PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00768
Zitting 20 april 2021
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
Art. 38w Sr:
“1 In het vonnis waarbij de maatregel als bedoeld in artikel 38v wordt opgelegd, beveelt de rechter dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
2 De rechter bepaalt in het vonnis de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld en bedraagt ten minste drie dagen.
3 De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
4 Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel, bedoeld in artikel 38v, tweede lid, niet op.”
Art. 359, zesde lid, Sv:
“6. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.”
22.Gezien de toelichting op het tweede middel gaat het om drie deelklachten. De eerste deelklacht gaat ervan uit dat het hof voor de opgelegde maatregel ex art. 38v Sr ten onrechte tweemaal een totale duur van vervangende hechtenis van zes maanden heeft opgelegd, zodat daarmee de totale duur uitkomt op twaalf maanden.
23. Deze deelklacht berust denk ik op een verkeerde lezing van het arrest. Omdat het hof tweemaal de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr heeft opgelegd, heeft het hof tweemaal nadrukkelijk bepaalt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. Men zou kunnen zeggen dat het hof met die tweede keer nog eens heeft willen benadrukken dat die totale duur niet meer dan zes maanden kan belopen. Aldus verstaan, mist de eerste deelklacht feitelijke grondslag. Indien uw Raad daar anders over denkt, geef ik U in overweging deze dan kennelijke misslag om doelmatigheidsredenen zelf te herstellen.
24. De twee andere deelklacht betreffen ’s hofs motivering van de strafoplegging alsmede de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden proeftijd van drie jaren, en de motivering van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen.
25. Voor zover het middel klaagt over de motivering van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf het volgende. De motiveringsplicht van art. 359, zesde lid, Sv geldt alleen in geval van oplegging van onvoorwaardelijke sancties en strekt zich niet uit tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, die immers naar haar aard niet is aan te merken als een straf die vrijheidsbeneming meebrengt (HR 16 september 1985, NJ 1986/726, m.nt. Melai); de verdachte heeft het in eigen hand of vrijheidsbeneming volgt. Daarop stuit deze deelklacht af.
26. Wat betreft de proeftijd van drie jaren, doelt de steller van het middel kennelijk op het bepaalde in art. 14b Sr, waarvan het tweede lid luidt:
“2. De proeftijd bedraagt ten hoogste drie jaren. De proeftijd kan ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
27. Het maximum van de proeftijd is echter niet langer afhankelijk van de voorwaarde die is opgelegd. Met de uitbreiding van het aantal voorwaarden dat kan worden gesteld aan de voorwaardelijke veroordeling is het volgens de wetgever niet langer mogelijk een objectief criterium vast te stellen aan de hand waarvan voor de ene voorwaarde een maximale proeftijd van twee jaar en voor de andere voorwaarde een maximale proeftijd van drie jaar zou gelden.[6] De stelling van de raadsman van de verdachte dat het hof een proeftijd van drie jaren “in plaats van twee jaren” heeft opgelegd en dit onvoldoende heeft gemotiveerd, gaat dan ook uit van een verkeerde rechtsopvatting, reden waarom ook deze sub-klacht doel mist.
28. Tot slot de deelklacht die de pijlen richt op de motivering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen. Indien de rechter op grond van art. 38v Sr zo een maatregel oplegt, dient hij dit te motiveren. Dit blijkt uit de wetsgeschiedenis en het feit dat zij slechts kan worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het (opnieuw) begaan van strafbare feiten.[7] Met het geheel ontbreken van een motivering neemt de Hoge Raad dus geen genoegen,[8] maar heel uitgebreid hoeft de motivering nu ook weer niet te zijn, zo lijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad te kunnen worden opgemaakt.[9]
29. Het hof heeft blijkens het arrest allereerst rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit begaan is, de persoon van de verdachte, het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 januari 2020 en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Specifiek met betrekking tot de vrijheidsbenemende maatregelen heeft het hof overwogen dat de ideeën van de verdachte rondom de strafwaardigheid van zijn gedragingen, niet lijken te zijn gewijzigd. In dit een en ander ligt besloten het – niet onbegrijpelijke – oordeel van het hof dat de beide maatregelen zijn opgelegd ter voorkoming van het opnieuw begaan van een strafbaar feit als belaging, zulks bezien tegen de achtergrond van het feit waarvoor de verdachte nu is veroordeeld (belaging), de aard van dit feit en de persoon van de verdachte.
30. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat het hof de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen toereikend heeft gemotiveerd, zodat ook deze klacht geen hout snijdt.
31. Ook het tweede middel faalt in alle onderdelen.
32. Beide middelen falen en kunnen, naar het mij toeschijnt, beide met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
33. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
[1] M.S. Groenhuijsen, “Stalking: Strafrecht als interventierecht”, DD 1998, 6, p. 521. In vergelijkbare zin M.J.A. Duker, “De reikwijdte van het belagingsartikel”, RM Themis 2007, 4, p. 143.
[2] Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5 (gewijzigde MvT), p. 2.
[3] Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5 (gewijzigde MvT), p. 17. Zie ook Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3 (MvT), p. 27.
[4] Zie onder meer HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394, m.nt. Reijntjes.
[5] In dezelfde zin M.J.A. Duker, t.a.p., p. 141-154.
[6] Kamerstukken II 2009-2010, 32319, nr. 3, p. 18 en 19. Zie ook aant. 2 bij art. 14b Sr (bewerkt door P.M. Schuyt) in Tekst & Commentaar Strafrecht, dertiende druk 2020.
[7] Zie Kamerstukken II 2010-2011, 32 551, nr. 3, p. 6 en 7 en HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143, m.nt. Vellinga-Schootstra.
[8] Zie ook aant. 3 bij art. 38v Sr (bewerkt door Crijns/Hofstee) in Tekst & Commentaar Strafrecht, dertiende druk 2020.
[9] HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, NJ 2015/432.