellen maar dat hij daarmee alleen tekstberichten kon versturen. Verdachte ontving op de telefoon vervolgens tekstberichten van een persoon die door de telefoon is aangemerkt als ‘ [betrokkene 1] ’. Desgevraagd heeft verdachte bij de politie aangegeven dat hij die manier van communiceren wel raar vond en wel door had dat het niet echt normaal was. Enkele dagen daarna kreeg verdachte op die telefoon een bericht met de vraag om iemand te ontmoeten bij een tankstation langs de A58. Op donderdag 14 september 2017 heeft verdachte daar een hem onbekende man in een Citroen Cactus ontmoet. Verdachte is samen met die onbekende man en op diens instructie een route gaan rijden die hem voerde richting de haven van Antwerpen en van daaruit richting de loods aan de [a-straat 1] in Breda. Verdachte kreeg daarbij diverse instructies, waaronder de instructie dat hij bij een vooraf bepaalde horecagelegenheid moest wachten als er iets onverwachts zou gebeuren. Op vrijdag 15 september 2017 ontving verdachte via de geprepareerde telefoon berichten dat hij zes pallets met bananen moest ophalen bij [A] B.V. en dat deze pallets afgeleverd moesten worden in de loods aan de [a-straat 1] in Breda. Bij het lossen van die pallets in Breda zag verdachte de hem onbekende man van de Citroen Cactus weer.

Op zondagochtend 17 september 2017 kreeg verdachte via de telefoon te horen dat hij de container met het eindnummer achttien als eerste moest ophalen. Toen op maandag 18 september 2017 bleek dat deze container nog geblokkeerd was heeft verdachte contact opgenomen via de telefoon. Hij kreeg te horen dat hij moest wachten tot de container werd vrijgegeven. Toen de container enige tijd later was vrijgegeven, heeft verdachte die container op eigen initiatief opgeladen. Via de telefoon ontving verdachte op dat moment het bericht dat de container met eindnummer achttien nog niet mocht worden gehaald. Daarop heeft verdachte de container met eindnummer achttien ingewisseld voor een andere container, welke container verdachte vervolgens heeft gelost bij [A] B.V. aan de Keileweg in Rotterdam. Toen verdachte die container had gelost, kreeg hij een bericht op de telefoon dat de container met eindnummer achttien met spoed moest worden opgehaald. Verdachte heeft toen de container met eindnummer achttien opgehaald in Antwerpen en is richting de [a-straat 1] in Breda gegaan. Eenmaal daar kreeg verdachte via de telefoon nog instructies om de door verdachte eerder daar afgeleverde pallets om te wisselen voor de zes pallets in de container. Verdachte heeft daarop de zegel van de container verbroken en heeft toen actief meegeholpen met het uitladen van de pallets in de container.

Het hof stelt op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden vast dat verdachte zowel betrokken is geweest bij de voorbereiding van de verlengde invoer in Nederland – vanuit Antwerpen – als bij de daadwerkelijk invoer, het transport en de uiteindelijke aflevering van de drugs in de loods. Uit het voorgaande blijkt van een nauwe, bewuste en intensieve samenwerking tussen verdachte en anderen bij zowel de voorbereiding als de uitvoering van het feit. De voorbereidende handelingen hebben plaatsgevonden vóór de inbeslagname van de cocaïne door de Belgische autoriteiten. Die handelingen kunnen niet anders worden opgevat dan als handelingen die zijn gericht op het verder vervoeren van de cocaïne. De bijdrage die verdachte door zijn handelen heeft geleverd aan de voltooiing van het delict kan worden aangemerkt als significant en gaat verder dan het enkel optreden als vervoerder van de drugs. Het hof beschouwt verdachte daarom als medepleger van de (verlengde) invoer en het vervoer van de drugs. Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat aan hem een beloning in het vooruitzicht is gesteld, dat hij voorafgaand aan de invoer met een mededader de te rijden route heeft verkend en dat hij eerder zogenaamde ‘wisselpallets’ heeft opgehaald in Rotterdam en deze heeft gelost in de loods in Breda met het oog op de doorvoer in Nederland.

Voorwaardelijk opzet op een zeer grote hoeveelheid cocaïne

Door en namens de verdachte is betoogd dat zijn opzet op de invoer van drugs niet op een grotere hoeveelheid cocaïne betrekking kan hebben dan de aangetroffen hoeveelheid en dat zijn opzet dus niet gericht was op de uit Colombia afkomstige hoeveelheid van ongeveer 3.800 kilogram.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte kan als professioneel vervoerder ermee bekend worden verondersteld dat zes pallets bananen een aanzienlijk (totaal)gewicht kunnen hebben. In het licht van verdachtes wetenschap dat hij zich inliet met de invoer van drugs in Nederland doormiddel van pallets bananen en in het bijzonder gezien zijn substantiële rol in de voorbereiding met betrekking tot de zes ‘wisselpallets’, is het hof van oordeel dat verdachte, door verder geen informatie in te winnen en geen vragen te stellen met betrekking tot de hoeveelheid drugs die hij zou gaan vervoeren, zich willens en wetens aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld – en die kans ook heeft aanvaard – dat hij zich door zijn handelen schuldig zou maken aan het invoeren van een zeer grote hoeveelheid drugs. Dat uiteindelijk dankzij justitieel ingrijpen in België slechts een geringe hoeveelheid van de oorspronkelijke 3.800 kilogram cocaïne daadwerkelijk is doorgelaten door de autoriteiten, doet daar niet aan af.”

De eerste klacht: medeplegen?

8. De klacht houdt in dat de bewezenverklaring van het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd in het licht van “hetgeen door de verdediging is aangevoerd en hetgeen het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld”. Daartoe wordt allereerst aangevoerd dat de rol van de verdachte – het verrichten van uitvoeringshandelingen en het daarbij opvolgen van instructies – slechts duidt op medeplichtigheid en niet op medeplegen. Verder wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt het door het hof overwogene, ik citeer de stellers van het middel, “dat verdachte (kennelijk) wist dat de door hem opgehaalde 6 pallets ‘wisselpallets’ waren en dat hij […] eerder die pallets met bananen in Breda had gelost met het oog op de doorvoer naar Nederland”. Volgens de stellers van het middel volgt uit de bewijsmiddelen veeleer dat de verdachte door degene die hem voor het karretje heeft gespannen zo veel mogelijk onwetend werd gelaten en dat de verdachte de hoeveelheid aangetroffen kilo’s niet heeft verwacht en daarover verbaasd was.

9. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld wat de Hoge Raad over het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid heeft overwogen:

“3.1. […] In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. […] Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. […]

In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.

3.2.1. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.

Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. […] Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" […].

3.2.2. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. […]

3.2.3. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. […] Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. […]”

10. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging – zakelijk weergegeven – de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld met betrekking tot de bijdrage die de verdachte heeft geleverd aan de invoer en het vervoeren van ongeveer 3800 kilogram cocaïne en de samenwerking daarbij met andere betrokkenen.

(i) De verdachte is gevraagd of hij een keer ergens kon stoppen in ruil voor ‘iets leuks’, heeft daarmee ingestemd en ontving toen een (geprepareerde) telefoon en de instructie dat de communicatie via die telefoon zou verlopen.

(ii) De verdachte kreeg enkele dagen daarna op die telefoon een bericht met de vraag iemand te ontmoeten bij een tankstation. De verdachte heeft daar op donderdag 14 september 2017 een hem onbekende man ontmoet en is samen met die man en op diens instructie een route gaan rijden richting de haven van Antwerpen en van daaruit richting een loods in Breda. De verdachte kreeg daarbij instructies, waaronder de instructie dat hij bij een vooraf bepaalde horecagelegenheid moest wachten als er iets onverwachts zou gebeuren.

(iii) De verdachte ontving op vrijdag 15 september 2017 via de telefoon berichten dat hij zes pallets met bananen moest ophalen en dat deze pallets afgeleverd moesten worden in de betreffende loods in Breda. De verdachte heeft de pallets aldaar gelost.

(iv) De verdachte kreeg op zondag 17 september 2017 via de telefoon te horen dat hij de container met het eindnummer achttien als eerste moest ophalen. De verdachte heeft, toen op maandag 18 september 2017 bleek dat deze container nog geblokkeerd was, contact opgenomen via de telefoon en kreeg te horen dat hij moest wachten tot de container werd vrijgegeven. De verdachte heeft, toen de container enige tijd later was vrijgegeven, die container op eigen initiatief opgeladen. De verdachte ontving op dat moment via de telefoon het bericht dat de container met eindnummer achttien nog niet mocht worden gehaald en heeft daarop de container met eindnummer achttien ingewisseld voor een andere container, welke container de verdachte vervolgens heeft gelost. Toen hij die container had gelost, kreeg de verdachte een bericht op de telefoon dat de container met eindnummer achttien met spoed moest worden opgehaald en heeft toen de container met eindnummer achttien opgehaald in Antwerpen en is richting Breda gegaan. De verdachte kreeg eenmaal daar via de telefoon instructies om de door de verdachte eerder daar afgeleverde pallets om te wisselen voor de zes pallets in de container, heeft daarop de zegel van de container verbroken en heeft toen meegeholpen met het uitladen van de pallets in de container.

11. Het hof heeft uit deze feiten en omstandigheden afgeleid dat de verdachte betrokken is geweest bij zowel de voorbereiding van de verlengde invoer in Nederland – vanuit Antwerpen – als bij de daadwerkelijke invoer, het transport en de uiteindelijke aflevering van de drugs in de loods in Breda. Volgens het hof blijkt hieruit van een nauwe, bewuste en intensieve samenwerking tussen de verdachte en anderen bij zowel de voorbereiding als de uitvoering van het feit. Volgens het hof kan de bijdrage van de verdachte aan de voltooiing van het delict worden aangemerkt als significant en gaat die bijdrage verder dan het enkel optreden als vervoerder van de drugs.

12. Dit oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk. In het licht van de door de Hoge Raad gestelde criteria neem ik daarbij in aanmerking dat het hof vaststellingen heeft gedaan waaruit blijkt dat er een onderlinge taakverdeling was, dat de verdachte een cruciale rol heeft gespeeld bij de uitvoering van het delict, dat de verdachte aanwezig is geweest bij de voorbereiding en de uitvoering van het delict en dat hij zich daarbij niet heeft teruggetrokken. Uit dat geheel heeft het hof de bewezenverklaring van het medeplegen kunnen afleiden.

13. Voor zover nog wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt het door het hof overwogene, ik citeer de stellers van het middel, “dat verdachte (kennelijk) wist dat de door hem opgehaalde 6 pallets ‘wisselpallets’ waren en dat hij […] eerder die pallets met bananen in Breda had gelost met het oog op de doorvoer naar Nederland”, merk ik het volgende op.

14. Het gaat de stellers van het middel kennelijk om het volgende deel van de bewijsoverweging van het hof:

“Het hof beschouwt verdachte daarom als medepleger van de (verlengde) invoer en het vervoer van de drugs. Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen […] dat hij eerder zogenaamde ‘wisselpallets’ heeft opgehaald in Rotterdam en deze heeft gelost in de loods in Breda met het oog op de doorvoer in Nederland.”

15. Het eerste bewijsmiddel houdt mede met betrekking tot het afleveren van ‘wisselpallets’ het volgende in:

“Vraag verbalisanten: Hoe ging het verder, toen de man bij je ingestapt was?

Antwoord verdachte: De man zei waar ik heen moest rijden, hij zei dat ik de A16 op moest richting Antwerpen. Eenmaal op de A16 zei hij waar ik eraf moest, dit was op de afslag Hazeldonk, bij de grensovergang. Als je net België in bent zit er aan het einde van het douaneterrein een Dönertentje. Daar moest ik langsrijden en toen vroeg hij ‘’Ken je dit?” Hij wees toen op dat Dönertentje. Ik zei dat ik dat kende. Toen moest ik terugrijden richting Breda. Toen moest ik er bij afslag Prinsenbeek af en toen stuurde hij me naar de loods aan de [a-straat 1] .

Vraag verbalisanten: Wat zei de man over die loods?

Antwoord verdachte: Ik moest een rondje om de loods rijden. We hebben nog even rondgereden om de goede aanrijroute te bekijken. Ik hoorde dat de man zei dat als ik deze twee locaties wist, ik genoeg wist. Hij vertelde dat ik het transport bij de loods op de [a-straat 1] moest afleveren en als iets onverwachts zou gebeuren ik tot nader order bij het Dönertentje moest wachten op instructies. Daarna heb ik de man weer teruggebracht naar zijn auto en ging ieder zijn eigen weg. Vraag verbalisanten: En toen?

Antwoord verdachte: Ik kreeg vrijdagmorgen via dat telefoontje een berichtje met de opdracht om 6 pallets met bananen van [A] op de Keileweg in Rotterdam naar de loods aan de [a-straat] in Breda te brengen. Ik heb dit met een lege koelcontainer gedaan. Ik heb dit toen gedaan.

Vraag verbalisanten: Wie waren er in Breda bij?

Antwoord verdachte: Daar was die jongen van de Citroen Cactus aanwezig.

Vraag verbalisanten: Wie waren daar verder nog?

Antwoord verdachte: Niemand, Ik zag ook alleen de Cactus staan, geen andere auto’s. Dat weet ik zeker.”

16. Uit dit bewijsmiddel blijkt dat de verdachte de instructie heeft gekregen om voorafgaand aan het transport vanuit Antwerpen naar de loods in Breda zes pallets met bananen in die loods af te leveren. Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, heeft het hof uit dit bewijsmiddel de conclusie kunnen trekken dat het afleveren van de pallets in Breda door de verdachte kennelijk bedoeld was voor de latere doorvoer in Nederland van hetgeen in Antwerpen door de verdachte zou worden opgehaald.

17. De klacht faalt in al haar onderdelen.

De tweede klacht: een zeer grote hoeveelheid cocaïne?

18. De klacht houdt in dat de bewezenverklaring van het vervoeren van ‘een zeer grote hoeveelheid’ cocaïne ontoereikend is gemotiveerd. Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging overwogen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het vervoeren van 3800 kilogram cocaïne. Volgens de stellers van het middel volgt uit het verhandelde ter terechtzitting, de uitspraak van het hof en de bewijsmiddelen echter dat de verdachte de container pas naar Nederland heeft vervoerd nadat de Belgische autoriteiten de 3800 kilogram cocaïne in de container hadden vervangen door “een kleine hoeveelheid van 500 gram”.

19. Het hof heeft het vervoer van ‘een zeer grote hoeveelheid’ cocaïne bewezenverklaard en heeft die ‘zeer grote hoeveelheid’ in zijn bewijsoverweging gespecificeerd als ongeveer 3800 kilogram. Het hof heeft echter ook vastgesteld dat van die 3800 kilogram cocaïne slechts ongeveer 1,5 kilogram daadwerkelijk is vervoerd, omdat de rest van de cocaïne voorafgaand aan het vervoer in België is onderschept. Uitgaande van die vaststelling, had het hof niet zonder meer tot een bewezenverklaring van het vervoer van ‘een zeer grote hoeveelheid’ cocaïne kunnen komen. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

20. De klacht is gegrond en moet tot cassatie leiden omdat niet kan worden gezegd dat de verdachte onvoldoende te respecteren belang bij cassatie heeft. Daarvoor acht ik van belang dat uit de bewijsvoering volgt dat niet alleen de vervoerde, maar ook de in Nederland ingevoerde hoeveelheid cocaïne feitelijk ‘slechts’ 1,5 kilo cocaïne bedroeg, zodat het hof evenmin zonder meer bewezen heeft kunnen verklaren dat de verdachte een ‘zeer grote hoeveelheid’ (van 3800 kilogram) cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. In dat verband merk ik het volgende op.

21. De reikwijdte van het bestanddeel ‘binnen het grondgebied brengen’ in art. 2 onder A Opiumwet is ruimer dan in het dagelijks spraakgebruik. Voor de reikwijdte van dit bestanddeel geldt een uitbreiding aan de achterkant: ook gedragingen die op het verdere vervoer of de opslag van de verdovende middelen na de feitelijke invoer daarvan zijn gericht kunnen worden aangemerkt als ‘binnen het grondgebied brengen’. Voorwaarde voor een voltooide (verlengde) invoer van verdovende middelen – zoals in de onderhavige zaak is tenlastegelegd en bewezenverklaard – is echter altijd dat de betreffende hoeveelheid verdovende middelen Nederland feitelijk is binnengekomen. Als dat laatste niet het geval is, bijvoorbeeld omdat het drugstransport in het buitenland is onderschept, kan onder omstandigheden wel sprake zijn van poging tot binnen het grondgebied brengen of van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet.

Slotsom

22. Het middel slaagt.

Het tweede middel

23. Het middel bevat de klacht dat het kennelijke oordeel van het hof dat sprake is van meerdaadse samenloop in plaats van eendaadse samenloop of voortgezette handeling niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de bewezenverklaarde handelingen een feitencomplex op dezelfde tijd en plaats opleveren, terwijl de strekking van de bewezenverklaarde strafbare feiten – de verlengde invoer en het vervoer van cocaïne – niet verschilt. Dat zou de kwalificatie en/of de strafoplegging aantasten.

24. Omdat mijn conclusie met betrekking tot het eerste middel al meebrengt dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd, hoeft het tweede middel niet te worden besproken. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik uiteraard tot nader concluderen bereid.

Slotsom

25. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel hoeft niet te worden besproken.

26. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?