Nummer21/04774
Zitting 17 december 2021
CONCLUSIE
T. Hartlief
In het cassatieberoep van
[verzoekster] B.V.
gericht tegen de beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021
1. Bij brief van 3 november 2021 met bijlagen heeft [betrokkene 1] namens [verzoekster] B.V. cassatieberoep beoogd in te stellen tegen de beslissing van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021 (zaaknummer 200.301.704/01). In die beslissing heeft de wrakingskamer [verzoekster] B.V. kort gezegd niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam. De brief bevat verder een “incidenteel verzoek” met als inhoud dat Uw Raad beveelt dat de hoofdzaak bij de rechtbank Haarlem (lees: Noord-Holland, A-G) wordt aangehouden tot Uw Raad zijn oordeel heeft geveld over het cassatieberoep. Ik zal deze brief, hoewel deze niet de uiterlijke kenmerken daarvan draagt, gemakshalve aanduiden als ‘procesinleiding’.
2. Bij brief van 11 november 2021 heeft de griffie van de Hoge Raad aan [betrokkene 1] gemeld dat het cassatieberoep niet op de voorgeschreven wijze is aangebracht, te weten door indiening van een procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad door een advocaat bij de Hoge Raad die [verzoekster] B.V. in het geding zal vertegenwoordigen. De griffie heeft, naar ik begrijp, de brief van 3 november 2021 met bijlagen geretourneerd.
3. Vervolgens heeft [betrokkene 1] zich per brief van 11 november 2011 – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat een cassatieberoep tegen een wrakingsbeslissing zonder tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad kan worden ingesteld, waarbij hij heeft gewezen op het ontbreken van rechtspraak van Uw Raad daarover. In de brief wordt ‘nogmaals’ cassatieberoep ingesteld en wordt het ‘incidenteel verzoek’ herhaald.
4. Op grond van art. 426a Rv dient het cassatieberoep in een verzoekzaak te worden aangebracht door middel van een procesinleiding die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Mij ontgaat waarom voor een cassatieberoep gericht tegen een beslissing van de wrakingskamer een uitzondering zou gelden. Overigens volgt uit art. 39 lid 5 Rv dat – behoudens een beroep op een doorbrekingsgrond – geen voorziening en dus ook geen cassatieberoep tegen een dergelijke beslissing openstaat.
5. De procesinleiding is niet getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Het verzuim om art. 426a Rv in acht te nemen, kan volgens vaste rechtspraak van Uw Raad worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid, waarop [verzoekster] B.V. door de griffie van de Hoge Raad bij brief van 16 november 2021 is gewezen, is geen gebruik gemaakt. Bij brief van 16 november 2021 heeft [betrokkene 1] aan de griffie van de Hoge Raad bevestigd dat het cassatieberoep wordt doorgezet zonder tussenkomst van een cassatieadvocaat.
6. [verzoekster] B.V. dient gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep. Aan het ‘incidenteel verzoek’ komt daarmee geen belang meer toe.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] B.V. in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G