2. Procesverloop in cassatie
[eisers] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld en [verweerders] hebben verweer gevoerd.
Op 4 juni 2020 hebben [eisers] een akte ter rolle genomen. Daarin wordt gememoreerd dat [verweerders] hun woning aan de [a-straat 2] te [plaats 1] hebben verkocht en op 2 december 2019 hebben geleverd aan derden (hierna: [derden] ). De (rolraadsheer van) Uw Raad werd verzocht de procedure zo nodig op de voet van art. 225 Rv jo. 418a Rv te schorsen, te bepalen dat het cassatieberoep mede geacht wordt te zijn ingesteld tegen [derden] en aan [eisers] een termijn te gunnen om [derden] bij exploot te doen oproepen, teneinde ook tegen hen voort te procederen.
Bij antwoordakte van [verweerders] van 2 juli 2020 bepleitten zij dat het verzoek van 4 juni 2020 van [eisers] dient te worden afgewezen. [eisers] zouden vóór het instellen van cassatieberoep bekend zijn geweest met de verkoop van de woning door [verweerders] Dit zou blijken uit een als productie bijgevoegde brief van [eisers] van 17 maart 2020. Ook zou belang bij cassatie van [eisers] ontbreken.
De rolraadsheer heeft het verzoek van [eisers] op 3 juli 2020 afgewezen. Daartoe is overwogen dat al geen aanleiding voor schorsing op grond van art. 225 Rv bestaat, nu de gestelde schorsingsgrond aan de zijde van de wederpartij is opgekomen. Voor een wijziging van de aanduiding van de verwerende partijen is evenmin aanleiding, reeds omdat de procedure volgens het verzoek (mede) tegen de huidige wederpartijen zou moeten worden voortgezet. Nu het verzoek tot oproeping bij repliek in cassatie voorwaardelijke vorm is herhaald door [eisers] (zie hierna in 2.5), zal hierna eerst bezien worden of die voorwaarde wordt vervuld.
Zowel [eisers] als [verweerders] hebben schriftelijk laten toelichten, waarna [eisers] hebben gerepliceerd. Bij repliek hebben [eisers] gerespondeerd op de stelling dat [eisers] geen belang bij hun cassatieberoep meer zouden hebben. Indien en voor zover Uw Raad de stellingname van [verweerders] mocht volgen dat geen belang bij cassatie bestaat, verzoeken [eisers] Uw Raad (nogmaals) hen in de gelegenheid te stellen om de opvolgende partij ( [derden] ) op te roepen ten einde (ook) tegen hen in cassatie voort te procederen.
De belangkwestie en – voor zover nodig – het voorwaardelijk verzoek van [eisers] bespreek ik voorafgaand aan de cassatieklachten.
3. Gevolgen eigendomsovergang: ontvankelijkheid en belang
Art. 398 Rv kent voor cassatie het uitgangspunt dat een procedure plaatsvindt tussen de partijen uit de vorige instantie. Hierop geldt een uitzondering in geval van partijwisseling door rechtsopvolging. Dit houdt verband met de gedachte dat beslist dient te worden tussen de werkelijk belanghebbende partijen.
In onze zaak is sprake van een rechtsopvolging onder bijzondere titel door overdracht van het perceel [a-straat 2] door [verweerders] aan [derden] Deze overdracht vond plaats op 2 december 2019. De erfdienstbaarheid gevestigd op het perceel van [verweerders] (als dienend erf) is als afhankelijk recht van rechtswege overgegaan met de overdracht van de eigendom van het perceel. Dit volgt uit art. 3:7 BW gelezen in samenhang met art. 3:82 BW.
De overdracht vond plaats vóórdat in hoger beroep uitspraak werd gedaan op 18 februari 2020, maar nádat de zaak in appel in staat van wijzen was (dus nádat het hof de datum voor arrest had bepaald op de voet van art. 229 Rv). Dat volgt uit de stellingen van partijen, het feit dat het hof in het arrest vermeldt dat arrest is gevraagd ná de rolbeslissing van 8 juli 2019 (tot het niet toestaan eisvermeerdering) en het uit de stukken blijkende procesverloop ná die rolbeslissing:
- De zaak werd door de rolrechter na de beslissing over de eisvermeerdering op de rol gezet voor dagbepaling pleidooi, waartoe [verweerders] onder opgave van verhinderdata van beide partijen hadden verzocht bij H-10 formulier van 14 juni 2019.
- Voor pleidooi werd een dag bepaald in maart 2020, waarna [verweerders] op 10 september 2019 per H-16 formulier vanwege het inmiddels te koop staan van [a-straat 2] hadden laten weten hun pleidooiverzoek in te trekken.
Overdracht van een dienend erf tijdens een lopende procedure met als voorwerp de erfdienstbaarheid levert grond op voor schorsing van die procedure (art. 225 lid 1 sub c Rv). Omdat de overdracht plaatsvond ná de dag dat arrest werd bepaald, kon schorsing echter niet plaatsvinden (art. 225 lid 4 Rv). Op de voet van art. 225 lid 2 Rv wordt het geding dan op naam van de oorspronkelijke partij (in dit geval: [verweerders] ) voortgezet.
Een rechtsmiddel kan in zo’n situatie worden ingesteld door of tegen de opvolger van de partij aan wiens zijde de schorsingsgrond zich voordeed. Ook kunnen de oorspronkelijke eisers ( [eisers] in conventie) tegen de afwijzing van hun vordering (cassatie)beroep instellen tegen de oorspronkelijk gedaagden ( [verweerders] ) op grond van de hoofdregel dat beroep kan worden ingesteld door degene die partij was in vorige instantie. Dit heeft ook te gelden voor de oorspronkelijke gedaagden ( [eisers] in reconventie) die dan tegen de toewijzing van de vordering van de oorspronkelijke eisers ( [verweerders] ) een rechtsmiddel moeten kunnen instellen.
De vraag óf [eisers] (eigenaar heersend erf) [verweerders] (voormalig eigenaar dienend erf) in cassatie kunnen betrekken, is hiermee beantwoord. [eisers] kunnen dus in hun cassatieberoep worden ontvangen.
De volgende vraag is of [eisers] nog belang hebben bij hun cassatieberoep. [verweerders] betwisten dit belang bij s.t. onder 2, maar dat lijkt mij niet juist.
In de eerste plaats behouden [eisers] belang bij hun cassatieberoep vanwege de ten laste van hen uitgesproken proceskostenveroordeling in appel. Daaraan doet niet af de afstand van de proceskostenveroordeling die [verweerders] in cassatie hebben gedaan (s.t. onder 2.3). Daarmee ontvalt niet het proceskostenbelang aan de zijde van [eisers]. Om het proceskostenbelang te ontnemen, zou [verweerders] ook vergoeding van de proceskosten moeten aanbieden van [eisers] in cassatie en dat is niet gebeurd. Hiermee is overigens ook direct het argument van [verweerders] weerlegd dat een belang voor [eisers] zou ontbreken omdat [verweerders] geen uitvoering meer zouden kunnen geven aan een (voor hen) negatieve beslissing van Uw Raad of van het verwijzingshof (s.t. onder 2.2).
Belangijker is dat belang in cassatie resteert in verband met het gezag van gewijsde.
Art. 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Volgens art. 236 lid 2 Rv wordt onder ‘partijen’ mede begrepen de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet anders voortvloeit.
In onze zaak betekent dit dat [eisers] , indien het bestreden arrest gewezen tussen [eisers] en [verweerders] in kracht van gewijsde gaat, ook jegens [derden] als rechtverkrijgenden onder bijzondere titel gebonden zijn aan de in het bestreden arrest gegeven beslissingen. Het is hierbij van belang dat de term ‘beslissingen’ in art. 236 lid 1 Rv méér omvat dan het dictum van het bestreden arrest. Het omvat ook de dragende overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Omdat de dragende overwegingen over de erfdienstbaarheid en de uitleg daarvan een beperking vormen voor [eisers] voor wat betreft de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg en parkeren, hebben zij een materieel belang bij hun cassatieberoep.
Nu [verweerders] zich niet met vrucht kunnen beroepen op het ontbreken van belang van [eisers] , behoeft het voorwaardelijk geformuleerde verzoek van [eisers] bij repliek in cassatie onder 3 om de nieuwe eigenaar van het dienend erf, [derden] , op te roepen, geen bespreking, omdat de voorwaarde waaronder dit verzoek is geformuleerd zich niet voordoet.
4. Bespreking van het cassatieberoep
Het middel van cassatie valt uiteen in drie onderdelen met motiveringsklachten. Onderdeel I richt zich tegen de uitleg van de erfdienstbaarheid in rov. 3.8, onderdeel II tegen rov. 3.7 en onderdeel III is louter voortbouwend.
Onderdeel I: uitleg erfdienstbaarheid
Ik stel voorop dat voor de rechten en verplichtingen die uit de erfdienstbaarheid voortvloeien en voor de wijze waarop deze uitgeoefend moet worden in de eerste plaats de akte van vestiging beslissend is (art. 5:73 lid 1 BW). Bij de uitleg van een dergelijke akte komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.
Ik acht alle motiveringsklachten van onderdeel I gegrond. Deze zijn gericht tegen de volgende passage in rov. 3.8:
“ [eiser 1] heeft gesteld - en de rechtbank is in die redenering meegegaan — dat de bij akte van 1979 tussen partijen gemaakte afspraak omtrent het gebruik van en parkeren op "de strook grond gelegen ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur van het woonhuis [a-straat 2] ” inhield dat beoogd is dat de erfdienstbaarheid ten laste van de aan [verweerster 1] in eigendom toebehorende strook grond, gelegen naast de noordelijke buitenmuur van haar woning, uitgeoefend dient te worden […]. Die uitleg houdt in dat de erfdienstbaarheid zou zijn gevestigd op een strook grond van één meter breedte die bovendien direct aan de noordelijke gevel van de woning op perceel [a-straat 2] grenst, dus een strook grond waarop geen enkele auto kan worden geparkeerd die bovendien (nagenoeg) de gevel zou kunnen raken, zodat dit alleen al daarom geen uitleg is die, naar objectieve maatstaven gemeten, in de rede ligt. Dat het om een strook grond zou gaan die direct aan de noordelijke gevel grenst is bovendien niet voor de hand liggend omdat in de omschrijving niet staat ‘ten noorden van de noordelijke buitenmuur’ maar “ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur” [curs. Hof], wat veeleer erop duidt dat nog enige ruimte aanwezig is tussen de noordelijke gevel en de strook grond waar het om gaat en pleit voor de uitleg dat partijen destijds hebben gedoeld op het (aan [betrokkene 2] [thans [eisers] A-G] in eigendom toebehorende) pad. (…)”
[eisers] stellen ten eerste dat het bijwoord ‘ongeveer’ in de akte van 1979 evident en uitsluitend op de noordelijke buitenmuur van het woonhuis [a-straat 2] en de direct daaraan gelegen stuk grond slaat, in die zin dat beoogd is aan te geven dat die buitenmuur en strook grond ongeveer in noordelijke richting zijn gelegen. Daar kan al helemaal niet uit worden afgeleid, zoals het hof doet, dat er nog enige ruimte aanwezig zou kunnen zijn tussen die noordelijke gevel en de strook grond waar het hier om gaat. Volgens [eisers] laat de vestigingsakte uit 1979 geen andere uitleg toe, dan dat is beoogd een parkeermogelijkheid te scheppen ook op die strook grond en niet uitsluitend op die strook grond van ongeveer één meter breed.
Deze klachten slagen en zijn anders dan [verweerders] betogen (s.t. onder 5.1.3) voldoende precies en bepaald.
Het is onbegrijpelijk dat het hof de hiervoor geciteerde uitleg hanteert, erop neerkomend dat de litigieuze erfdienstbaarheid niet ten laste van de grond van [verweerders] zou zijn gevestigd. Zoals [eisers] terecht stellen (s.t. onder 2 en 3) staat in de vestigingsakte letterlijk het volgende:
“Vervolgens verklaarden de comparanten bij deze te vestigen de volgende erfdienstbaarheden:
A. Ten behoeve van het aan comparant [betrokkene 2] [nu [eisers] , A-G] in eigendom toebehorende perceelsgedeelte als heersend erf en ten laste van het aan comparant [betrokkene 3] [nu [verweerders] , althans [derden] , A-G] in eigendom behorende perceelsgedeelte als lijdend erf:
de erfdienstbaarheid van weg en het mogen parkeren van een automobiel op de strook grond gelegen ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur van het woonhuis [a-straat 2] [ [verweerders] , thans [derden] , A-G];” (Onderstrepingen A-G)
De tekst van de vestigingsakte veronderstelt de betrokkenheid van twee onroerende zaken in twee verschillende handen, waarbij het heersend erf een voordeel verkrijgt (‘ten behoeve van’). Daarmee strookt niet de door het hof gegeven uitleg dat niet kan zijn bedoeld een erfdienstbaarheid te vestigen op de strook grond die aan [verweerders] toebehoorde. Dat gelet op de breedte van de strook daar niet een hele auto kan worden geparkeerd, doet daaraan niet af. Immers kan die smalle strook dienen om een deel van een auto op te parkeren. Ook hierbij kunnen [eisers] een voordeel hebben als eigenaar van het heersende erf. Zonder nadere motivering is dit oordeel van het hof gebaseerd op de breedte van de strook onbegrijpelijk. Anders dan [verweerders] lijken te betogen (s.t. onder 4.3), is deze uitleg van de akte in het bestreden arrest wel degelijk nadelig voor [eisers]
Ook is de uitleg van het hof van het woord ‘ongeveer’ grammaticaal incorrect. Zoals [eisers] terecht aangeven, is ‘ongeveer’ een bijwoord, en bijwoorden kwalificeren werkwoordelijke elementen, bijvoeglijke naamwoorden of andere bijwoorden, maar nooit zelfstandig naamwoorden. In dit geval staat het bijwoord ‘ongeveer’ bij het bijvoeglijk naamwoord ‘noordelijke’. Bijvoeglijke naamwoorden noemen een eigenschap, kenmerk of toestand van een zelfstandigheid (iets of iemand), uitgedrukt door een zelfstandig naamwoord. In dit geval is dat het zelfstandig naamwoord ‘buitenmuur’. De klacht dat het woord ‘ongeveer’ preciseert dat de ligging van de buitenmuur (waaraan de strook grond ligt) grofweg in noordelijke richting is en (dus) niet exact in de richting van het noorden, is daarmee terecht voorgesteld. De hofuitleg is op dit punt onbegrijpelijk.
Ook de volgende motiveringsklacht (procesinleiding, pagina 2, eerste alinea) slaagt: de uitleg aan het slot van rov. 3.8 inhoudende dat een auto die op het pad in eigendom van [eisers] wordt geparkeerd, naast de schutting moet worden geparkeerd en niet de grens van de achtergevel van het woonhuis op het perceel [derden] mag overschrijden, is onverenigbaar met de tekst van de vestigingsakte. Met ‘het pad’ bedoelt het hof kennelijk de oprit behorend tot het heersend erf van [eisers] gelet op de definitie in rov. 3.4 van het bestreden arrest (in cassatie niet aangevallen). Deze uitleg zou betekenen dat [eisers] , hoewel de erfdienstbaarheid ten behoeve van hun heersend erf is gevestigd, als gevolg van de erfdienstbaarheid alleen op hun eigen (heersend) erf mogen parkeren (procesinleiding, pagina 2, laatste alinea), waarmee de erfdienstbaarheden helemaal zinledig zouden zijn. Dat is in wezen de meest aansprekende klacht en maakt inzichtelijk dat dit in het licht van de vestigingsakte niet de partijbedoeling kan zijn geweest. Het oordeel van het hof is ook op dit punt dus onbegrijpelijk.
Anders dan [verweerders] stellen (s.t. onder 5.1.2), slaagt deze laatst besproken klacht ondanks het feit dat het eerste onderdeel van het cassatiemiddel zich niet richt tegen rov. 3.7 van het arrest, waarin het hof tot een soortgelijke conclusie voor wat betreft de toegestane plek van het parkeren komt. De formulering inclusief de structuur van het cassatiemiddel is niet aan vormvereisten gebonden en hoeft dus ook niet de volgorde van de bestreden uitspraak te volgen om te kunnen slagen. Tegen rov. 3.7 keert zich het tweede onderdeel en de klachten (‘redenen’) in de procesinleiding dienen in samenhang te worden gelezen, zoals [eisers] voorop stellen in hun procesinleiding (alinea direct onder kopje ‘middel van cassatie’). [eisers] lassen in de toelichting van het tweede onderdeel hun toelichting bij het eerste onderdeel in (procesinleiding, pagina 3, tweede alinea). Zie hierna de bespreking van het tweede onderdeel. Zodoende bestaat wel degelijk belang bij de onderhavige cassatieklacht.
Ook de klacht in de tweede alinea van p. 2 van de procesinleiding in cassatie slaagt: aanvulling sub 2 uit de akte uit 1998 (hiervoor geciteerd in 1.1) over de uitzondering voor het aanbrengen van een erfafscheiding vanaf de achtergevel van het woonhuis [a-straat 2] betekent dat vanaf de [a-straat] tot aan dat punt geen erfafscheiding mag worden aangebracht en deze zodoende vrij moet blijven. Dat is een aanwijzing dat met het mogen parkeren juist de strook grond gelegen vóór dat punt ‘vanaf de achtergevel huis [a-straat 2] ’ is bedoeld, hetgeen is miskend volgens de klacht, onder verwijzing naar de inleidende dagvaarding 25 en 33 en prods. 7, 10 en 11 waarin met groene, blauwe en gele kleuren is geschetst waar de erfdienstbaarheid in de akte uit 1979 ten laste van perceel [a-straat 2] rust ten gunste van perceel [a-straat 1] , waar de schutting op de grens van het heersende en dienende erf werd geplaatst waar volgens de akte uit 1998 met auto’s mag worden geparkeerd. Ik meen dat dat klopt, hoewel dit een a contrario redenering is en het strikt genomen alleen een aanvulling is op het verbod tot afscheidingen anders dan de bestaande. In context begrepen is de uitleg in de klacht volgens mij juist, mede in verband met de hierna te bespreken vervolgklacht. De hofuitleg is hier niet mee te verenigen en zodoende onbegrijpelijk. Een en ander geldt volgens de klacht te meer nu bij de hofuitleg de derde aanvulling over zichtbelemmerend parkeren zinledig zou zijn: als alleen naast de schutting zou mogen worden geparkeerd, is er helemaal geen sprake van zichtbelemmering vanuit de noordelijke zijgevel van [a-straat 2] . Dat is in mijn ogen ook een terecht voorgestelde klacht.
Ook de laatste hiervoor nog niet besproken klacht van onderdeel I (eennalaatste alinea p. 2 procesinleiding) gaat volgens mij op: de aanvulling onder 2 (bedoeld is gelet op de inhoud van de klacht kennelijk: aanvulling onder 3) van de akte van 1998 over de erfafscheiding is zinledig als dat niet de strook grond naast de gevel van [a-straat 2] zou betreffen, omdat in die aanvulling expliciet een koppeling wordt gelegd tussen ‘geparkeerde auto’s’ en ‘niet mogen belemmeren’. Die koppeling tussen parkeren en zichtbelemmering impliceert immers dat parkeren op de strook naast de gevel van [a-straat 2] is toegestaan, voor zover dat niet het uitzicht vanuit de ramen van de noordelijke zijgevel van [a-straat 2] belemmert. Ook die klacht lijkt mij terecht voorgesteld. Als er alleen op eigen terrein van [eisers] naast de schutting mag worden geparkeerd, zoals het hof de erfdienstbaarheid uitlegt, is er immers van zichtbelemmering vanuit de noordelijke zijgevel van [a-straat 2] helemaal geen sprake.
Onderdeel II: één auto of meer auto’s?
[eisers] klagen dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.7 tot het oordeel komt dat uit de aanvulling onder 3 in de akte van 1998 “…dat geparkeerde auto’s het uitzicht uit de noordelijke zijgevel van het perceel [a-straat 2] niet mogen belemmeren” niet kan worden afgeleid dat partijen hebben beoogd het aantal op het pad te parkeren auto’s uit te breiden én dat dat betekent dat de (ene) auto die op het pad mag worden geparkeerd, in elk geval naast de schutting dient te worden geparkeerd en niet de grens met de achtergevel van het woonhuis op het perceel [a-straat 2] mag overschrijden.
Daartoe wordt allereerst verwezen naar onderdeel I en in zoverre lijkt mij deze klacht gedeeltelijk te slagen, namelijk voor zover de uitleg van het hof inhoudt dat een auto die op het pad wordt geparkeerd naast de schutting moet staan en niet de grens van het woonhuis op het perceel [a-straat 2] mag overschrijden. Met ‘het pad’ bedoelt het hof kennelijk de oprit behorend tot het heersend erf van [eisers] getuige de definitie in rov. 3.4 van het bestreden arrest (in cassatie niet aangevallen). Dit terwijl in 1979 de erfdienstbaarheid, waaraan in de akte van 1998 wordt toegevoegd, werd gevestigd op een strook grond behorend tot het dienend erf (van [verweerders] , thans [derden] ) gelegen ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur van het woonhuis. De toevoeging ziet dus op het in de vestigingsakte uit 1979 ten behoeve van [eisers] gevestigde recht van weg en parkeren op de strook grond in eigendom van [verweerders] Aan de uitoefening van dat recht wordt een beperking gesteld, en dus niet aan het recht van [eisers] te parkeren op hun eigen grond (het heersende erf) zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld. Hoewel deze klacht zodoende in wezen zelfstandige betekenis mist, slaagt deze wel.
Niet onbegrijpelijk lijkt mij het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat uit het gebruik van het woord ‘auto’s’ niet kan worden afgeleid dat partijen daarbij hebben beoogd het aantal door [eisers] te parkeren auto’s uit te breiden. Het hof overweegt dat het voor de hand ligt dat een dergelijke uitbreiding van het aantal auto’s explicieter zou worden geformuleerd. Het hof verklaart het gebruik van de meervoudsvorm ‘auto’s’ zo, dat is bedoeld aan te geven dat het niet steeds dezelfde auto behoeft te zijn. Dit is niet onbegrijpelijk.
Hieraan doet niet af de stelling van [eisers] dat het woord ‘toevoeging’ er al op zou duiden dat is bedoeld de erfdienstbaarheid uit te breiden. ‘Toevoeging’ kan net zo goed wijzen op een uitbreiding van een eerdere tekst met een tekstdeel dat een beperking inhoudt van de uitoefening van het recht dat voortvloeit uit de eerdere verwoording van de erfdienstbaarheid. Anders dan [eisers] betogen, respondeert het hof met zijn overweging omtrent het aantal auto’s ook impliciet op de (volgens [eisers] essentiële) stelling dat het bij het maken van de afspraken in de akte van 1998 een geven en nemen was, in de zin dat uit de akte zou blijken dat de litigieuze toevoeging ten voordele zou moeten strekken van [eisers] Uit rov. 3.7 blijkt voldoende dat het hof oordeelt dat de bewoordingen van de toevoeging niet anders kunnen worden opgevat dan dat sprake is van een ‘geven’ door (de rechtsvoorganger van) [eisers] , namelijk het accepteren van een beperking van de uitoefening van het recht van parkeren om het uitzicht van (de rechtsvoorganger van) [verweerders] veilig te stellen. Daarbij speelt ook dat de rechter niet steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering hoeft te betrekken. De verwerping van een stelling kan ook impliciet.
Onderdeel III
Nu onderdeel I geheel en onderdeel II gedeeltelijk slagen, treft in zoverre de louter voortbouwende klacht uit onderdeel III ook doel, maar dat behoeft geen afzonderlijke bespreking.
5. Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G