PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02730
Zitting 9 november 2021
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij vonnis van 6 juli 2018 door de rechtbank Limburg wegens “overtreding van artikel 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot twee weken hechtenis. Het gerechtshof Den Bosch heeft de verdachte bij arrest van 31 augustus 2020 met toepassing van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat artikel 48 (51 oud) en 415 Sv in hoger beroep niet zijn nageleefd aangezien is verzuimd een afschrift van de oproeping voor de zitting van het gerechtshof Den Bosch van 31 augustus 2020 aan de raadsvrouw van de verdachte te zenden.
4. Bij de op de voet van artikel 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een aanhoudingsverzoek van 21 januari 2020 van mr. P. Figge, gericht aan de strafgriffie van het gerechtshof Den Bosch, waarin zij onder meer bericht dat zij zich in januari 2019 heeft gesteld als raadsvrouw namens de verdachte in de zaak met het parketnummer 20/000223-19. Bij de stukken bevindt zich tevens een verzendcontrolerapport waaruit kan worden afgeleid dat het faxbericht op 21 januari 2020 door de strafgriffie van het gerechtshof Den Bosch is ontvangen. In het proces-verbaal van de zitting van het hof van 17 februari 2020 staat vermeld dat de raadsvrouw van de verdachte, mr. Figge, niet ter zitting aanwezig was en dat het hof reeds voorafgaand aan de zitting op verzoek en in overleg met de verdediging heeft beslist dat de zaak zal worden aangehouden tot 23 april 2020. Voorafgaand aan deze zitting is een afschrift van de oproeping in hoger beroep aan de raadsvrouw gezonden. De steller van het middel deelt overigens mee dat deze terechtzitting geen doorgang heeft gevonden in verband met de toen geldende COVID-maatregelen.
5. Bij de stukken van het geding bevindt zich de oproeping in hoger beroep voor de zitting op 31 augustus 2020. Noch uit mededelingen daarop gesteld, noch uit enig ander aan de Hoge Raad toegezonden stuk kan blijken dat een afschrift van de oproeping aan mr. Figge is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 31 augustus 2020 is aldaar noch de verdachte noch diens raadsvrouw verschenen.
6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de oproeping in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van artikel 48 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht in de weg te staan aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsvrouw.
7. Het middel slaagt.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Bosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden