ECLI:NL:PHR:2021:195

ECLI:NL:PHR:2021:195, Parket bij de Hoge Raad, 26-02-2021, 20/03383

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 26-02-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/03383
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:587
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002656

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Bewind. Verzoek tot ontslag bewindvoerder. Gewichtige redenen. Art. 1:448 lid 2 BW.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03383

Zitting 26 februari 2021

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[rechthebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot cassatie,

hierna: rechthebbende,

advocaat mr. J..H.M. van Swaaij,

Tegen

[de bewindvoerder] ,

handelend onder de naam [A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in cassatie,

hierna: de bewindvoerder,

niet verschenen.

In deze bewind zaak is de vraag aan de orde of het hof terecht heeft geoordeeld dat de door rechthebbende aangevoerde feiten en omstandigheden, noch afzonderlijk, noch in onderling verband, gewichtige redenen vormen om tot ontslag van de bewindvoerder over te gaan op grond van art. 1:448 lid 2 BW.

1. Feiten en procesverloop

In cassatie kan van het volgend worden uitgegaan.

Bij beschikking van 16 juni 2011 heeft de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo een bewind ingesteld over de gelden en goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende. Tot bewindvoerder is benoemd Stichting Zij aan Zij. De grondslag van het bewind is de geestelijke of lichamelijke toestand van rechthebbende. [A] is de huidige bewindvoerder.

Bij beschikking van 12 mei 2020 heeft de kantonrechter ten behoeve van rechthebbende een mentorschap ingesteld en Stichting Zonder Zorgen tot mentor benoemd.

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 17 september 2019 (hierna: de kantonrechter), heeft rechthebbende de kantonrechter verzocht om [A] te ontslaan en Stichting Zonder Zorgen tot bewindvoerder te benoemen. Bij beschikking van 6 december 2019 van de kantonrechter is dit verzoek afgewezen.

Rechthebbende is daarvan in hoger beroep gekomen. Het hoger beroepschrift is op 6 maart 2020 bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (hierna: het hof), ingekomen. Rechthebbende heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zijn verzoek strekkende tot ontslag van [A] en benoeming van Stichting Zonder Zorgen tot bewindvoerder alsnog toe te wijzen.

Stichting Zonder Zorgen heeft schriftelijk verklaard bereid te zijn om te worden benoemd tot bewindvoerder ten behoeve van rechthebbende.

In verband met (het beleid ten aanzien van) het coronavirus heeft het hof partijen aanbevolen te kiezen voor een schriftelijke afdoening van de zaak, dus zonder een mondelinge behandeling. Partijen hebben het hof laten weten in te stemmen met een schriftelijke afdoening. Het hof heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld aanvullende stukken in het geding te brengen en spreekaantekeningen over te leggen. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij beschikking van 21 juli 2020 van het hof (hierna: de bestreden beschikking) is voormelde beschikking van 6 december 2019 van de kantonrechter bekrachtigd. Daartoe is het volgende overwogen:

“5.2 [rechthebbende] stelt in het beroepschrift dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, voldoende grond bestaat voor ontslag van de huidige bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder. Hij voert het volgende aan.

[A] heeft een aantal zaken nagelaten, waardoor [rechthebbende] geen vertrouwen meer heeft in de bewindvoerder. Een voorbeeld hiervan is dat [A] de facturen van de energieleverancier niet tijdig heeft voldaan, met als gevolg dat de energieleverancier dreigde de elektriciteits- en gasaansluiting van [rechthebbende] af te sluiten. Dit voorval heeft een grote impact gehad op [rechthebbende] . Een ander voorbeeld is dat [A] heeft na gelaten om namens [rechthebbende] een aanvraag in te dienen voor bijzondere bijstand in verband met de verhuizing naar een andere woning. Daarnaast verloopt de communicatie tussen [A] en [rechthebbende] niet goed. [A] is te zakelijk, waardoor [rechthebbende] het gevoel heeft dat hij slechts “een nummertje” is. [rechthebbende] heeft met Stichting Zonder Zorgen wel een goed contact.

In zijn brief van 5 juni 2020 voert [rechthebbende] nog aan dat [A] hem niet goed heeft voorgelicht over de huurtoeslag, dat [A] ten onrechte geen bezwaar heeft gemaakt tegen huurverhogingen, dat [A] hem niet heeft verteld dat hij geen vakantiegeld krijgt en dat [A] de optie van schuldsanering/WSNP pas na drie jaar met hem heeft besproken.

[A] heeft in hoger beroep geen verweerschrift ingediend. In de brief van 15 juni 2020 heeft [A] gereageerd op de brief van [rechthebbende] van 5 juni 2020. [A] stelt in die brief de taak van bewindvoerder goed te hebben uitgevoerd.

Los van de vraag wat de oorzaak is van de strubbelingen tussen [A] en [rechthebbende] is het hof van oordeel dat de door [rechthebbende] gestelde feiten en omstandigheden - noch afzonderlijk, noch in onderling verband - een gewichtige redenen vormen in de zin van artikel 1:448, tweede lid, BW, Evenmin is gebleken van andere gewichtige redenen om [A] te ontslaan. Het feit dat Stichting Zonder Zorgen (inmiddels) is benoemd tot mentor van [rechthebbende] maakt dat niet anders. Het hof zal het verzoek van [rechthebbende] om [A] te ontslaan en Stichting Zonder Zorgen tot bewindvoerder te benoemen daarom afwijzen.”

Rechthebbende heeft tegen de bestreden beschikking – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Er is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de door rechthebbende aangevoerde feiten en omstandigheden geen gewichtige redenen vormen voor ontslag in de zin van art. 1:448 lid 2 BW onjuist, onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is. Het oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip gewichtige redenen in de zin van art. 1:448 lid 2 BW.

Het gaat om de volgende feiten en omstandigheden:

a) rechthebbende heeft geen vertrouwen meer in de bewindvoerder;

b) de bewindvoerder heeft de facturen van de energieleverancier van rechthebbende niet tijdig voldaan met als gevolg dat de energieleverancier dreigde de elektriciteits- en gasaansluiting van rechthebbende af te sluiten, welk voorval een grote impact heeft gehad op rechthebbende;

c) de bewindvoerder heeft nagelaten om namens rechthebbende een aanvraag in te dienen voor bijzondere bijstand in verband met de verhuizing naar een andere woning;

d) de communicatie tussen de bewindvoerder en rechthebbende verloopt niet goed, aangezien de bewindvoerder te zakelijk is waardoor rechthebbende het gevoel heeft slechts een ‘nummertje’ te zijn;

e) de bewindvoerder heeft rechthebbende niet goed voorgelicht over zijn huurtoeslag;

f) de bewindvoerder heeft ten onrechte geen bezwaar gemaakt tegen zijn huurverhogingen;

g) de bewindvoerder heeft rechthebbende niet meegedeeld dat hij geen vakantiegeld krijgt;

h) de bewindvoerder heeft de optie van schuldsanering/WSNP pas na drie jaar met rechthebbende besproken.

Juridisch kader

Voordat ik inhoudelijk op deze zaak in zal gaan, zal ik kort ingaan op het juridisch kader.

De taak van de bewindvoerder eindigt, voor zover van belang, door ontslag dat hem door de kantonrechter wordt verleend (art. 1:448 lid 1 sub e BW). De kantonrechter bepaalt de dag waarop dit ontslag wordt verleend (art. 1:448 lid 1 sub e BW). Het ontslag wordt hem verleend wegens gewichtige redenen of als niet meer wordt voldaan aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden. Het ontslag kan ambtshalve worden verleend (art. 1:448 lid 2 BW), ook in hoger beroep.

Wat zijn gewichtige redenen voor ontslag? Een vergelijkbaar criterium wordt gehanteerd voor het ontslag bij curatele (art. 1:385 BW) en mentorschap (art. 1:461 BW). In de praktijk wordt dan aangesloten bij de parlementaire geschiedenis van deze bepalingen. Daaruit volgt dat indien de verstandhouding tussen de betrokkene en de curator ernstig is verstoord, dan wel een minimum aan vertrouwen ontbreekt, er sprake kan zijn van een gewichtige redenen voor ontslag. In de wetsgeschiedenis worden ook de volgende voorbeelden genoemd: nalaten, fouten of fraude.

Uit de wetgeschiedenis en de feitenrechtspraak leid ik af dat de redenen voor het ontslag wegens gewichtige redenen vaak zijn gelegen in:

i. de wijze waarop het bewind is uitgevoerd;

Het gaat dan onder meer om zaken waarin bewindvoerder nalaat (tijdig) leefgeld en lasten te voldoen, nalaat toezicht te houden op te ontvangen PGB-gelden, onjuiste aangifte inkomstenbelasting doet, waardoor de rechthebbende wordt geconfronteerd met naheffingsvorderingen; niet (tijdig) een verzoek om aanvraag bijzondere bijstand indient; nalaat om rekening en verantwoording af te leggen; een te hoge vergoeding in rekening brengt voor zijn werkzaamheden zonder toestemming van de kantonrechter; sprake is van tegenstrijdig belang aangezien de bewindvoerder ook erfgenaam is; de bewindvoerder weigert om in contact te treden met de mentor terwijl dit noodzakelijk is gezien de problematiek van de rechthebbende;

ii. de verstoorde onderlinge verstandhouding tussen de rechthebbende en de bewindvoerder;

Zie hiervoor weergegeven.

iii. de persoonlijke omstandigheden van rechthebbende;

Denk daarbij aan situaties waarin de samenwerking met de bewindvoerder emotioneel belastend is en leidt tot onrust, onduidelijkheid en stress, hetgeen van invloed is op het psychisch functioneren van de rechthebbende, maar ook aan de situatie waarin de rechthebbende gediagnosticeerd is met Asperger en MS waardoor hij uiterst beperkt in staat is om zich zowel mondeling als schriftelijk te uiten waardoor de communicatie met hem wordt bemoeilijkt en communicatie via familie wenselijk en soms onvermijdelijk is.

Meestal zijn er meerdere redenen voordat tot ontslag wordt overgegaan.

Of de aangevoerde feiten en omstandigheden een gewichtige reden voor ontslag opleveren, staat ter beoordeling van de feitenrechter.

Inhoudelijke beoordeling

Over de inhoudelijke beoordeling kan ik kort zijn.

Rechthebbende lijkt er in zijn klacht van uit te gaan dat de overweging “Los van de vraag wat de oorzaak is van de strubbelingen tussen [A] en [rechthebbende] is het hof van oordeel dat de door [rechthebbende] gestelde feiten en omstandigheden – noch afzonderlijk, noch in onderling verband – een gewichtige reden vormen in de zin van art. 1:448, tweede lid, BW” inhoudt dat deze feiten en omstandigheden in zijn algemeenheid geen gewichtige reden kunnen vormen, maar dat is onjuist. Het gaat er om dat deze feiten en omstandigheden in deze zaak geen gewichtige redenen vormen. Dat oordeel, dat wellicht iets specifieker had kunnen worden uitgewerkt, is niet onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken en geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De door rechthebbende aangevoerde argumenten zijn door de bewindvoerder zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd bestreden en worden door het hof (naar ik begrijp en mijns inziens terecht) aangemerkt als strubbelingen binnen de bewindvoering. Zo stelt de rechthebbende aanvankelijk dat er geen klik is, komt daar tijdens de zitting bij de rechtbank alweer op terug, maar herhaalt dat standpunt vervolgens wel weer in hoger beroep. Dat het hof dan ook niet heeft geoordeeld dat sprake is van een dusdanige verstoring van de onderlinge verhouding waardoor aanleiding is voor het ontslag, is dan ook niet onbegrijpelijk. Ook de klachten over het niet betalen van de facturen, het nalaten van het doen van bezwaar tegen de huurverhoging, het nalaten van de aanvraag voor bijzondere bijstand, het niet goed voorlichten over de huurtoeslag en het vakantiegeld heeft de bewindvoerder weerlegd in zijn brief van 15 juni 2020 aan het hof met toelichting over de situatie destijds. Eveneens is het oordeel van het hof dat de benoeming van Stichting Zonder Zorg tot mentor dit niet anders maakt, niet onbegrijpelijk. Die benoeming, de bereidverklaring van deze Stichting om tot bewindvoerder te worden benoemd en “het beter begrepen voelen en meer vertrouwen hebben in” deze Stichting door rechthebbende, betekenen niet zonder meer dat sprake is van dringende redenen in de zin van art. 1:448 lid 2 BW, ook niet in samenhang gezien met de overige gestelde feiten en omstandigheden.

Ik begrijp dat de uitbraak van het Covid-19 virus aanleiding is geweest om de zaak op de stukken af te doen. Toch wil ik erop wijzen dat juist in het geval de communicatie tussen rechthebbende, regelmatig een kwetsbaar persoon, en de bewindvoerder moeizaam verloopt en er weinig onderling vertrouwen is, een mondelinge behandeling nuttig kan zijn om de pijnpunten bespreekbaar te maken.

Het vorenstaande betekent dat het middel faalt en het cassatieberoep moet worden verworpen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl FJR 2024/17.44 FJR 2024/17.43
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?