PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00720
Zitting 12 maart 2021
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[de vader]
tegen
Raad voor de Kinderbescherming
1. Procesverloop
Deze zaak betreft de ondertoezichtstelling van [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] , de minderjarige kinderen van verzoeker en [de moeder] . De rechtbank Rotterdam had de ondertoezichtstelling uitgesproken voor de periode van 14 mei 2020 tot 14 mei 2021. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 21 oktober 2020 de periode van de ondertoezichtstelling beperkt tot 11 november 2020. Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling moet worden beëindigd, maar dat het van belang is dat deze goed wordt afgesloten en dat de overgang van het gedwongen kader naar het vrijwillig kader soepel verloopt. Het hof beëindigde de ondertoezichtstelling daarom vanaf zes weken na de datum van de mondelinge behandeling bij het hof zodat de gecertificeerde instelling de tijd heeft om de zaak over te dragen aan het wijkteam en om de minderjarigen aan te melden bij de intern begeleider op school.
Bij brief van 8 januari 2021 heeft verzoeker, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 21 oktober 2020. Daarbij is vermeld dat de familie een modaal inkomen geniet en niet in staat is om een cassatieadvocaat te betalen en dat, naar ik begrijp, de Raad voor de Rechtsbijstand een verzoek om een toevoeging te verlenen voor de cassatieprocedure heeft afgewezen. Hierop heeft de griffier van de Hoge Raad bij brief van 12 januari 2021 verzoeker onder meer laten weten dat het cassatieberoep niet is ingediend op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, namelijk ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Bij brief van 17 januari 2021 heeft verzoeker zijn cassatieberoep gehandhaafd en heeft daarbij opnieuw vermeld dat de financiële middelen ontbreken om een cassatieadvocaat te betalen.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
In cassatie kan een zaak ‘kosteloos’ worden behandeld in de zin dat in bepaalde gevallen krachtens de Wet griffierechten burgerlijke zaken geen griffierecht verschuldigd is. Verder kan krachtens de Wet op de rechtsbijstand onder bepaalde voorwaarden worden voorzien in voor een partij gesubsidieerde rechtsbijstand door een cassatieadvocaat, maar hiervoor komt verzoeker blijkbaar niet in aanmerking.
Het op 8 januari 2021 ingekomen verzoekschrift is ingediend door verzoeker zelf en is niet, zoals vereist door artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.
Dit brengt mee dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G