Inleiding
Het middel
3. Het middel houdt in dat het hof in strijd met art. 359 Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de keuze voor de oplegging van een vrijheidsbenemende straf en het voorts niet met redenen omkleed heeft beslist op het gevoerde straftoemetingsverweer.
4. De aantekening van het mondeling arrest van het hof, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2019, bevat ten aanzien van de strafoplegging het volgende:
“Opgelegde straf en vermelding van de bijzondere redenen die de straf hebben bepaald. Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.
Ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde:
Bepaalt dat ter zake van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde telkens geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Motivering strafoplegging
Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.”
5. Ik bespreek eerst de klacht dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 359, zesde lid, Sv bij de motivering van de opgelegde hechtenis niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot de keuze voor de oplegging van een vrijheidsbenemende straf.
6. Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv dient de rechter in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze voor de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel hebben geleid. Uit de strafmotivering zal expliciet moeten blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zodanige sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. De motivering van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, zoals hechtenis, voldoet aan dit vereiste niet indien wordt volstaan met een (standaard)overweging waarin slechts wordt overwogen dat “de na te melden strafoplegging” of “de volgende straf” in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
7. Het hof heeft de in hoger beroep opgelegde straf bepaald op grond van “de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte.” De overwegingen van het hof bevatten, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf ter zake van de feiten 1 en 2. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.
8. In zoverre slaagt het middel, zodat het voor het overige geen bespreking meer behoeft.
Slotsom
9. Het middel is terecht voorgesteld.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG