PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02362 B
Zitting 23 november 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de klager.
1. Het cassatieberoep
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 14 januari 2021 het beklag ex art. 552a Sv tegen inbeslagname van de auto van de klager ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. R. Moghni, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gelijkluidend aan het middel dat is voorgesteld in de samenhangende zaak waarin ik vandaag eveneens concludeer (21/01917) en keert zich tegen de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de op grond van art. 94 lid 1 Sv in beslag genomen auto van de klager.
2. De procesgang in onderhavige zaak
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
Op 10 november 2020 is een Renault, type Megane Scenic voorzien van kenteken [kenteken] op naam van de beslagene op grond van art. 94 lid 1 Sv in beslag genomen omdat er onder de middenconsole een verborgen ruimte is aangetroffen van ongeveer 16 bij 80 centimeter. De verborgen ruimte werd zichtbaar na het onder de middenconsole indrukken van een knop. De verborgen ruimte was, behoudens een losse bodemplaat, leeg.
Op 11 november 2020 is er namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de personenauto en een aantal goederen, te weten schoenen (vier paar), telefoon (merk: Iphone 6) en overige goederen (in de auto). Daartoe zijn als gronden aangevoerd dat de goederen onrechtmatig in beslag zijn genomen en dat de in disproportioneel is, met als gevolg dat klager door het beslag onevenredig wordt getroffen. Daaraan is toegevoegd dat na ontvangst van het procesdossier de gronden (eventueel) worden aangevuld en/of uitgebreid en/of ter zitting nader worden toegelicht. De rechtbank Rotterdam heeft dit beklag bij beschikking van 14 januari 2021 ongegrond verklaard.
Parallel daaraan heeft de officier van justitie op 2 december 2020 een vordering ex art. 552f Sv ingediend strekkende tot onttrekking aan het verkeer van de onder klager inbeslaggenomen Renault. Deze vordering is bij beschikking van 17 februari 2021 door de rechtbank toegewezen.
3. Ontvankelijkheid van de klager
Door de raadsman van de klager is tegen onderhavige beschikking cassatieberoep ingesteld op 1 maart 2021. De cassatieakte vermeldt echter dat dit beroep zich richt tegen de beschikking d.d. 17 februari 2021 (de datum van de beschikking op de vordering tot onttrekking aan het verkeer). De cassatieakte is bovendien identiek aan de cassatieakte in de zaak 21/01917 die betrekking heeft op de beschikking op de vordering tot onttrekking aan het verkeer. Daar komt nog bij dat de inhoud van de cassatieschriftuur alleen ziet op de beschikking inzake de vordering onttrekking aan het verkeer (552f Sv), en ook alleen deze beschikking in de schriftuur wordt vermeld. Tegen de beschikking van 14 januari 2021 worden geen middelen geformuleerd. Ook in de schriftelijke volmacht tot het instellen van cassatie wordt alleen de beschikking van 17 februari 2021 aangehaald. In de aanhef van de schriftuur en in de aanhef van de schriftelijke volmacht worden echter de zaaknummers van beide beschikkingen genoemd.
Dat roept de vraag op of er wel beoogd is cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 14 januari 2021. Zo dit het geval is dan is dit beroep te laat ingesteld en dient de klager daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. Conclusie
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG